Van vrijhaven voor terrorisme naar bevrijding van kolonialisme

Pasjtoense Pakistanen willen volwaardige burgers worden: ‘Wij zijn geen barbaren’

© Reuters

‘We willen gewoon dezelfde mensenrechten als de overige tweehonderd miljoen Pakistanen.’

Het zou weleens de minst opgemerkte belangrijkste beslissing van het jaar kunnen zijn: de afschaffing van een koloniaal statuut voor zeven stammendistricten op de grens van Pakistan en Afghanistan. Dat statuut schiep namelijk de ruimte voor allerlei gewapende extremisten om er hun hoofdkwartier, trainingskampen en terugvalbasissen te installeren. Een geweldloze opstand van de lokale Pasjtoense jeugd gaf leger en regering begin dit jaar het laatste zetje om een einde te maken aan 140 jaar koloniale apartheid en bewuste afwezigheid van de staat. ‘Wij zijn geen barbaren. We willen gewoon dezelfde mensenrechten als de overige tweehonderd miljoen Pakistanen.’

Noord- en Zuid-Waziristan, Kurram, Khyber, Bajaur, Mohmand en Orakzai

Die zeven districten vormen samen ‘de stammengebieden die als een buffer tussen Afghanistan en de rest van Pakistan liggen. De regio is wat kleiner dan België, telt ongeveer evenveel inwoners als Vlaanderen en wordt gezamenlijk aangeduid als Federally Administrated Tribal Areas, of FATA. De bevolking is bijna helemaal Pasjtoens, al noemen mensen zich eerder Waziri, Mehsud, Afridi of een van de tientallen andere specifieke stammengemeenschappen die onder de etnische categorie Pasjtoen vallen.

Zeven districten, één koloniale geschiedenis

De FATA ontstonden als regio met een apart statuut in de periode van the Great Game, de territoriale concurrentie tussen tsaristisch Rusland en imperialistisch Groot-Brittannië in de negentiende eeuw. Afghanistan bleek voor beide grootmachten onneembaar en werd daarom erkend als een bufferstaat tussen hun zich uitbreidende koloniale grondgebied. De grens tussen Brits-Indië en Afghanistan, die op 12 november 1893 vastgelegd werd door emir Abdur Rahman Khan en sir Henry Mortimer Durand, liep dwars door Pasjtoens gebied, waardoor stammen en families plots doormidden gesneden werden. Om een open opstand te voorkomen besloten de Britten dat een deel van het grensgebied onder hun controle een apart statuut moest krijgen.

Stamrechtspraak en bestuur via de traditionele structuren zoals maliks (stamoudsten) en jirga’s (dorps- of gemeenschapsraden) werd daarin gecombineerd met draconische repressie. Centraal in dit statuut was de Frontier Crimes Regulation (FCR), waardoor het onder andere mogelijk was om hele gemeenschappen te straffen voor de reële of vermoede misdaden van een individu. De door de overheid aangestelde Political Agent kon ook gronden of gebouwen opeisen als hij dat nodig vond. De FCR werd voor het eerst ingevoerd in 1876 en zou van kracht blijven tot eind mei 2018, toen het parlement van Pakistan een grondwetswijziging goedkeurde waardoor de FATA ophielden als afzonderlijke entiteit te bestaan.

Levensgevaarlijke gebieden

In 1947 ontstond de nieuwe staat Pakistan na het vertrek van de Britse kolonisator uit het Indische subcontinent. Opvallend: het aparte statuut van de zeven FATA-districten bleef behouden. Blijkbaar was het voor de nieuwe machthebbers voordelig dat de FATA en hun bewoners grotendeels buiten hun verantwoordelijkheid vielen. Waarom, dat bleek toen eind oktober 1947 een konvooi van zowat driehonderd vrachtwagens vanuit het noordwesten van Pakistan naar Kasjmir trok om de aansluiting van de prinselijke staat Jammu en Kasjmir bij Pakistan te forceren. De namen van de deelnemende groepen: Mehsuds, Mohmands, Wazirs, Katthaks, Afridis. Ook strijders uit Swat en Dir sloten zich aan bij wat de enen omschrijven als een ongeregelde stammenactie, terwijl anderen het zien als een eerste poging van het Pakistaanse leger om een militaire actie uit te besteden aan groepen religieus gemotiveerde gewapende militanten.

Bij de inval van Sovjettroepen in Afghanistan, bieden de FATA bieden de mogelijkheid om de Afghaanse moedjahedien te huisvesten, te trainen en te bevoorraden

Getuigenis
CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)
‘Voor jongeren uit de stammengebieden is er nauwelijks fatsoenlijk onderwijs, omdat we gewoon niet voor volwaardige burgers van Pakistan aangezien worden’
- Maatschappelijk werkster, Magnur Masood

Dertig jaar later, bij de inval van Sovjettroepen in Afghanistan, wordt de hele grensregio in Pakistan opnieuw van geostrategisch belang, maar met name de FATA bieden de mogelijkheid om de Afghaanse moedjahedien te huisvesten, te trainen en te bevoorraden. Pakistan steunde de Afghaanse strijders om greep te krijgen op het altijd vijandige buurland én om de relaties te herstellen met de Verenigde Staten. Saoedi-Arabië, dat miljarden in de jihad investeerde, zag de strijd in Afghanistan als een kans om een soennitisch antwoord te bieden op de aantrekkingskracht van de sjiitische Iraanse revolutie.

De poreuze en door de Afghanen nooit echt erkende grens maakte het guerrillawerk van de moedjahedien makkelijker, terwijl ze wel een reële grens vormde voor de Russische troepen – een tactisch voordeel dat een decennium later tegen de Amerikaanse en NAVO-troepen gebruikt werd door de Taliban en Al Qaeda.

Na de Amerikaans-Britse inval in Afghanistan in 2001 konden Taliban en Al Qaeda schuilen in de FATA. De Taliban omdat ze zich er etnisch en cultureel thuis voelden, Al Qaeda omdat het Pakistaanse leger de Arabische, Oezbeekse, Tsjetsjeense, Oeigoerse en andere militanten er ongemoeid liet. Die Pakistaanse dubbelhartigheid – medewerking aan de War on Terror in Afghanistan, en tegelijk de terroristen vrij spel geven op Pakistaans grondgebied – kon internationaal nog uitgelegd worden door de grote autonomie die het FATA-statuut de districten gaf. Maar al heel snel zou blijken dat dit strategische gegoochel met het koloniale statuut de Pakistaanse staat zélf zou ondermijnen.

En dat begon al meteen in de stammengebieden zelf. ‘Al die door Pakistan, het Westen en de Saoedi’s getrainde militanten kwamen in FATA terecht. Ze gedroegen zich niet als vluchtelingen of tijdelijke gasten, maar als de heersers die ze tot begin oktober 2001 aan de andere kant van de grens waren: ze begonnen belastingen te heffen, namen de rechtspraak over, presenteerden zichzelf als de nieuwe politiemacht en maakten traditioneel bestuur onmogelijk, onder andere door honderden maliks te vermoorden’, zegt Sartaj Aziz, de man die het Comité voor de hervorming van de stammengebieden tussen 2015 en 2018 leidde. Dat comité formuleerde het voorstel om het FATA-statuut af te schaffen en de zeven districten te integreren in de provincie Khyber-Pakhtunkwa, die zoals de naam duidelijk maakt in meerderheid Pasjtoens is.

Zeventien loden jaren

Na oktober 2001 kwamen er wel dertigduizend Al Qaeda- en Talibanstrijders naar de stammengebieden, beweert advocaat, politicus en Pasjtoense éminence grise Latif Afridi. ‘Men zegt dat wij die mannen onthaalden op basis van onze erecode en gastvrijheid, maar in werkelijkheid werd hun komst georganiseerd en opgelegd door de Pakistaanse overheid.’ Nawabzada Fazal Karim Afridi, een vooraanstaande malik uit het stammendistrict Khyber, voegt daaraan toe: ‘De Pakistaanse regering investeerde niet in boeken of pennen, maar zorgde er wel voor dat jongeren in onze districten geweren en militaire training konden krijgen.’

Nawabzada Fazal Karim Afridi: ‘De Pakistaanse regering investeerde niet in boeken of pennen, maar zorgde er wel voor dat jongeren in onze districten geweren en militaire training konden krijgen.’


Getuigenis
Gie Goris
‘In de stammengebieden moesten wij decennia leven zonder de bescherming van een rechtsstaat’
- Politiek activisten, Nida en Zohra

De invloed van Afghaanse en andere strijders was zo groot, dat in december 2007 veertig tribale, fundamentalistische en sektarische milities besloten om samen te gaan werken tegen de Pakistaanse staat, omdat die veel te nauw samenwerkte met de westerse bezetters van Afghanistan. Die Tehrik-e-Taliban Pakistan (TTP) eiste meteen de aanslag op Benazir Bhutto op, veroverde de controle over de districten Swat en Dir – buiten de FATA dus, en op minder dan 100 kilometer van de hoofdstad Islamabad, en voerde het aantal aanslagen op politieke, civiele én militaire doelwitten zo sterk op dat het gemiddelde aantal doden door terrorisme in de jaren 2008-2014 boven de drieduizend per jaar ging pieken.

De bewuste afwezigheid van de staat, een militaire strategie om ruimte te geven aan gewapende militanten die in Afghanistan en Kasjmir het vuile werk voor Pakistan zouden opknappen, resulteerde in een grootschalige terugslag. Niet alleen de samenleving in de stammengebieden werd opgeblazen, de hele staat zelf dreigde ten onder te gaan. Imran Khan, de cricketheld die zich ontpopte als een echte uitdager van het politieke establishment en het deze zomer ook tot nieuwe premier schopte, pleitte tegen de militaire optie om een einde te maken aan het terroristische geweld. Hij had het over “broeders”, niet om het geweld te steunen, maar om duidelijk te maken dat de Pakistaanse overheid haar eigen burgers moest overtuigen in plaats van hen over te leveren aan Amerikaanse drones of ze eigenhandig neer te schieten.

Khan kreeg zijn dialoog toen de door hem verfoeide Nawaz Sharif en zijn Pakistan Muslim League de verkiezingen in 2013 won. De Pakistaanse Taliban vroegen Imran Khan zelfs om hen in die dialoog te vertegenwoordigen, maar daar bedankte de politicus voor. Een slecht voorbereide regering liet de communicatie en de agenda van de dialoog over aan een goed georganiseerde Talibanbeweging, maar die overspeelde haar hand door aanslagen op strategische of heel emotioneel geladen doelwitten – respectievelijk de luchthaven van Karachi en de middelbare school in Peshawar. Daardoor kwam het leger dan toch, eindelijk, in actie.

Lees ook

‘De Pasjtoenen waren nooit het militaire ras dat de Britten ervan maakten. De rekrutering in het koloniale leger leidde tot een militarisering van onze cultuur. Maar we waren sterk. We hadden onze taal, we hadden een geschiedenis, we hadden onze culturele waarden en normen – de pasjtoenwali –, we hadden onze eer.’
dr. Nasrullah Jan Wazir, directeur Pashto Academy

‘Wij werden het slachtoffer van onze geografie’, zegt Syed Akhtar Ali Shah, die gedurende jaren topfuncties bekleedde in de politiediensten in Khyber Pakhtunkwa, onder andere in Swat toen de Taliban daar de macht overnamen. Hij verwijst niet naar een vermeende impact van de ruwe berglandschappen op de stamcultuur, maar naar een universele waarheid die in FATA heel concreet en verwoestend was: ‘De machtigen streven altijd hun belangen na, de mensen betalen de rekening. In dit geval waren die mensen de Pasjtoense inwoners van de stammengebieden.’

Onvoltooid verleden tijd

‘Bij militaire operaties is er altijd randschade’, zegt Azam Khan, minister van Binnenlandse Zaken in de interimregering van deze zomer. ‘Huizen worden beschadigd, boerderijen en bedrijven vernietigd, burgers gewond, gedood of verdreven.’ Azam Khan zegt dat niet cynisch of achteloos, maar bezorgd. Toch klinkt die collateral damage bij hem draaglijker dan wanneer Sartaj Aziz zegt dat ‘Miranshah, de hoofdstad van Noord-Waziristan, na de militaire campagne eruitzag als Berlijn na de bombardementen’.

‘Een gebombardeerde boerderij is een verwoest leven’, zegt Nawid Mehsud kwaad. Deze tweedejaars rechtenstudent in Peshawar is afkomstig uit Zuid-Waziristan, was voordien officier in het leger en is nu als vrijwilliger actief in de Pashtu Tahafuz Movement, de Pasjtoense Beschermingsbeweging. Die PTM heeft het opgekropte ongenoegen onder Pasjtoenen sinds begin dit jaar erg succesvol gemobiliseerd, ondanks de repressie en de beschuldigingen van buitenlandse inmenging (lees: Indiase steun). Dat ongenoegen, zegt Nawid Mehsud, richt zich tegen de Taliban en Al Qaeda, maar ook tegen het leger, dat eerst steun gaf aan die bewegingen en hen vervolgens met de inzet van zwaar materieel kwam bestrijden, waardoor honderdduizenden mensen moesten vluchten en bijlange niet iedereen kan terugkeren. ‘De Taliban vernietigden het stammensysteem. Het leger dynamiteerde de afzondering en de autonomie. Daardoor was iedereen klaar om het koloniale FATA-statuut af te schaffen en de FATA te laten opgaan in Khyber Pakhtunkwa’, zegt Latif Afridi, advocaat en als Pasjtoense éminence grise ook bemiddelaar voor de PTM. ‘Zonder staat is het leven vluchtig, zonder zin. Maar die staat mag ook niet alleen aanwezig zijn als een bezettingsmacht die mensen op elke straathoek van hun eigen dorp ruw controleert. De vraag van de PTM en van alle inwoners van de stammengebieden is simpel: gelijke rechten voor allen, degelijk onderwijs en goede gezondheidszorg in eigen regio, rechtszekerheid, een overheid die ons behandelt als burgers in plaats van als lastdieren of kanonnenvoer.’ Of zoals dr. Wazir van de Pashto Academy het bondig samenvatte: ‘Wij zijn geen barbaren, wij zijn burgers.’

Lees ook

‘De Pasjtoense beweging is niet identitair of nationalistisch. Ze is anti oorlog, anti terrorisme en anti overheidsrepressie.’
- Ismat Shahjahan, radicaal links activiste

Latif Afridi: ‘Zonder staat is het leven vluchtig, zonder zin. Maar die staat mag ook niet alleen aanwezig zijn als een bezettingsmacht die mensen op elke straathoek van hun eigen dorp ruw controleert.’

De druk van de Pasjtoense bevolking viel op het juiste moment samen met de vaststelling in militaire kringen dat echte controle over het hele grondgebied nodig is én met de politieke rekenkunde vlak voor de verkiezingen van 25 juli. Daardoor werd het werk van het comité onder Sartaj Aziz niet begraven in een archiefkast, zoals dat bij zijn voorgangers wel ging, maar resulteerde het in de historische stemming van eind mei in de Pakistaanse Kamer en Senaat en in het provinciaal parlement van Khyber Pakhtunkwa. De discriminerende koloniale wetten en bestuursvorm werden afgeschaft, en een tienjarenplan voor de ontwikkeling van de zeven agencies, die voortaan districten heten, werd aangekondigd. Daarvoor moet 700 miljoen euro gevonden worden, en dat zal niet eenvoudig zijn. Ook administratief, juridisch en politioneel moet de regio moet nog op poten gezet worden. De huidige interim-regeling zet het verleden wel tussen haakjes, maar laat de toekomst nog niet echt beginnen.

‘Veroveraars uit Europa of Centraal-Azië bereikten vroeger de vruchtbare Indusvallei via de barre en moeilijke Khyberpas. Vandaag zijn de inwoners van de stammengebieden zelf aan het einde van een moeizame en lange tocht door een vijandige geschiedenis, maar ze kijken uit op de groene vallei van de toekomst’, zegt Sartaj Aziz. Het is te hopen dat ze er langer van kunnen genieten dan Alexander de Grote.

Dit artikel werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur