WK Voetbal voor niet-erkende staten: Nagorno-Karabach, van slagveld naar voetbalveld

Op 1 juni start in Zweden de eerste World Football Cup van ConIFA, de organisatie die alle niet door FIFA erkende landen, entiteiten en minderheden wil verenigen. Strijden er voor de wereldtitel: Abchazië, Nagorno-Karabach, het Graafschap Nice, het Eiland Man, Tamil Eelam, Lapland, Darfur United, Zuid-Ossetië, Padania, Kurdistan, Occitanië en Aramese Syriërs. De Belgische freelancejournalist Marijn Sillis reisde met Sascha Düerkop, ConIFA-secretaris-generaal, naar Nagorno-Karabach en Abchazië. Zelfs twintig jaar na het uiteenvallen van de Sovjetunie – in de schaduw van de Krim-crisis en vlakbij Sotsji – lijken de bevroren conflicten er niet te ontdooien.

‘Voortaan sta je op de blacklist van Azerbeidzjan.’ Een dag na ons vertrek in Nagorno-Karabach worden onze namen vermeld op Twitter: wij zijn voortaan ‘personen die het illegaal bezette gebied Nagorno-Karabach bezocht hebben’. Het deert Sascha Düerkop (27), Duitser en secretaris-generaal van ConIFA, niet. Hoewel zijn organisatie amper een jaar bestaat, wordt hij in Nagorno-Karabach door de minister van Buitenlandse Zaken én de president ontvangen. Want in de betwiste enclave is voetbal een staatszaak.

Een autotocht van vijf uur door het indrukwekkende Kaukasusgebergte. Zo lang duurt het om van de Armeense hoofdstad Jerevan in Stepanakert – de hoofdstad van Nagorno-Karabach – te geraken. Omdat Nagorno-Karabach slechts één luchthaven telt en die niet gebruikt mag worden, is de slingerende weg de enige “uitgang” voor de 145.000 inwoners van de republiek die door niemand erkend wordt.

© Marijn Sillis

Aan de miezerige grenspost mogen we zonder enige controle verder rijden. Dat is nochtans niet de gewoonte. Maar Sascha Düerkop blijkt officieel staatsbezoek. Dat vertellen Karen Vanyan (33) en Armen Sargsyan (34) hem althans bij aankomst. Vanyan is de secretaris van de “nationale” voetbalfederatie én assistent van de eerste minister. Sargsyan werkt op Buitenlandse Zaken en doet tijdens het bezoek dienst als tolk.

© Marijn Sillis

Karen Vanyan en Armen Sargsyan voor het nationale stadion.

Düerkop krijgt van beide heren meteen een piekfijne kamer in viersterrenhotel Armenia. We zitten in hartje Stepanakert, op het Renaissanceplein. Dit moet de rustigste hoofdstad van Europa zijn. Of is het een stukje Azerbeidzjan dat bezet wordt door etnische Armeniërs die hun eigen staat willen? Voelbaar is het niet, maar ruim twintig jaar na het uiteen brokkelen van de Sovjetunie is deze regio nog steeds de angel in het aanslepende conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan.

In 1988 braken in Azerbeidzjan conflicten uit tussen Azeri’s en etnische Armeniërs. In 1991 escaleerde de situatie helemaal toen Nagorno-Karabach zich onafhankelijk verklaarde en het Armeense leger zich mengde. Na enkele bloederige gevechten en slachtpartijen volgde een staakt-het-vuren in 1994. Vrede kwam er nooit.

Azerbeidzjan, dat sinds de oorlog 800.000 vluchtelingen en ontheemden telt, argumenteert dat Nagorno-Karabach illegaal bezet wordt, net als de zeven betwiste regio’s errond. Vanuit Armeens standpunt vormen ze extra buffers richting Azerbeidzjan en een corridor naar Armenië.

Nadat Vanyan zich bij Düerkop geïnformeerd heeft over de tegenstanders van Nagorno-Karabach op het tornooi – het Graafschap Nice en het Eiland Man – vraagt hij of ConIFA al contact heeft met Transnistrië, de opstandige regio in Moldavië. Düerkop zal later toegeven dat dat inderdaad het geval is, maar dat hij nu, met de crisis in Oekraïne, de boot even wil afhouden. ‘We hebben ook Abchazië en Zuid-Ossetië al aan boord. Net nu krijgen we een brief van het ministerie van Transnistrië. In “Krim-tijden” is het beter om even op de rem te gaan staan. Voor je het weet zit je in een hoekje waar je nooit meer uit geraakt.’

Oorlogsheld als voorzitter voetbalbond

Twee dagen lang wordt Düerkop van meeting naar lunch gereden. De eerste stop is uiteraard het nationale voetbalstadion. In behoorlijk ouderwetse maar degelijke tribunes zijn 8000 zitjes gemonteerd. De coach van het nationale voetbalelftal, Mher Avanesyan (40), vertelt dat hij over een veertigtal getalenteerde spelers beschikt, de meesten uit de Armeense competitie.

© Marijn Sillis

Bondscoach Mehr Avanesyan.

Zelf was hij spits bij de Armeense nationale ploeg. ‘Maar als ik toen de keuze had, zou ik uiteraard voor Nagorno-Karabach gespeeld hebben.’ Het nieuwe nationale elftal heeft amper twee wedstrijden op het palmares, allebei tegen… Abchazië. ‘Het resultaat is niet het belangrijkste. We zijn vooral blij dat we kunnen meespelen – dat we onze natie, cultuur en passie kunnen tonen.’

Van het voetbalstadion gaat het naar het gebouw van de Union of Artsakh Freedom Fighters (in Nagorno-Karabach gebruiken inwoners meestal de naam Artsakh om hun “land” te benoemen). Daar ontmoeten we Samuel Karapetyan, voorzitter van de Union. Hij draagt een legeroutfit en geklede schoenen. In de inkomhal toont hij ons een diamanten monument voor de meer dan 5300 gevallen soldaten. Uiteindelijk blijkt Karapetyan ook… de voorzitter van de voetbalbond.

© Marijn Sillis

Een etentje met Samuel Karapetyan (centraal), oorlogsheld van voorzitter van de voetbalbond.

Vanuit het gebouw kan je het stadion zien, maar voetbalsfeer is hier ver weg. Karapetyan legt uit waar zijn Unie voor staat: het helpt de gewonde oorlogshelden en de families van de gesneuvelden. En als het straks opnieuw tot een confrontatie met Azerbeidzjan zou komen, wordt er in dit gebouw vergaderd met alle veteranen en het ministerie van Defensie. ‘Nu staan er jongens van achttien jaar aan de frontlijn. Die kunnen we niet aan hun lot overlaten als er iets gebeurt.’

Wanneer Karapetyan eindelijk tot voetbal overgaat, vertelt hij dat alle landen van ConIFA welkom zijn om in Stepanakert te komen voetballen. Hij wil sowieso een wedstrijd – liefst tegen Padania of Monaco – organiseren op de Dag van de Onafhankelijkheid. En als er ook een Europees Kampioenschap gespeeld wordt, moet dat volgens hem in Nagorno-Karabach gebeuren. ‘Dan vernieuwen we het stadion, zorgen we voor vervoer van Jerevan naar Stepanakert en betalen we alle hotels van de spelers.’

Uiteindelijk gaat de man weer over tot oorlogsretoriek. ‘We hebben overwinningen behaald op het slagveld, nu willen we hetzelfde doen op het voetbalveld. Elke man ter wereld moet zijn eigen natie vertegenwoordigen. Voor ons is dat niet anders. Sport is daartoe de ideale manier.’

Lastige spreidstand

Karapetyan geeft Düerkop twee propagandaboeken en een dure fles Ararat-cognac mee naar huis. Karen Vanyan vertelt nadien nog maar eens dat Karapetyan een oorlogsheld is – een officiële titel in Nagorno-Karabach. De voorzitter van de voetbalfederatie adviseert de minister van Defensie, de secretaris is assistent van de eerste minister en onze tolk werkt voor Buitenlandse Zaken.

Even wordt het lastig voor Düerkop om te verdedigen dat ConIFA – zoals het sinds dag één communiceert – niét politiek gebonden is. ‘Het zou hypocriet zijn om nu te zeggen dat er géén politieke contacten zijn’, aldus de Duitser. ‘Maar we zullen nooit propaganda toelaten op wedstrijden of tornooien. Voor ons is het een lastige spreidstand, de steun van de overheid is nu eenmaal belangrijk voor deze teams. Dankzij hen hebben ze meer slagkracht, en dat komt niet alleen de voetbalfederatie maar ook ConIFA ten goede.’

Koude Oorlog

Vanyan en Sargsyan rijden ons heel Nagorno-Karabach rond. Ze brengen ons naar Shushi, waar ze de soldaten herdenken die gesneuveld zijn om dit Azerbeidzjaanse bolwerk in te nemen. We bezoeken het klooster van Gandzasar, waar naar verluidt een bom in de gevel zit. En we trekken naar Tigranakert, waar in een plaatselijk museumpje aangetoond wordt dat de christenen – en dus de Armeniërs – hier veel vroeger zouden neergestreken zijn dan de Azeri’s.

Internet meldt me die avond dat aan de andere kant van de grens – waar ik niet meer welkom ben – dezelfde musea te vinden zijn. De twee gastheren informeren of we zelf voorstellen hebben.

Eerst probeer ik Agdam, een stad die tijdens de oorlog volledig vernield werd door Armeense troepen. Meteen komt de vraag: ‘Waarom wil je daar naartoe?’ Daarna vertellen de twee dat Agdam voortaan Akna heet, en dat het militair – en dus niet te bezichtigen – gebied is. Op de vraag of we misschien de grens-slash-frontlijn met Azerbeidzjan kunnen zien, krijgen we opnieuw een njet op het rekest. ‘Voor je eigen veiligheid. Er zijn nog regelmatig incidenten. Azerbeidzjaanse snipers nemen onze jongens soms nog onder vuur.’

Als Vanyan en Sargsyan het over de soldaten hebben, doen ze dat net als hun landgenoten heel consequent met de term “Defense Army”. ‘Omdat dat het enige is wat we doen: ons verdedigen.’ Vanyan stelt tijdens een zoveelste wodka-toast dat Nagorno-Karabach de vredesonderhandelingen tussen Armenië en Azerbeidzjan absoluut niet wil boycotten. Maar: ‘Nagorno is van ons. Daar wordt niet over onderhandeld. De Azeri’s kunnen zich er beter bij neerleggen. We willen geen oorlog meer, maar als het moet nemen we opnieuw de wapens op.’

Sargsyan vult aan: ‘We hebben recht op een eigen staat. In een referendum heeft 95 procent zich daarvoor uitgesproken. Ik was een kind toen de oorlog uitbrak, ik wil niet dat mijn kinderen hetzelfde ondergaan – het is een trauma. We willen erkend worden, maar niet voor de erkenning op zich. Het gaat ons om de zekerheid. Dit land is nog altijd in een Koude Oorlog. We leven rustig, maar altijd blijft die spanning knagen: zolang er geen akkoord is, kan het opnieuw exploderen.’

‘Europa begint in Nagorno-Karabach’

Allemaal vertellen de voetbalvrienden hoe prachtig Nagorno-Karabach is. Dat het er veilig en stabiel is. Dat het dankzij de landbouw, zijn mijnen en mineralen op zichzelf kan bestaan, en binnen twee of drie jaar zal exporteren. Dat de wereld Nagorno-Karabach niet langer kan negeren. Pas na een met wodka overgoten avond geeft een van de officials off the record toe dat het – echt waar? – niet allemaal rozengeur en maneschijn is in de Kaukasus.

‘Als ik in Europa zou wonen, had ik mijn job bij de overheid al opgezegd. Zo interessant is ze niet. Maar ik heb twee kinderen en een vrouw, ik moet hen onderhouden. Ik zou trouwens graag meer kinderen willen, maar dat kan ik me financieel niet veroorloven. De economische situatie is niet top, in dit land moet je blij zijn met wat je hebt. We zijn geblokkeerd, geïsoleerd. En dat kan nog eeuwen voortgaan op deze manier.’

Voor Düerkop is het hoogtepunt van de trip uiteindelijk het bezoek aan president Bako Sahakyan. Gidsen Vanyan en Sargsyan krijgen stress: ‘Je ontmoet niet elke dag dé president.’ Düerkop krijgt complimenten en een boek. Ik krijg voorgekauwde antwoorden.

© Marijn Sillis

Sascha ontvangt een boek van de president Bako Sahakyan.

‘Bekijk onze infrastructuur, onze regering. Dit is het meest stabiele en veilige land in de regio’, zegt de president. ‘Gemiddeld gebeuren hier tien keer minder misdrijven dan in Europa. De reden: onze structuur en de goede inborst van onze bevolking. En toch worden we vergeten. Zeg eens: kom je door mensen te isoleren en te blokkeren tot vrede?’

Als ik vraag waarom de wereld zijn land ondanks al dat moois toch niet erkent, glimlacht de president. ‘Dat is een politieke vraag. Ik heb vernomen dat ConIFA over sport gaat, niet over politiek. Maar goed, we zijn ervan overtuigd dat het slechts een kwestie van tijd is. We willen de wereld hierheen brengen, misschien kan voetbal daarin een rol spelen. Ieder van ons is toegewijd om tot het eindpunt te komen: de opheffing van de blokkade.’

Karen Mirzoyan, de minister van Buitenlandse Zaken, oogt iets jovialer dan de president. Ook hij begint net als de rest evenwel met verbale schouderklopjes. Zijn keurigste citaat: ‘Voor ons is ConIFA een vredesmissie.’

© Marijn Sillis

Minister van Buitenlandse Zaken Mirzoyan.

De andere antwoorden zijn evenwel minder tactisch dan die van zijn president. ‘Ik ben niet zo naïef te denken dat voetbal alles zal veranderen. Maar misschien kan het een klein verschil maken. In Europa begrijpen mensen ons enthousiasme wellicht niet. Jullie denken dat jullie leven de standaard is, dat de sky de limit is, en de wereld jullie achtertuin. Voor ons is een internationaal voetbaltornooi – en dus contact met andere volkeren – iets totaal nieuw.’

Plots vraagt hij Düerkop om zijn team in te delen bij Europa. ‘Wij zoeken toenadering tot Europa. We zullen het EU-model niet kopiëren, maar het is wel een voorbeeld voor ons. Geografisch gezien zitten we op de grens van Europa, maar zowel qua mentaliteit als cultuur maken we er 100 procent deel van uit. Ik hoor vaak dat Nagorno-Karabach het einde van het Europese continent is. Kunnen jullie in jullie thuisland eindelijk eens verkondigen dat Europa net in Nagorno-Karabach begint?’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift