Welkom in het meest vergrijsde stukje Europa

Met meer dan een derde van de bevolking ouder dan 65 is de Portugese regio Pinhal Interior Sul statistisch het meest vergrijsde stukje van de Europese Unie. Dorpen sterven uit, jongeren trekken weg, akkers worden bos. En geen investering die het tij lijkt te kunnen keren.

Tussen Sertã en Oleiros snijdt een perfect onderhouden autosnelweg dwars door met dennen beboste heuvels. De goed dertig kilometer tussen de twee gemeenten aan de noordkant van Pinhal Interior Sul zijn in minder dan twintig minuten afgelegd. Twee tegenliggers, verder geen auto te bespeuren. Tussen de dennenbomen af en toe een eenzaam huis.

João Assis in zijn dorpje. Isna telt 67 inwoners, bijna allemaal ouder dan zestig.
© Ruben Malia

In dit verloren stuk binnenland met de oppervlakte van de provincie Vlaams-Brabant wonen 40.000 mensen. Volgens Eurostat is liefst 32,4% daarvan ouder dan 65 jaar. Het gebied halfweg tussen Coimbra en Castelo Branco heeft daarmee de gemiddeld oudste bevolking van de hele Europese Unie.

Die hoge gemiddelde leeftijd is slechts een symptoom van een ontvolking die decennia geleden al heeft ingezet. Portugal is niet het enige Europese land dat heeft af te rekenen met dat probleem (de op één na oudste regio is het Griekse Evrytania met 32,2% 65-plussers). Maar meer nog dan elders is hier het binnenland te lang aan zijn lot overgelaten. Tot begin jaren negentig leefden de mensen hier van de kleinschalige landbouw en de houtindustrie.

‘Toen die minder rendabel werd, zijn ze bij gebrek aan werk in andere sectoren uitgeweken naar de gebieden aan de kust’, zegt João Paulo Catarino, burgemeester van Proença-a-Nova en voorzitter van een koepel van lokale gemeenten. ‘De investeringen met Europees en overheidsgeld zijn eerst naar die kustgebieden gegaan. De wegen die je ziet, zijn pas daarna gekomen. Op een moment dat Pinhal al een groot deel van zijn bevolking kwijt was.’

‘Een of twee hectare grond is te klein voor een rendabel bedrijf. De verplichting om bij elke kool een rekening uit te schrijven ontmoedigt ook.’

Op twaalf kilometer van Oleiros, in een vallei tussen de dennenheuvels, ligt het dorpje Isna. Manuel Afonso (76), rijzig, met stoppelbaard en helderblauwe ogen, trekt een zwart dekzeil over een stapel gekloofd dennenhout om het te beschermen tegen de miezel. Hij brengt zijn hand aan zijn regenhoedje als hij groet. ‘Mensen hechten geen waarde aan wat we hier hebben’, zegt hij en hij wijst naar het bos aan de overkant. ‘Vorig jaar wilde ik hout verkopen. Ze hadden mij twintig euro per kuub beloofd. En uiteindelijk wilden ze maar tien euro betalen.’ Een deel van zijn bos is die zomer afgebrand. ‘Voor mij maakt het geen verschil. Als ik het hout verkoop, heffen ze daarop zoveel belasting dat er niets van overblijft.’

Twee jaar geleden verplichtte de Portugese regering boeren om een rekening uit te schrijven voor elk product dat ze verkochten. Ook al was dat voor een paar kilo aardappelen. Wie jaarlijks meer dan 10.000 euro factureerde, moest voortaan ook een btw-aangifte doen. Als de Europese quota de rendabiliteit van de kleinschalige landbouw hadden ondergraven, dan waren deze maatregelen mogelijk de doodsteek voor wat er nog van de traditionele landbouw overbleef. Uit cijfers blijkt dat de sector in 2014 opnieuw 74.000 werknemers heeft verloren. In Pinhal daalde de bebouwde landbouwgrond de afgelopen vijftien jaar met meer dan 60%. Voornamelijk kleingrondbezit, dat versnipperd wordt vererfd.

Het doorknippen van de band tussen mensen en land is een van de belangrijkste redenen voor de ontvolking, zegt João Assis (58), geboren in Isna, boer en secretaris van de lokale administratie in Isna. ‘Voor jongeren biedt de landbouw geen perspectief. Een of twee hectare grond is te klein voor een rendabel bedrijf. De verplichting om bij elke kool een rekening uit te schrijven ontmoedigt ook. Daarom produceren mensen alleen nog voor eigen gebruik. Het is absurd. Ze willen ons maïsbrood promoten als lokaal streekproduct, maar er is niemand die nog maïs verbouwt.’

Isna telt 67 inwoners, bijna allemaal ouder dan zestig. De jongste is achttien, hij gaat naar school in Oleiros. ‘Daarna gaan jongeren in Lissabon of Castelo Branco verder studeren. Meestal om niet terug te komen’, zegt Assis. Hij wijst naar de bewoonde huizen in de straat. Drie op goed twintig. ‘Er zijn een paar vijftigers die van hieruit naar hun werk pendelen. En er is een Fransman die een vakantiehuisje heeft gekocht. Maar daarmee vul je geen dorp. Ik geloof niet dat we mensen kunnen aantrekken die niet van hier zijn. Als er geen werk is, heb je geen enkel argument om jonge mensen hier te houden.’

Het dorpje Isna. ‘Voor jongeren biedt de landbouw geen perspectief.’
© Ruben Malia

Vicieuze cirkel

De ontvolking treft niet alleen de dorpen. Proença-a-Nova, een gemeente waar de diensten van het gelijknamige arrondissement zijn gevestigd, telt 8000 inwoners. Maar daarvan zijn er op het middaguur nauwelijks een paar op straat te zien.

‘We hebben hier alles. Een zwembad, een bibliotheek, een fitnesscentrum, een medisch centrum dat open is tot middernacht, een keer per maand theater en bioscoop op vrijdag en zaterdag’, zegt Mara Tavares (37), moeder van twee kinderen (elf en twee) en secretaresse bij de lokale Junta da Freguesia (letterlijk ‘parochieraad’, zeg maar gemeenteraad). ‘De levenskwaliteit hier is uitstekend. Mijn dochter loopt alleen naar school, ik ben in vijf minuten hier. Maar zonder banen is ook de beste levenskwaliteit onvoldoende om de mensen hier te houden.’

‘Jongeren gaan naar Frankrijk of Engeland en bouwen daar hun leven op. Zelfs mensen die waren teruggekomen, zijn opnieuw vertrokken.’

Met 400 werknemers is de gemeente de grootste werkgever. Het medisch centrum en de sociale voorzieningen van het Santa Casa de Misericordia zijn goed voor nog een honderdtal banen. ‘Industrie hebben we niet meer. Er blijven alleen nog diensten over’, zegt de voorzitter van de Junta, Jorge Alves Cardosa (64). Maar omdat de bevolking krimpt en alles via ratio’s word verdeeld, snijdt de overheid ook die stukje bij beetje weg. Vorig jaar sloot de regering acht van de 35 lokale administraties. Tussen 2005 en 2012 gingen er 107 basisscholen dicht omdat ze minder dan twintig leerlingen telden. De medische centra hebben een tekort aan artsen omdat het inwonersaantal daalt, maar de behoefte aan zorg toeneemt. En bij de hertekening van de gerechtelijke arrondissementen verloor Oleiros zijn rechtbank.

‘Uit die vicieuze cirkel raken we maar niet weg’, zegt Jorge Alves Cardoso. ‘De leegloop gaat in alle hevigheid voort. Vandaag vinden onze jongeren ook geen werk meer in Lissabon en Porto. Ze gaan naar Frankrijk of Engeland en bouwen daar hun leven op. Zelfs mensen die waren teruggekomen, zijn opnieuw vertrokken.’

Boven op de emigratie komt een dramatisch laag geboortecijfer. In Sertã, met 16.000 inwoners de grootste gemeente in de regio, zijn er amper 2000 schoolgaande kinderen tussen drie en achttien jaar. Volgens het Nationaal Instituut voor de Statistiek telde Pinhal vijf jaar geleden 219 geboorten tegen 749 overlijdens. Dat gebrek aan jongeren zuigt elke dynamiek uit de gemeenschap. ‘Mijn dochter had de kans om hier in de apotheek aan de slag te gaan. Maar ze wilde liever in Lissabon blijven’, zegt Isabel Fernandes (52), de andere secretaresse van de Junta. ‘Hoe minder jongeren, hoe minder aantrekkelijk het wordt om hier te blijven’, zegt Mara Tavares. ‘Van mijn generatie zijn er misschien drie of vier die zijn gebleven. De jongeren die na mij kwamen, zijn allemaal vertrokken.’

Lage arbeidskosten

Investeringen in toerisme, door de overheid vaak als alternatief voor landbouw voorgesteld, slagen er niet in meer mensen aan te trekken. ‘Als compensatie voor het verdwijnen van een van onze lokale administraties hebben ze een zwembad gebouwd’, zucht Jorge Alves Cardoso. ‘We steunen wel elk initiatief. Toerisme haalt uiteindelijk mensen naar hier aan wie we kunnen tonen wat te bieden hebben. Zodat het hier niet helemaal uitsterft.’

‘We hebben internet, er zijn wegen. Maar alleen kun je het tij niet keren.’

Hij rijdt voor naar de lokale bedrijvenzone. Een transportfirma, twee schrijnwerkers en drie garages. De meeste hebben slechts twee of drie mensen in dienst. ‘Het ontbreekt ons aan een gevarieerd banenaanbod’, zegt Jorge. ‘De gemeente stelt daarom plaats ter beschikking in de gebouwen van de laatste grote houtverwerker. Tot 2004 had die bijna 500 mensen in dienst. Het was het kloppend hart van Proença.’

In de incubator voor starters zijn drie van de twintig kantoren bezet. Verder is er een recyclagebedrijf met een twintigtal werknemers en Ambiente d’Interni, een interieurbedrijf dat hoogwaardige houtproducten vervaardigt. António Serafim (40), directeur van het bedrijf, zegt dat het gebrek aan opleiding een groter probleem is dan de investeringen die uitblijven. ‘Wij hadden de grootste moeilijkheden om mensen te vinden die ervaring hadden met Autocad en digitaal gestuurde lasersnijmachines. Jongeren van hier hebben niet de juiste opleiding of ze hebben geen zin om in deze omgeving te werken.’ Als bedrijfsleider komt hij niets te kort in Proença, zegt Serafim. ‘We hebben internet, er zijn wegen. Maar alleen kun je het tij niet keren.’

Helemaal alleen is hij niet, want in het voormalige gemeentehuis huist sinds 2009 een softwarebedrijf. Outsystems verkoopt zijn platform voor mobiele en internettoepassingen over de hele wereld. Het bedrijf telt veertig werknemers, met een gemiddelde leeftijd van 25 jaar. Dit jaar wil het tien extra mensen in dienst nemen. ‘Onze hoofdzetel in Lissabon was op zoek naar een locatie waar de arbeidskosten lager lagen. De salarissen zijn hier sowieso lager en in ruil voor een renovatie mogen we dit gebouw van de gemeente gratis gebruiken’, zegt directeur Ricardo Araújo (39).

Een bedrijf als Outsystems kan volgens hem wel degelijk een dynamiek op gang brengen. ‘Ouders en grootouders lopen hier langs en zien dat je in Proença nu ook in de IT kunt werken. Ik hoop dat jongeren dat laten meespelen in hun studiekeuze.’ Tot nog toe werken er amper vijf mensen uit de regio bij het bedrijf. ‘Dat betekent wel dat we voor 35 nieuwe inwoners hebben gezorgd’, zegt Araújo.

De gemeentelijke olijfplantage van Galisteu, een gehucht met veertig inwoners van wie er vijf de pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt.
© Ruben Malia

Wolven

Jorge Alves Cardoso noemt Outsystems een lichtpuntje. ‘Maar misschien is het ook een druppel op een gloeiende plaat. Mensen hier houden lukt ons voorlopig nog niet. En het doet pijn om te zien wat er met het land gebeurt.’

Hij stelt voor een kijkje te nemen in Galisteu, een gehucht met veertig inwoners van wie er vijf de pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt. Jorge stelt een bevriend echtpaar voor. Carlos Ferreira (73) en Maria do Rosário (68), allebei geboren in het dorp, hebben hun hele leven geboerd. Ook vandaag nog. Maar dan als noodzakelijke aanvulling bij hun kleine pensioen. Ze houden kippen, geiten, konijnen en een paar varkens. Kaas, brood, wijn, olijfolie en witte pens maken ze zelf.

‘Ons pensioen is net genoeg om de elektriciteit, het water en de dokter te betalen. Daarom werkt iedereen hier op het land. Zolang het kan’, zegt Maria. De buren helpen elkaar bij de aardappel- en olijvenoogst. ‘We zijn met steeds minder mensen. Maar niemand wil hier weg. Voor wie nooit iets anders heeft gekend is het hier goed leven.’

Door hun afhankelijkheid van het moestuintje leven veel ouderen op een eenzijdig dieet van kool en aardappelen. ‘Dat zien we bij mensen die een groot deel van hun budget aan geneesmiddelen moeten uitgeven’, zegt Ana Isabel Dias, de verpleegster die vanuit het medisch centrum van Sertã een thuiszorgdienst coördineert. Longontstekingen, ondervoeding en deshydratie komen vaak voor. De kleine gemeenschappen dunnen snel uit en zo raken veel ouderen geïsoleerd. ‘Dat leidt vaak tot depressie en angst. Die zijn moeilijk te behandelen omdat er geen alternatief is. Kinderen kunnen niet voor hun ouders zorgen uit geldgebrek of omdat ze geëmigreerd zijn. En als er wel een mantelzorger is, dan laat die het soms afweten in de drukke oogstperiodes.’

Geen spoor daarvan bij Carlos en Maria. Ze zijn gezond, ze hebben elkaar nog en elk weekend komt een van de drie kinderen uit Lissabon op bezoek (en vertrekt weer met de koffer vol kool, olijfolie en worst). Carlos vertelt hoe rijk Pinhal vroeger was. Dat mensen een stuk dennenbos verkochten om het huwelijk van hun dochter te betalen. Ieder had zijn eigen grond en kon daarvan leven. ‘Nu laten we elk jaar een van de verder afgelegen akkers braak liggen. Die raakt meteen overwoekerd met struiken, eucalyptus en wilde dennen.’

In de buurt zijn weer roedels wolven gesignaleerd. En door het grote aantal everzwijnen hebben ze hun maïsteelt opgeven. ‘Vorig jaar had ik een radio gezet bij het veldje om ze weg te houden. Maar de avond voor de oogst was ik hem vergeten aan te zetten. Ze hebben alles opgevreten.’

Carlos weet dat Galisteu zoals het nu nog is, zal verdwijnen. ‘En dat is jammer, inderdaad’, zegt Maria. Ze haalt de schouders op. Hoop is er altijd zegt ze. ‘Met kerstavond was het dorp leeg, omdat iedereen bij de kinderen vierde. Maar met nieuwjaar liep de straat vol met spelende kleinkinderen.’

Dit artikel verscheen in het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts €20 kan u hier een jaarabonnement nemen! Het verscheen eerder online op 9 juni 2015 en werd opnieuw gepubliceerd als onderdeel van de MO* Must Reads zomerreeks.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift