Meer dan slachtoffer of dader

Vrouwen in het Colombiaanse conflict: ‘Wanneer je de pijn van de ander voelt, ben je niet meer geschikt voor de oorlog’

© Frauke Decoodt

Yolandi kijkt naar een foto van zichzelf als guerrillera

‘In 1985 ontvoerde de guerrilla me vier maanden. Drie jaar later, toen het leger, vergezeld door Amerikaanse soldaten, de vrouwen uit ons dorp massaal verkrachtte, kon ik gelukkig ontkomen. Ik en mijn baby kregen wel een bijtend gif over ons heen waarmee men coca verdelgt.’ Dit is nog maar het begin van Maria’s verhaal. Een peulschil vergeleken met wat ze erna zou meemaken.

Het verhaal van de 59-jarige Maria Bañol speelt zich af in een verscheurd land. Vanaf 1959 vochten in Colombia verschillende guerrillabewegingen vooral tegen de staat. Toen door grootgrondbezitters gesteunde paramilitairen zich midden jaren tachtig in het conflict mengden, kreeg het geweld een nieuwe dimensie van gruwelijkheid. Gevoed door de uiterst lucratieve drugshandel bleek het conflict eindeloos. Hoewel er nog steeds diverse gewapende actoren actief zijn, waren de vredesakkoorden in 2016 tussen de toenmalige regering-Santos en de guerrillabeweging FARC voor vele Colombianen een verademing. De grootste slachtoffers van de oorlog waren namelijk burgers.

Het geweld tegen vrouwen was geen toeval maar een bewuste strategie.

Het geweld trof vrouwen vaak op andere wijze, precies omdat ze vrouwen waren. Hun gemarginaliseerde positie maakte hen kwetsbaarder voor geweld en discriminatie. Was je als vrouw bovendien arm, inheems en woonde je niet in de stad, dan vergrootte je kans op een extra portie geweld. Daarbij belichamen vrouwen ook in Colombia het sociale en familiale weefsel. Het geweld tegen vrouwen was daarom geen toeval maar een bewuste strategie.

Verkrachting als wapen

Het geweld trof Maria Bañol bijzonder hard. Het eerste deel van haar relaas vertelt ze in het huis van een vriendin. Ze heeft zich mooi opgedoft in kleren die ze zelf heeft gemaakt. Tegenwoordig is ze naaister. Het tweede deel vertelt ze de dag erna aan haar naaitafel in haar kleine huisje in de provincie Caquetá. Een gebied waar het oerwoud en de strategische smokkelroutes beginnen, en de guerrilla, het leger en de paramilitairen vele levens verwoestten. Zoals toen de guerrilla eind 1997 Bañols oudste zoon ontvoerde. Zij smeekte de commandanten haar zoon vrij te laten, maar ze heeft hem nooit meer teruggezien. Nog steeds hoopt ze dat hij nog leeft.

‘De verdwijning maakte me zo bitter. De guerrilla waarschuwde me dat ik niet langer kon blijven. Er zat niets anders op dan naar Florencia (de provinciehoofdstad) te verhuizen, al mijn spullen en het land waar ik zo van hield achter te laten.’ Haar man had ze voordien al achtergelaten, ze had er genoeg van huisvrouwtje te spelen. En zo werd Bañol een van de meer dan zeven miljoen ontheemden in Colombia.

Ze werkte hard om haar zeven kinderen en het kind van haar verdwenen zoon te onderhouden, maar gaf de zoektocht naar Johon nooit op. Ze begon een relatie met iemand uit de guerrilla in de hoop zo iets over haar zoon te weten te komen. Algauw werd die guerrillero de liefde van haar leven.

Bañol stopt even met vertellen. Ze haalt diep adem. ‘In 2005 krijg ik bericht van de guerrilla dat ik moet komen, dat ze me mijn zoon zullen teruggeven. Welke moeder zou niet gaan? Na vijftien uur reizen wacht een guerrillero me op en brengt me naar een afgelegen hutje. Ik wacht vol spanning. In plaats van me mijn zoon te brengen, beveelt de man mij me uit te kleden, en verkrachten hij en zes andere guerrillero’s me.’

Anders dan bij de voorgaande incidenten vertelt Bañol in detail wat toen gebeurde. Tien jaar lang zweeg ze echter, uit schaamte en schuldgevoel. ‘Achteraf kwam ik te weten dat ze me verkrachtten om af te rekenen met mijn toenmalige partner, de guerrillero. Ze gebruikten mijn lichaam als oorlogswapen.’

© Frauke Decoodt

Grafitti in Florencia tegen het lastigvallen van vrouwen

‘Wat ik nu doe maakt me gelukkig. Ik voel me geen slachtoffer, ik ben sterk en weerbaar.’

Zoals Maria Bañol zijn er velen. Verkracht vanwege een afrekening en machtsvertoon onder mannen, verkracht om te terroriseren en te domineren. Net als zij zwegen vele vrouwen, uit schaamte en pijn. Nog minder dienden een klacht in. Maar sinds de vredesonderhandelingen begonnen enkele vrouwen te spreken. Slachtofferbewegingen schrikken van de omvang, te meer omdat ze ervan uitgaan dat de meeste vrouwen blijven zwijgen. Maar gezien de omvang wordt er relatief weinig onderzoek verricht naar de specifieke manieren waarop juist vrouwen slachtoffer werden. Wat nog minder aan bod komt zijn de verhalen die laten zien dat vrouwen veel meer zijn dan alleen slachtoffer.

Na haar verkrachting zonk Bañol weg in een diepe depressie en leed ze aan PTSS-aandoeningen. In 2011 voorspelden de artsen dat ze zou sterven. ‘Ik wilde meer dan alleen moeder en echtgenote geweest zijn.’ Ze herstelde en engageerde zich in slachtoffer- en vrouwenbewegingen. Ze begon te vertellen wat haar overkomen was. Haar verhaal spoorde andere vrouwen aan te spreken. ‘Wat ik nu doe maakt me gelukkig. Ik voel me geen slachtoffer, ik ben sterk en weerbaar.’

Verliefd op een paramilitair

Andere vrouwen zijn meer dan alleen slachtoffer omdat de oorlog van hen ook een dader maakte. De 35-jarige Saskia, een schuilnaam, vertelt haar verhaal in de tropische universiteitstuin van Florencia. Zo kunnen haar kinderen haar niet horen. Wanneer iemand passeert zwijgt ze.

‘Alles begon in 2003 omdat een professor me verkrachtte. Ik wilde wraak. Ik werkte toen in de gevangenis en leerde daar enkele paramilitairen kennen. Algauw werd ik hun vertrouwenspersoon en werd ik verliefd op een commandant. Ik deed klusjes voor hen. Veel te laat besefte ik dat ik hen hielp met afpersingen.’ Saskia hoorde wel de geruchten over de gruwelen die paramilitairen begingen, en soms schepten ze op over hun moorden. ‘Allemaal op guerrillero’s, volgens hen.’ Saskia stelde er zich niet veel vragen bij want ook zij haatte de guerrilla. Die had haar favoriete oom vermoord. Bovendien hoorde ze thuis en in de media ook niets anders dan negatieve verhalen over hen.

De FARC telde meer dan dertig procent vrouwen.

Toen Saskia’s vriend midden 2005 vrijkwam, kregen ze een dochter en veranderde haar verhaal in een nachtmerrie. Rivaliserende paramilitairen die streden om de controle over de drugshandel ontvoerden haar tweemaal met baby en vriend. Nog andere paramilitairen begonnen haar af te persen en toen Saskia’s vriend besefte dat ze genoeg van hem had, begon ook hij haar te bedreigen en te terroriseren. Ze was doodsbang, vluchtte weg, opnieuw zwanger. Hoewel haar ex-vriend eind 2005 verongelukte, vreest ze dat hij nog leeft. Nog steeds is ze bang dat hij of anderen haar weten te vinden. ‘Ik weet te veel, en ik veranderde van kant.’

‘In 2014 hervatte ik mijn studie en begon me te engageren in sociale bewegingen. Zo veranderde ik van een handlanger van de paramilitairen in een voorvechter van het vredesproces.’ Pas toen ze de verhalen van de slachtoffers hoorde en een foltercentrum van de paramilitairen bezocht, begon Saskia te beseffen dat ze behalve slachtoffer ook dader was in dit conflict. ‘Ik had me nooit met die lui moeten inlaten.’ Toch is het niet spijt wat Saskia drijft, maar de overtuiging ‘dat het mogelijk is wonden te helen’.

Ook vrouwen vechten

Soms dwong de oorlog vrouwen zoals Saskia die schemerzone tussen dader en slachtoffer te betreden. Andere vrouwen kozen echter zelf voor de oorlog. De FARC telde meer dan dertig procent vrouwen.

Na het vredesakkoord hervormde de FARC zich tot een partij en vestigden de ontwapende strijders zich in integratiekampen, zoals Aguasbonitas in Caquetá. De regering bouwde er kazerneachtige woningen uit asbestplaten. De ex-strijders maakten er in nauwelijks twee jaar, met buitenlandse financiële steun en hun communistische overtuiging, een gezellige en relatief zelfvoorzienende boel van.

Niet alle vrouwen hier zijn ex-strijdsters. Maar Esperanza, Betsy en Yolandi wel.

De 47-jarige Esperanza was vijftien toen ze de wapens opnam. Ze was lid van de communistische partij, die toen systematisch uitgemoord werd door paramilitairen. ‘Het was kiezen tussen vermoord worden of vechten.’ Yolandi, nu 36, was twaalf toen ze meeging met de guerrilla. De paramilitairen vermoordden haar ouders en ze bleef alleen achter. Bij Betsy was armoede de reden. Het leger vermoordde haar vader toen ze dertien was. Haar moeder kon haar gezin niet meer onderhouden. Toen Betsy bijna vijftien was, in 1994, koos ze voor de wapens.

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, mag je gratis naar al onze events en kan je in dialoog gaan met onze journalisten. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

Allen spreken ze over geweld gebruiken alsof dat alleen gebeurde in confrontaties met het leger en paramilitairen. ‘Je mag niet twijfelen, niet aan de ander denken’, antwoordt Betsy terwijl ze haar neus snuit en zo haar net gelakte nagels om zeep helpt. ‘Je moet vertrouwen op je training.’ Esperanza zegt dat ze het er nooit echt moeilijk mee had om geweld te gebruiken. ‘We leren dat onze gewapende strijd politiek is, dat we strijden tegen de staat en voor het volk, en dat we daarvoor moeten doen wat nodig is.’

‘Men legde ons uit waarom zwanger zijn niet mogelijk was. Elke maand kregen we een inspuiting.’

Tijdens de oorlog maakte scholing deel uit van elke dag. Behalve de noodzaak van de gewapende strijd leerden ze ook de FARC-regels over vrouwen in de guerrilla. ‘Iedereen was gelijk, we voerden allemaal dezelfde taken uit. Mannen kookten en wasten net als vrouwen, wij droegen hetzelfde gewicht en vochten even hard.’ Betsy, die leiding had over 25 mensen, erkent dat de positie van de vrouw binnen de FARC evolueerde in hun bijna vijf decennia lange bestaan. De drie vrouwen lijken vrouwenrechten echter vooral te beperken tot gelijkheid tussen man en vrouw.

De openhartige Yolandi geeft een beeld van de praktijk dat complexer is dan het reglement. Over seksuele en reproductieve rechten bijvoorbeeld. ‘Men legde ons uit waarom zwanger zijn niet mogelijk was. Elke maand kregen we een inspuiting.’ De overtuiging en voorbehoedsmiddelen hielpen echter niet altijd, en de enige optie was dan abortus. ‘Ikzelf moest ook viermaal een abortus ondergaan. Dat deed ik zo vlug mogelijk, anders wordt het psychologisch moeilijk. Sommigen lieten er veel langer overheen gaan voor ze inzagen dat het niet anders kon. Enkelen besloten te vluchten.’ Gevaarlijk, want op desertie stond de doodstraf.

De guerrilla emancipeert

Ondanks de tekortkomingen betekende de FARC voor vele vrouwen een uitweg uit een patriarchale samenleving. De drie vrouwen zijn de FARC dankbaar voor de kansen die ze er kregen. ‘Anders was ik nu waarschijnlijk een arme vrouw die leefde om haar tien kinderen en man te dienen’, bedenkt Esperanza.

De scholing en ervaring bij de guerrilla heeft van hen alle drie mondige zelfverzekerde vrouwen gemaakt. Zowel Esperanza als Betsy heeft een leidinggevende functie in de gemeenschap. Betsy neemt die functie ook thuis op, net als koken en schoonmaken. Haar zwijgzame vriend helpt zonder morren. Yolandi is dolgelukkig met de vader van haar pasgeboren kind. ‘Vanochtend bijvoorbeeld bood hij me aan op de baby te letten terwijl ik in de winkel werk. Ondertussen doet hij dan de was en het huishouden.’ Wanneer Yolandi terugkomt van haar shift staat hij te koken. Betsy waarschuwt dat dit verworvenheden zijn die ze moeten blijven verdedigen. ‘Nu we gewone burgers zijn, keren sommige vrouwen terug naar traditionele rolpatronen.’

Misschien zullen sommige vrouwen echter niet alleen hun verworvenheden blijven verdedigen maar ook hun beperkingen van weleer ter discussie stellen. Zeker nu de nieuwe FARC-partij toenadering tot feministische organisaties in het jaarplan opnam en de vrouwen de afzondering van een clandestien leven achter zich lieten.

© Frauke Decoodt

Yolandi, ex-guerrillera, met haar baby

Echte strijders stellen geen vragen

Dat gebeurde bij de 56-jarige Dennis Dusan. Ook zij was ooit een guerrillastrijdster. Als vijftienjarige even bij de M19, daarna bij de ELN. Die laatste is nog steeds actief, maar Dennis ontwapende zich in 1994, niet echt overtuigd, samen met achthonderd anderen. ‘De eerste tien jaar bouwde ik aan mijn nieuwe bestaan. Werkelijk alles is nieuw. Je moet van een leven zonder zelfs maar een naam naar een leven als burger. Je hebt geen tijd om vragen te stellen bij dingen.’ Na het integratiekamp haalde ze een diploma in de sociologie en doctoreerde over verdrongen herinneringen in de oorlog. Hierover doceert ze nu aan de universiteit. Ze begon kritisch na te denken over haar verleden in de oorlog, over geweld en haar plaats als vrouw in de guerrilla.

‘De oorlog en je training vormen je zowel ideologisch als emotioneel. De vijand is de oorzaak van alle onrecht, je moet hem vernietigen.’

Pas zes jaar geleden begon Dusan te erkennen hoeveel pijn en schade ze aanrichtte. ‘De oorlog en je training vormen je zowel ideologisch als emotioneel. Je pleegt geen geweld tegen iemand met een familie maar tegen een vijand, een militair doelwit. Anderen zijn collateral damage. Je vijand is de oorzaak van alle onrecht, je moet hem en het systeem waar hij voor staat vernietigen. Je bent bereid te sterven en te doden voor je overtuiging. Strijders zijn zo geprogrammeerd dat ze zich die vragen over geweld niet stellen. Wanneer je dat wel doet, en de pijn van de ander voelt, ben je niet meer geschikt voor de oorlog. Elke strijder, links of rechts, heeft die zelfde ongevoeligheid. Alleen zo kan de oorlog blijven bestaan.’

Het is dezelfde ideologische constructie die ook de plaats van vrouwen in de guerrilla bepaalde. ‘In de guerrilla zijn we allemaal strijders, je bent geen vrouw maar een soldaat. Alles draait om gelijkheid. Het is pas achteraf dat ik me realiseerde dat we in een ongelijke mannenwereld terechtkwamen die mannen bevoordeelde. Door onze blinde overtuiging van onze gelijkheid konden we patriarchale attitudes en machtsrelaties niet ter discussie stellen. We hadden rechten als strijders, niet als vrouwen.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Inzetten op vrede

Dusan vraagt zich af of het bij de FARC anders was, want hun vrouwen behaalden enkele belangrijke zeges tijdens de vredesonderhandelingen in Havana. Door hun inzet, en die van talloze vrouwen- en slachtofferorganisaties, kwam het thema gender centraal te staat in het vredesakkoord. Een unicum.

Het akkoord betreft niet alleen de FARC en de regering, maar beoogt een hervorming van de hele samenleving om een nieuw conflict te vermijden. Overal in Colombia deelden burgers hun ervaringen en stuurden voorstellen naar Havana.

Sinds de vredesakkoorden werden al meer dan 450 vredesactivisten vermoord.

Het onderhandelingsproces deed hoop opbloeien. Die werd al snel de kop ingedrukt. De nieuwe regering van president Duque ondermijnt het akkoord op verschillende fronten. Zeker wat de situatie van vrouwen betreft, blijkt het vredesakkoord een vodje papier. Vrouwen worden nog steeds even straffeloos mishandeld, vermoord en verkracht. Inzake recht op land, degelijk werk en onderwijs worden ze nog steeds gediscrimineerd.

Velen, zoals Maria Bañol, erkennen dat er wezenlijke veranderingen zijn sinds 2016. ‘Er zijn geen controleposten meer, ik kan vrij reizen. Er heerst een broze rust.’ Toch blijft ze op haar hoede, zeker omdat ze een activiste is. Sinds de vredesakkoorden werden al meer dan 450 van haar mede-activisten vermoord.

© Frauke Decoodt

Yolandi met enkele vrouwen in de winkel van Aguasbonitas

Dennis Dusan, Saskia, Maria Bañol, de vrouwen van Aguasbonitas, allen zweren ze dat ze zich zullen blijven inzetten voor de vrede, ook al doet de regering dat niet. Maria bijvoorbeeld bezoekt vaak de ex-guerrillastrijders in Aguasbonitas. ‘We moeten elkaar leren begrijpen. Leren luisteren zonder oordelen en elkaars leed erkennen.’ Dennis en Maria slaagden hierin, ze zijn nu boezemvriendinnen.

De vrouwen zetten zich op diverse manieren in voor de vrede. De vrouwen van Aguasbonitas ontwapenden zich. Dennis, Maria en Saskia proberen anderen te helpen de wonden van het conflict te helen. Saskia en Dennis leerden zichzelf en hun ideologie ter discussie te stellen. ‘Onze geschiedenis is er een van oorlog na oorlog’, besluit Dennis. ‘We leerden samenleven met geweld, ervan te profiteren, het te normaliseren. Nu moeten we leren hoe we eindelijk uit deze spiraal raken.’

Dit artikel werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur