Waarom de zwarte taxibendes in Brussel ongemoeid worden gelaten

Nagenoeg volkomen naast de overige transportmogelijkheden heen, bestaat er in Brussel een illegaal lange-afstandstaxicircuit dat zo goed als integraal draait op een zwarte clientèle én chauffeurspool. Stefaan Anrys reed mee voor MO*. Jeroen Janssen illustreerde de reportage.

  • © Jeroen Janssen © Jeroen Janssen
  • © Jeroen Janssen © Jeroen Janssen
  • © Jeroen Janssen © Jeroen Janssen
  • © Jeroen Janssen © Jeroen Janssen
  • © Jeroen Janssen © Jeroen Janssen
  • © Jeroen Janssen © Jeroen Janssen

Er lijkt een strafblad op hun kortgeschoren kop geprikt. Of zit er een tussen mijn oren? Achter aan het Zuidstation in Brussel, in en rond de Engelandstraat, staan ze. Uit de kluiten gewassen hangjongeren van Afrikaanse origine, maar dan ouder én robuuster. Sommigen strak in het pak. Anderen gaan gekleed in een loszittend jack, geborduurd met emblemen als “Noteworthy” of een pak friet. Eén man heeft een hoodie over zijn kortgeschoren kop getrokken. Overal zie ik sleutelbossen dansen in handpalmen of bungelen aan een sleutelkoord om vaak indrukwekkende speknekken.

Deze mannen – want vrouwen zie ik nooit – doen aan carpooling over lange afstanden: een eufemisme voor illegale taxi’s. Met hun eigen auto’s pikken ze aan het Zuidstation klanten op die ze van en naar Parijs of Keulen brengen. Hun handel is vergelijkbaar met die van Über, zij het dat hoofdzakelijk zwarte chauffeurs een grotendeels Afrikaanse – vooral Congolese – clientèle bedienen. Met hun lange ritten komen ze niet in het vaarwater van de Belgische taxibedrijven en dus worden ze min of meer ongemoeid gelaten.

Op onze redactie doen de wildste geruchten de ronde. Deze zwarte taxibusiness zou in handen zijn van Congolese stadsbendes.

Er komt soms internet aan te pas, maar vaak ook niet. Klanten worden geronseld via mond-tot-mondreclame of op straat. Pendelaars die de Engelandstraat gebruiken om van en naar hun werk in Brussel te lopen, moeten zich tijdens het spitstuur soms tussen de luidruchtig gesticulerende mannen door wurmen die bijwijlen de hele stoep innemen. Ik hoed mij er telkens voor om ze per ongeluk, met schouder of tas, aan te stoten. We kijken elkaar zelden in de ogen.

Op onze redactie doen de wildste geruchten de ronde. Deze zwarte taxibusiness zou in handen zijn van Congolese stadsbendes. Wie zich de groepsverkrachtingen van de Black Wolves of Black Demolition herinnert, weet dat er niet te sollen valt met die gasten. De collega’s zijn enthousiast over het idee om hierover een stuk te schrijven – het systeem van de taxi brousse in hartje Brussel! – maar wat zal er gebeuren met de chauffeurs, denken we, als we hierover schrijven? Wat als er tussen die chauffeurs mannen zitten die geen kans meer maken op de reguliere arbeidsmarkt? Ik besluit uiterst voorzichtig te werk te gaan en ga undercover bij Veronica.

Een felle Veronica

Haar kapsel is wilder dan gisteren. Onstuimiger. Ze heeft een vilten hoedje op. En haar lippen zijn dieprood aangezet. Ze lijkt gecharmeerd als ik het opmerk. Veronica is de uitbaatster van het stamcafé van de Brusselse co-voituriers. Ik mag mezelf onderhand een stamgast noemen. Elke week loop ik er langs. ‘Ik ben door mijn chocoladekoeken heen,’ verontschuldigt ze zich, ‘maar ik heb wel nog brioches met kaas.’

© Jeroen Janssen

In een stekkerblok tegen de muur hebben chauffeurs hun gsm-laders ingeplugd. Passagiers die wachten op een nakend vertrek, nippen zwijgend van hun thee, chocomelk, koffie. ‘Patron, deux croissants!’ roept een man achter in de bar, duidelijk een habitué, gewend op zijn wenken bediend te worden. Hij schuift zijn zonnebril van voorhoofd naar neusbeen en terug. Buiten regent het. De dag is grijs.

Tu viens voler notre argent, toi? Tu n’as pas de réservations. Tu ne rouleras pas! Drie chauffeurs maken ruzie over wie (het eerst) mag rijden. De gemoederen lopen hoog op, met veel handgebaar, maar bijna nooit, en ook nu niet, loopt een twist in dit café uit op een handgemeen.

‘Ooit al een mail gekregen van de internationale gemeenschap? Je kijkt niet verder dan je neus lang is. Hier moet je kijken, waar het vuil is!’

Een stamgast die naar eigen zeggen ooit bodyguard was van Mobutu is verwikkeld in een politieke discussie met een diepgelovige Fransman. ‘Leer ze mij kennen, jouw politici. De internationale gemeenschap?!’ hoont hij. ‘Criminelen in kostuum! Ooit al een mail gekregen van de internationale gemeenschap? Ken jij het adres? Een nummer waarop ik ze kan bellen? Je kijkt niet verder dan je neus lang is. Hier moet je kijken, waar het vuil is!’ En hij timmert met zijn dikke wijsvinger onder aan Veronica’s toonbank.

Rapmuziek stampt uit de speakers terwijl op flatscreens Euronews te zien is. De ontvangst is slecht, maar tussen de haperende flitsen en scheuren door ontwaar ik Syrië in puin.

Een obese vrouw die wacht op een chauffeur die ze niet kent, vraagt of ze het toilet mag gebruiken, zonder te consumeren. Ze moet 20 eurocent betalen. Zichtbaar ontevreden zoekt ze naar muntjes in een met nepgoud beklede handtas. Ze zit wijdbeens op een barkruk, in een beige legging die weinig aan de verbeelding overlaat.

Maffiosi

Nadat ik sloten koffie heb geslurpt, durf ik de stap te wagen en ga op de hoek van de Engelandstraat staan. Opzichtig kijk ik in het rond en na amper enkele seconden roept een man aan de overkant mij toe: “Parijs?” Ik knik, en met mijn kartonnen koffiebeker in de hand, loop ik het zebrapad over. Traag, want ik wil vooral niet gretig overkomen. ‘Je bent toch geen journalist of flic, hè?’ vraagt hij wantrouwig. ‘Wij krijgen niet veel blanke klanten.’ ‘Ik wil naar Parijs’, wuif ik zijn opmerking weg, wat niet helemaal gelogen is. In Parijs heb ik intussen afgesproken met een goede vriendin uit de Centraal-Afrikaanse Republiek. Ik neem me voor mijn identiteit te onthullen zodra we Brussel uit zijn.

De man laat me voorin plaatsnemen en verzekert me dat zijn groene Citroën binnen het halfuur vol zit. Hij zal me afzetten bij Porte de la Chapelle: de vaste eindbestemming in Parijs. Als het verkeer meezit, ben ik tweeëneenhalf uur onderweg, wat me bijzonder kort lijkt. Dan moet deze chauffeur wel erg hard rijden, bedenk ik ongerust.

Intussen sjouwen zwarten met bagage. Het blijken niet mijn medepassagiers maar kruiers. Ook de rabatteurs, die klanten ronselen, krijgen een schamele vergoeding van de chauffeurs. Helaas zullen zij dat geld deels moeten afdragen aan hun “chef”. Achter in de auto is het intussen erg krap geworden. Ik prijs me gelukkig dat ik de eerste klant was en naast de chauffeur mag zitten. Als we Brussel verlaten, tel ik zeven passagiers. Stiekem sms ik de nummerplaat van de auto naar mijn ex-vrouw, mijn baas en de vriendin die me in Parijs verwacht. Kunnen ze mijn stoffelijke resten terugvinden, als er mij iets overkomt.

© Jeroen Janssen

Op gsm-conversaties en wat sporadische korte gesprekjes over beenruimte na blijft het stil in de Citroën. Pas nadat le blanc meer prijsgeeft over zijn beweegredenen, komen de tongen los. Onze chauffeur heet Bureima en is vader van vijf kinderen: drie dochters en twee zonen. Twee dochters studeren rechten in Brussel, waar hij woont. Zelf speelde hij ooit in het voetbalteam van Guinee, zijn land van herkomst. Na een baan in een vleesverwerkend bedrijf en een freelance opdracht als tolk voor Ivoriaanse asielzoekers – ‘ik spreek onder meer Bambara’ – komt hij tegenwoordig aan de kost als carpooler.

‘Jullie zijn eigenlijk maffiosi’, lacht een Congolees die naar eigen zeggen pas geland is uit Kinshasa. ‘Als je bedoelt dat wij geen cent betalen aan de Belgische staat, dan moet ik je gelijk geven’, antwoordt de chauffeur onverstoord, en hij vertrouwt mij de taak toe om de afgesproken 30 euro op te halen. Zoveel kost een enkeltje Parijs per persoon. Dat is een paar euro’s meer dan Eurolines, reken ik uit. ‘Maar die bussen lassen meer stops in’, zegt mijn chauffeur, ‘en zijn lang niet zo snel.’ De Thalys had me last minute 70 euro meer gekost. Dus dit is de unique selling proposition van de zwarte taxista’s. Een snelle rit en zonder reservering. ‘Als je morgen met mij terug wilt uit Parijs, hoef je maar te bellen’, zegt de chauffeur. ‘Er is altijd wel iemand die rijdt, zelfs tot één uur ’s nachts.’

Een pistool tegen je hoofd

‘Toen ik in Brussel wilde beginnen, merkte ik dat chauffeurs die naar Parijs en terug reden alles zwart deden. Ze pikten passagiers op bij Brussel-Zuid en weg waren ze. Ik daarentegen had bij mijn gemeente een licentie aangevraagd.’

Tope, een Nigeriaan met Nederlandse nationaliteit, is de eerste die zo openlijk over de zwarte taxisector wil praten. In feite heeft hij me gevraagd om zijn verhaal te schrijven, vooral omdat hij zich slachtoffer voelt. We hebben afgesproken in een Marokkaans restaurant op het Sint-Gillis-voorplein. De man praat honderduit. Er valt geen woord tussen te krijgen.

© Jeroen Janssen

‘Ooit was ik een succesvolle ondernemer in Nederland. Ik begon een uitzendkantoor en in 1996 was ik de eerste Afrikaan in Nederland die zoveel personeel uitstuurde. Op mijn top gaf ik liefst driehonderd mensen werk. Ik kreeg ministers over de vloer en lovende pers. Elk jaar kreeg ik de nodige clearance van de Nederlandse fiscus, maar plots komen ze aanzetten met een boete van 140.000 euro. Ik ging in het verweer en ze hebben de zaak jaren laten slepen, zodat ik failliet ging. Uiteindelijk gaf de rechter mij gelijk, maar ik wacht nog altijd op een schadevergoeding. Na omzwervingen via Canada ben ik terechtgekomen in Brussel, waar ik een eenmansbedrijfje heb opgericht. Ondernemen zit in mijn bloed. Uitkeringen, daar doe ik niet aan.’

Al twee jaar hangt Tope rond in de Engelandstraat. Hij doorbreekt het beeld van verpauperde migranten die elkaar willen helpen. ‘Enkele bendes in Brussel en enkele groepen in Parijs bestieren de boel. De chefs bepalen welke jongens mogen rijden. Wie zijn auto wil inzetten, moet betalen. Brussel-Zuid, het station en de omgeving, was hun terrein, kreeg ik te horen toen ik er klanten wilde oppikken. Ik moest opkrassen. Ze hebben mij bedreigd met een pistool. Ik deed aangifte bij de politie.

‘In Parijs werd ik opgewacht door zeven man. Opnieuw ben ik in elkaar geslagen. Mijn schouder doet nog altijd pijn. Maar ik geef het niet op, al pik ik mijn klanten nu elders op.’

‘Hoe weet dat je het een echt pistool was en geen van plastic? vroegen ze mij. Meenden ze dat nu? Alsof ik onder bedreiging met een vuurwapen eventjes ging vragen of ik eens mocht voelen!? Ik ging toch terug, tot ik door drie mannen in elkaar geslagen werd. De dokter die me onderzocht, raadde me aan twaalf dagen thuis te blijven. Een andere keer hadden ze overlegd met hun Franse collega’s. In Parijs werd ik opgewacht door zeven man. Opnieuw ben ik in elkaar geslagen. Mijn schouder doet nog altijd pijn. Maar ik geef het niet op, al pik ik mijn klanten nu elders op. En ik geef regelmatig informatie door aan de politie. Op een dag heb ik de politie van Sint-Gillis een foto getoond waarop twee wagens te zien zijn met krek dezelfde nummerplaat. Een duidelijker bewijs van fraude kan je toch niet hebben. “Wij kunnen niets doen”, was het antwoord. Er zijn wel raids geweest, maar ze komen altijd terug.’

Honderd chauffeurs

‘Ach, Tope’, lacht Youssef gemoedelijk wanneer ik hem diens verhaal vertel. Youssef is een handelaar uit de buurt en is bereid mij te woord te staan. Hij kent de business door en door.

‘Wie in de Engelandstraat aankomt met een air van jullie kunnen me wat, krijgt het moeilijk.’ Youssef staat op en tracht met een grijns op het gezicht de ballerige stap van Ike te imiteren. ‘Een nieuweling die freelance wil opereren, wordt geïntimideerd, of hij moet betalen en wordt dan discreet gedoogd. Dat is toch normaal? Met ongeveer honderd chauffeurs in Brussel voor een al bij al beperkte markt heb je enige organisatie nodig.’

In het begin heeft Youssef ze daarbij geholpen. ‘Ik hing lijstjes op in mijn zaak, waarop iedere chauffeur zijn naam kon noteren bij de uren waarop hij wilde rijden.’ Vandaag hebben de chauffeurs zelf de organisatie in handen, zegt hij. ‘Er zijn drie groepen die vanuit Brussel opereren. Drie vanuit Parijs. Elke groep heeft gemiddeld dertig chauffeurs en krijgt een bepaalde dag toegewezen. Om in een groep te worden toegelaten, moet je uitgenodigd worden. En heel wat euro’s betalen. Sommige groepen zijn etnisch gemengd, maar de Congolezen hebben sowieso het overwicht, net als bij de klanten trouwens. En elke groep heeft zijn chef.’

Van ’s ochtends tot drie uur ’s middags rijden de Belgische carpoolers naar Parijs en tegelijkertijd vertrekken er Fransen met klanten uit Porte de la Chapelle naar Brussel. Na drieën mogen in Brussel alleen nog Parijzenaars klanten oppikken en in Parijs vertrekken dan de Belgen die naar Brussel terug willen. Zo is iedereen ’s avonds weer thuis. Wordt die regel niet gerespecteerd, dan bellen de groepsleden met elkaar en wordt iedereen verhinderd om klanten op te pikken. ‘Parijs en Brussel hebben elkaar in de tang.’

Er zijn naar verluidt ook een of twee opperchefs in Brussel, maar die zijn volgens Youssef ‘zo paranoïde als de pest, dus daar kun je beter niet mee afspreken’

Ik verneem dat de Kameroeners hun groepsleider democratisch verkozen hebben, maar dat bij de zuiver Congolese groep ene Luc zich – na een reeks coups – met geweld heeft opgedrongen. ‘Iedereen weet dat hij gesteund wordt door mensen buiten de taxibusiness, door gasten die voor weinig terugschrikken, en dat is blijkbaar voldoende.’

Er zijn naar verluidt ook een of twee opperchefs in Brussel, maar die zijn volgens Youssef ‘zo paranoïde als de pest, dus daar kun je beter niet mee afspreken’. Beide heren zijn in het verleden al voor de rechter verschenen. Blijkbaar gaat minstens één van hen ongestoord door.

‘De chauffeurs weten dat de politie hen in het oog houdt, dus ze hoeden zich meer dan ooit voor inbreuken. Ze zijn meestal in orde met verzekeringen en technische controles, want anders moeten ze hun auto bij de politie gaan ophalen of een nieuwe aanschaffen. Doordat ze aan zogenaamde carpooling doen, is het moeilijk ze te betrappen op een inbreuk. Zowel chauffeurs als klanten zullen bij controle beweren dat ze niets fout doen. Ze zijn gewoon familie of vrienden, samen op weg.’

Gescheiden werelden

Kort na de aanslagen van 22 maart zit ik opnieuw bij Veronica. Voor het IBIS-hotel zie ik een Unimog-vrachtwagen van het Belgische leger. Zwaarbewapende militairen trekken de wacht op. Ook politiebusjes razen door de straat, maar niemand legt “mijn” chauffeurs een strobreed in de weg.

Het is stil in het café, maar in mijn hoofd blijft het malen. Ik verbaas mij erover dat twee aparte werelden schijnbaar harmonieus naast elkaar bestaan, zonder elkaar te kennen of te raken. Zelden zie ik een zwarte taxichauffeur op een blanke klant toestappen, tenzij die zelf aanstalten maakt. Het is alsof er een glazen wand tussen ons en hen in staat.

Eén van de ambtenaren die meehielp aan het onderzoek, gewaagt van een heuse “maffia”.

Nog nooit heb ik het zo moeilijk gevonden om een artikel te publiceren. Wat moet ik over ze denken? Op het IBIS-hotel na, lijken omwonenden en passanten niet al teveel hinder te ondervinden. Ook passagiers klagen niet. Navraag bij de gemeente Sint-Gillis leert echter dat er al jaren een grootschalig gerechtelijk onderzoek loopt, geleid door onderzoeksrechter Michel Claise. Eén van de ambtenaren die meehielp aan het onderzoek, gewaagt van een heuse “maffia”, die chauffeurs dwingt hun eigen wagens in te zetten en niettemin met de helft van de omzet gaat lopen. ‘Het is één grote pyramide die vanuit Brussel wordt bestierd’. De man wikt zijn woorden, maar raadt me af nog mee te rijden. ‘Sommige wagens zijn technisch niet in orde, rijden met valse nummerplaat en zijn sowieso niet verzekerd, bij een ongeval.’

Onderzoeksrechter Claise zou het dossier rond hebben en er hangen minstens twintig aanklachten in de lucht. Maar wil ik wel dat het gerecht deze mensen straks een halt toeroept? Mogen we van oude zwarte chauffeurs verwachten dat ze een dure opleiding gaan volgen om zich te regulariseren, terwijl Über-chauffeurs dat evenmin doen?

Ik sta op van mijn kruk en spreek een 63-jarige Congolees aan die mistroostig uit het raam staart. ‘Co-voiturage is alles waarvoor ik in aanmerking kom, maar het zit niet mee. De groep van George rijdt vandaag. Ik ken hem een beetje en ook al heeft hij me nooit uitgenodigd voor zijn groep, toch mag ik af en toe rijden als hij klanten over heeft. Ik vrees dat er geen zullen zijn en het is bijna drie uur.’

Misschien ligt het aan de regen? En ik wijs naar de beparelde ramen. ‘Nee, dat is het niet. Terwijl wij sliepen, zijn anderen wakker gebleven. De concurrentie wordt almaar harder. Via BlaBlaCar kan iedereen voor 17 euro een auto reserveren en zelfs Thalys heeft een goedkope sneltrein van en naar Parijs. Op blanke klanten hoef ik ook al niet te hopen. Die zijn bang van ons en nemen liever trein of bus.’ En hij kijkt me plots strak aan, tot ik er ongemakkelijk bij word.

Alle eigennamen in dit artikel zijn veranderd, om de privacy en veiligheid van de betrokkenen te garanderen.

Op woensdag 8 juni organiseert MO* een niet te missen gespreksavond over zwartwerk in Europa. Zorg dat je erbij bent.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur