Dossier: 

Chinese investeringen en een falende elite in Zambia

Zambia is ruim 50 jaar afhankelijk van haar koperertswinning en Chinese investeerders varen er wel bij. De eigen bevolking pikt echter slechts wat kruimels mee. Waarom slaagt de Zambiaanse overheid er niet in de economie te redden? Journalist Hans Moleman werpt een licht op de situatie in koperstad Kitwe.

  • © Hans Moleman Straatbeeld in centrum van Kitwe. Ondanks ontwikkelingsplannen die nieuwe industrie beloven, komen pogingen om een meer diverse economie uit te bouwen maar niet van de grond. © Hans Moleman
  • © Hans Moleman Het nieuwe Chinese casino in Kitwe. Chinezen werken en gokken, en ze drinken een glas in hun eigen restaurants. Dansen doen ze niet. © Hans Moleman
  • © Hans Moleman Zambia bezit koper bij de vleet, maar het land telt geen enkele fabriek waar koper wordt verwerkt tot hoogwaardigere producten. © Hans Moleman
  • © Hans Moleman Het oordeel van een anonieme econoom van de wereldbank in Lusaka over het “Zambian National Development Plan” is vernietigend. ‘Dat is niet meer dan een ellenlange wenslijst, zonder concrete plannen’. © Hans Moleman
  • © Hans Moleman De toegangspoort naar het Chinese industriepark in de koperstreek bij Kitwe. Het ligt er nog grotendeels verlaten bij. © Hans Moleman

Zambia’s sukkelende economie stond centraal in de presidentsverkiezingen van koperrijke land begin augustus. Er leeft onvrede onder Zambianen. De lage koperprijs leidt tot minder inkomsten, minder werk, de stroom valt steeds vaker uit.

De regering moet zelfs weer met de pet in de hand naar het IMF voor nieuwe leningen.

Verkiezingen zonder vernieuwing

De uitslag was een teleurstelling voor de oppositie. De zittende president Edgar Lungu behaalde een nipte zege op zijn rivaal, zakenman Hakainde Hichilema van de United Party for National Development (UPND).

President Lungu staat sinds 2015 aan het roer in hoofdstad Lusaka, waar hij de opvolger is van Michael ‘King Cobra’ Sata, die in 2014 plotseling overleed.

Pogingen van de Zambiaanse overheid om een diverse economie uit te bouwen, komen maar niet van de grond.

De voormalige vakbondsman Sata won in 2011 de verkiezingen met de belofte dat zijn partij, het Patriotic Front, de Zambiaanse economie zou hervormen en de invloed van Chinese bedrijven aan banden zou leggen.

Daar slagen de beleidsmakers in Lusaka, ongeacht hun politieke kleur, echter niet in. Zambia is sinds de Britse koloniale tijd afhankelijk van zijn kopermijnen.

Pogingen om een meer diverse economie uit te bouwen, komen maar niet van de grond -ondanks ontwikkelingsplannen die nieuwe industrie beloven.

Door de afhankelijkheid van de koperwinning kan Zambia zich amper weren tegen de mondiale economische cyclus. Na tien vette jaren staat de koperprijs nu weer laag, als gevolg van de sterk afgenomen vraag uit China.

Zambia bezit koper bij de vleet, maar het land telt geen enkele fabriek waar koper wordt verwerkt tot hoogwaardigere producten.

Dat betekent duizenden banen minder in de mijnstreek rond Kitwe, en lagere inkomsten voor de staat. Zeventig procent van de Zambiaanse export bestaat uit ruwe koperbroodjes: het land telt geen enkele fabriek waar koper tot hoogwaardiger producten wordt verwerkt.

Zelfs een simpele koperdraadfabriek is niet te vinden in Zambia. De koperdraad die er gebruikt wordt komt uit China of Egypte.

Zambia geen uitzondering in Afrika

Het probleem van Zambia is het probleem van tal van Afrikaanse naties. Het lukt maar zelden om een stabiele economie te ontwikkelen die de bevolking een beter perspectief kan bieden.

Ieder land heeft zijn eigen gloedvolle nationale ontwikkelingsplan, maar in de praktijk komt er meestal maar weinig van terecht.

De Zambiaanse regering had de afgelopen tien jaar een uitgelezen kans om een eigen industrie te ontwikkelen.

Lusaka heeft rijke koperbodemschatten. Toen Chinese staatsbedrijven als nieuwkomers in de Zambiaanse koperwinning kwamen, beloofden ze de Zambiaanse overheid nieuwe industrieparken, zowel in de hoofdstad als in de noordelijke Copperbelt.

Wat is er van deze afspraken geworden?

Casino’s in de Copperbelt

Het Chinese casino is er nog, in Kitwe. Sterker, er is een nieuw casino bijgekomen. Op een doordeweekse avond zijn er tientallen Chinezen die gespannen naar de kaarten en de balletjes kijken.

De croupiers en obers zijn zwart, aan het hoofd van de roulettetafels zitten jonge Chinezen die in schriftjes nauwgezet bijhouden waar het balletje valt.

De Chinese gemeenschap in koperstad Kitwe komt graag in de casino’s, die een welkome afwisseling vormen op het afgesloten leven in de eigen woonwijken.

Het nieuwe Chinese casino in Kitwe. Chinezen werken en gokken, en ze drinken een glas in hun eigen restaurants. Dansen doen ze niet.

In Zambiaanse uitgaansgelegenheden als nachtclub Cinderella zie je ze niet. Chinezen werken en gokken, en ze drinken een glas in hun eigen restaurants. Dansen doen ze niet.

Zes jaar geleden was ik voor het laatst in de Zambiaanse koperstreek. Toen stond de prijs van Zambia’s strategische bodemschat nog hoog en leek er geen vuiltje aan de lucht.

Anno 2016 is de koperprijs laag en kreunt de Copperbelt, zoals de streek door de oude Britse kolonialen werd gedoopt.

Vergane koloniale glorie

Koperwinning was lang het exclusieve domein van westerse bedrijven als Anglo American. Kitwe zelf ontstond pas in 1936, als nederzetting voor blozend blanke mannen die als managers bij de Britse nieuwe kopermijnen dienden.

Ze zorgden ervoor dat het ziekenhuis draaide en dat de elite in Zambia -toen nog Noordelijk Rhodesië geheten- goed geld verdiende aan de rijke koperaders onder de mooie, groene heuvels in het noorden van het land, vlak bij de grens met Congo.

Veel van de infrastructuur uit die koloniale tijd is nog steeds aanwezig. De lage gebouwen en veranda’s van het oude mijnziekenhuis, heet tegenwoordig Sino-Zambian Friendship Hospital.

Ook de toenmalige Kitwe Country Club is er nog steeds met zijn bowling green en golfbaan, de cricketclub met aangrenzende squashbaan, het veld van Digger RC, de rugbyclub.

De gebouwen zien er wat verlopen uit, alsof de tijd al jaren stil staat. Het rugbyveld wordt nog regelmatig gebruikt, daar spelen de zwarte teams van de mijnen tegen elkaar. Verder is het stil geworden. Op de golfbaan spelen soms een paar Chinezen.

De koperstad telt inmiddels wel een echte Chinatown. Het grote, Amerikaans aandoende winkelcentrum wordt druk bezocht door de honderden stafleden van de Chinese mijnen en de kopersmelterij.

‘In de loop der jaren is er wel meer concurrentie gekomen, maar niet van de Zambianen.’

De koperbazen bezoeken ook de restaurants, waaronder Fang Yuan, een geliefde pleisterplaats voor Chinese expats.

Fang Yuan (wat zo veel betekent als Jouw Wereld, nvdj) is gevestigd in een oude koloniale villa aan een van de met hoge bomen omzoomde avenue’s van Kitwe.

De televisie staat er op CCTV4, de wereldomroep van Beijing voor landgenoten in den vreemde, aan de stamtafel zitten Chinese stafleden van mijnen en aanverwante bedrijven.

De koperprijs mag laag zijn, het is nog steeds goed verdienen in Zambia, zeggen de stamgasten. Al is er in de loop der jaren wel meer concurrentie gekomen.

Die komt van nieuwe Chinezen en ook van Indiërs -het concern Vedanta uit Mumbai, dat een eigen grote kopermijn bij Kitwe heeft.

Alleen Zambiaanse concurrentie, daar hebben ze nog steeds geen last van. Waar dat aan ligt? ‘Het is de mentaliteit’, zegt een Chinese mijnmanager. ‘Gebrek aan opleiding’, zegt een ander. ‘Zambia heeft maar twee universiteiten’.

Gemengde gevoelens over Chinese aanwezigheid

Zambianen beschouwen de Chinese aanwezigheid in hun land met gemengde gevoelens. Het is goed dat er goedkope Chinese doktors in Kitwe zitten, zeggen ze.

Zoals dokter Li en dokter Wu, met eigen praktijken waar je voor 10.000 Zambiaanse kwacha op consultatie kunt. Maar de beloofde nieuwe fabrieken zijn er niet gekomen, en een paar ernstige incidenten in de koperstreek zijn niet vergeten.

Zo ging jaren geleden een Chinese explosievenfabriek de lucht in, wat tientallen Zambianen het leven kostte. Bovendien schoten Chinezen tijdens een staking met hagel op Zambianen.

‘Het voordeel is dat Chinezen breed kunnen investeren, het nadeel dat ze slecht betalen en lage veiligheidsnormen hebben’

‘Het voordeel van de Chinezen is dat ze veel geld hebben en dus breed kunnen investeren’, vertelde een voormalige Zambiaanse mijningenieur zes jaar geleden.

‘De keerzijde is dat ze slecht betalen en lage veiligheidsnormen hebben. Het zijn rauwe jongens.’

In 2016 zoek ik hem weer op. Zijn oordeel is weinig veranderd.

De lonen zijn iets verbeterd, de veiligheid ook. Maar de grote teleurstelling is dat er nog steeds geen nieuwe fabrieken zijn gekomen. Kitwe blijft een monocultuur, afhankelijk van de winning van ruw koper.

‘Onze regering heeft niet goed onderhandeld met China’, vindt de ingenieur, die zelf een aanhanger is van het regerende Patriotic Front. ‘Ze laten zich inpakken. Ze krijgen geheel verzorgde reizen naar China en beurzen voor hun kinderen, die daar gaan studeren.

Ook de traditionele leiders hier uit de streek zijn op bezoek geweest. Ze werden als koningen ontvangen, thuis in hun dorp hebben ze nieuwe terreinwagens gekregen.

‘De Chinezen spelen het slim. Je gooit de honden een paar stukken vlees toe en onderwijl haal je het huis leeg’, oordeelt hij bitter.

Verlaten industriegebied

Het grote industriegebied dat de Chinezen hebben aangelegd in de koperstreek, aan de Great North Road die van Lusaka via Kitwe en Ndola naar de Congolese grens loopt, ligt er inderdaad nog steeds grotendeels verlaten bij.

Vergeleken met 2010 is er wel iets veranderd er is een imposante hedendaagse Chinese toegangspoort opgetrokken, er is een riant Chinees administratiegebouw verrezen.

© Hans Moleman

De toegangspoort naar het Chinese industriepark in de koperstreek bij Kitwe. Het ligt er nog grotendeels verlaten bij.

Maar de tientallen voetbalvelden grote percelen waar de fabrieken zouden komen zijn leeg, ten prooi gevallen aan weldadig groen struikgewas.

Van de beloofde fabrieken en de duizenden nieuwe banen voor de half miljoen inwoners van Kitwe is er echter geen spoor

Alleen achterop het terrein zijn wat nieuwe loodsen gebouwd, die grotendeels leeg staan.

Een ervan wordt bezet door een Chinees bedrijf dat vrachtwagens en ander zwaar materieel uit China importeert voor de Chinese mijnbouwbedrijven.

Van de beloofde fabrieken en de duizenden nieuwe banen voor de half miljoen inwoners van Kitwe is er echter geen spoor.

Langs de grote weg naar het noorden is nog een Chinese garage annex restaurant en winkel, waar een tiental Zambianen werkt. Verderop aan de weg ligt nog een Chinese staalhandel en een boerderij, de Green Home Farm. Maar daarmee houdt het wel op.

En ook in de hoofdstad Lusaka zijn slechts een paar Chinese bedrijven gekomen, zoals een meubelfabriek. Veel te weinig om zelfs maar een deukje te slaan in de hoge werkloosheid.

Ethiopië, de goede leerling

Toch is het te eenvoudig om alleen de Chinezen en de Indiërs met de vinger te wijzen. Kijk naar Ethiopië, daar lukt het wel, met vallen en opstaan, om nieuwe industrie aan te trekken -van agro-industrie als rozenkwekerijen tot kleding- en schoenproductie.

Die ontwikkeling kan de komende jaren miljoenen nieuwe banen opleveren, als Addis Abeba erin slaagt de sociale rust te bewaren.

Natuurlijk legt Ethiopië meer gewicht in de schaal dan Zambia. Met honderd miljoen inwoners is het zes keer groter dan het koperland in zuidelijk Afrika. Maar het is ook een kwestie van plannen maken en ze daadwerkelijk uitvoeren.

En daar faalt de Zambiaanse staat, zeggen deskundige waarnemers.

Geen van de politieke partijen heeft een ernstig plan om de economie verder te ontwikkelen, stelt Kryticous Nshindano van Civil Society for Poverty Reduction, een ngo in Lusaka.

Het oordeel van een anonieme econoom van de wereldbank in Lusaka over het “Zambian National Development Plan” is vernietigend. ‘Dat is niet meer dan een ellenlange wenslijst, zonder concrete plannen’.

Zambia’s eigen private sector is te klein om zelfstandig fabrieken op te zetten die bijvoorbeeld koperdraad kunnen produceren. Dit is nochtans een product dat gegeerd en noodzakelijk is voor de voortgaande elektrificatie van Afrika.

Volgens een econoom die werkt bij het filiaal van de Wereldbank in Lusaka -deze wenst anoniem te blijven vanwege de politieke gevoeligheid van zijn opvattingen- kun je de Chinezen wel wat verwijten, maar is het vooral de Zambiaanse elite die faalt.

‘Een vijfde van de bevolking heeft een comfortabel leven. Dat zijn de mensen met de goede politieke contacten. De rest zijn paupers die bij iedere verkiezing de belofte voorgeschoteld krijgen dat het leven beter zal worden, zonder dat er veel van in huis komt’.

Zijn oordeel over het Zambian National Development Plan is vernietigend. ‘Dat is niet meer dan een ellenlange wenslijst, zonder concrete plannen’.

De regering heeft nooit geprobeerd om in de onderhandelingen met de Chinezen of de Indiërs de bouw van fabrieken af te dwingen

De regering heeft nooit geprobeerd om in de onderhandelingen met de Chinezen of de Indiërs de bouw van fabrieken af te dwingen, terwijl Lusaka toch de begeerde concessies voor de mijnen als troef had.

Een kabelfabriek? Daar is nooit over gesproken. ‘Het geld in de staatskas gaat naar salarissen voor de politieke clientèle.

Voor nieuwe strategische investeringen blijft bijna niets over’.

Op regeringsniveau in Lusaka spreekt men niet graag over het eigen falen. Een econoom van het ministerie van Financiën wil -anoniem- wel iets kwijt. Hij is meermaals naar China geweest en heeft daar gezien hoe de machtige eenpartijstaat opereert, in combinatie met een krachtige privé sector. Hij was onder de indruk.

‘In het huidige Zambia is zoiets onmogelijk. Ik vrees dat economische ontwikkeling en democratie niet goed samen gaan.’

Op de burelen van de Wereldbank denken ze daar anders over. Waar Ethiopië misschien een teveel aan ambitie heeft, klinkt het daar, kampen landen als Zambia juist met een gebrek aan ambitie.

Hans Moleman werkte als correspondent voor de Volkskrant en De Morgen in zuidelijk Afrika en China. Hij werkt nu aan het project Made in Afrika, dat de uitdagingen beschrijft van economische ontwikkeling in Ethiopie, Zambia, Zimbabwe en Zuid-Afrika. De verhalen in MO zijn een voorpublicatie van het boek Made in Afrika, dat begin volgend jaar verschijnt bij uitgeverij Lias in Hilversum.

‘En de Zambianen laten het gebeuren, sinds de onafhankelijkheid, inmiddels 51 jaar geleden nu. Er zijn hier te veel lieve, volgzame mensen.’


Dit verhaal is mede tot stand gekomen dankzij een werkbeurs in het kader van het Innovation in Development Reporting Grant Programme van het European Journalism Centre en de Bill&Melinda Gates Foundation. Deze instellingen hebben geen invloed gehad op de inhoud.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift