Duurzame Ontwikkelingsdoelen: het huiswerk van de wereld

Als alles goed gaat, zullen de VN-lidstaten in september 2015 de Duurzame Ontwikkelingsdoelen aanvaarden. Het gaat om een uitgewerkte agenda van hoe we de wereld socialer, welvarender en duurzamer kunnen maken – het huiswerk van de wereld met andere woorden. Hoe kwamen de doelen tot stand en wat houden ze in? 

De Duurzame Ontwikkelingsdoelen – afgekort in het Engels tot SDG’s (sustainable development goals) – zijn de opvolgers van de MDG’s, de Millenniumontwikkelingsdoelen. Die laatste moesten vooral de ontwikkelingslanden helpen: tegen 2015 moest de extreme armoede worden gehalveerd, moesten alle kinderen naar school gaan, moest er minder malaria, TBC of aids zijn, en meer toegang tot drinkbaar water…

枫彩 (CC BY 2.5 cn)

Je kan je afvragen of de Chinese inkomensgroei steunt op de mdg’s.

Een deel van die doelen zijn ook gerealiseerd, al stellen sommigen zich de vraag of dat aan de mdg’s te danken is. Zo is het aantal mensen dat van minder dan 1,25 dollar per dag moet leven, meer dan gehalveerd maar dat is vooral te danken aan China en je kan je afvragen of de Chinese inkomensgroei steunt op de mdg’s.

Omdat ze erin slaagden mensen te mobiliseren, wilden velen een vervolg op de mdg’s

Over één ding is er geen twijfel: de mdg’s hebben in veel landen enthousiasme gewekt en dat is veeleer uitzonderlijk voor initiatieven van de Verenigde Naties (VN). Dat succes was te danken aan het feit dat er niet veel doelen waren, dat ze begrijpelijk geformuleerd waren, dat ze heel essentiële menselijke behoeften dekten en omgezet werden in indicatoren die meetbaar zijn.

Omdat ze erin slaagden mensen te mobiliseren, wilden velen een vervolg op de mdg’s. De grote conferentie over Milieu en Ontwikkeling (Rio 2012) besloot in haar slotverklaring dat er SDG’s moesten komen. Ook vanuit ontwikkelingsmiddens werd aangestuurd op een opvolger van de mdg’s.

Duo’s en troika’s

En zo kwam het dat vanaf 2012 op verschillende niveau’s aan SDG-voorstellen werd gewerkt. Een High level panel of eminent persons deed op vraag van VN-baas Ban Ki-Moon een voorstel – met sterke Britse invloed – maar dat belandde uiteindelijk in de marge. De instellingen van de VN zelf legden ook een doorwrocht document op tafel.

‘Het nadeel is dat het eindresultaat wat zwaar is omdat zoveel verschillende staten er hun ding in wilden.’

Uiteindelijk was het de zogenaamde Open Working Group die de verklaring van Rio+20 in het leven riep. Die zette in 2014 de zeventien doelen op papier, die – na een beslissing van de Algemene Vergadering van de VN in die zin – zeer waarschijnlijk de basis zullen vormen voor de SDG’s.  

De verklaring van Rio had het over ‘een open werkgroep met dertig staten die aangewezen worden door de vijf regionale groepen van de Verenigde Naties’.  Om de basis te verbreden, vormden die dertig staten al snel duo’s of troika’s, waardoor uiteindelijk zeventig staten bij het proces werden betrokken.

Adrian Dellecker van de internationale afdeling van ’s werelds grootste milieu-ngo, het Wereldnatuurfonds, volgde de onderhandelingen op de voet: ‘De lidstaten wilden dat dit een open en intergouvernementeel proces zou zijn, geleid door de lidstaten en niet door experten. Het voordeel is dat de lidstaten er echt achter zullen staan. Het nadeel is dat het eindresultaat wat zwaar is omdat zoveel verschillende staten er hun ding in wilden.’

Die keuze had er zeker mee te maken dat de mdg’s wel door experten werden ontwikkeld: mensen zoals de Belgische VN-topman Jan Vandemoortele distilleerden destijds de acht MDG’s uit de zogenaamde Millenniumverklaring die alle staten bij het begin van het nieuwe millennium hadden onderschreven. Zo’n machtsgreep van de experten wilden de staten nu niet.

‘België was samen met Angola voorzitter van de groep landen die het thema Waardig Werk promootte.’

Om dit proces breed maar toch efficiënt te maken,werd afgesproken dat groepjes van drie landen – zoals Frankrijk, Duitsland, Zwitserland of Pakistan, India, Sri Lanka – intens zouden samenwerken en als één zouden optreden.

België zat in geen enkele van de troika’s maar voelde zich niet uitgesloten want ‘geleidelijkaan werd iedereen bij het proces betrokken’, aldus Jan De Preter, coördinator van de VN-ontwikkelingsagenda bij de FOD Buitenlandse Zaken.

‘Zo kreeg je uiteindelijk vaak groepen van veertig, vijftig landen die een bepaald onderwerp uitwerkten. België was samen met Angola voorzitter van de groep die het thema Waardig Werk promootte.’

Ook de Internationale ArbeidsOrganisatie en de vakbonden speelden daarin een prominente rol omdat zij al jaren rond dat onderwerp werken. Het waren vaak de trekkers die de doelstellingen uitwerkten en zo ver gingen als de tegenstanders toelieten.

Civiele samenleving betrokken

De civiele samenleving werd op verschillende manieren in het proces betrokken. Zo organiseerden de VN de peiling Mijn Wereld. Meer dan zeven miljoen personen – vooral jong en afkomstig uit ontwikkelingslanden maar ook ruim drieduizend Belgen – kozen hun belangrijkste doelen uit zestien doelstellingen. Helemaal bovenaan stonden een goede opvoeding, betere gezondheidszorg en meer banen. Gevolgd door eerlijk en luisterend bestuur, betaalbaar en voedzaam voedsel, en bescherming tegen geweld en misdaad. Helemaal onderaan stonden  bescherming van bossen en oceanen, telefoon en internettoegang en de strijd tegen klimaatverandering.

Julien Harneis (CC BY-SA 2.0)

Helemaal bovenaan de belangrijkste doelen stonden een goede opvoeding, betere gezondheidszorg en meer banen.

Ook het meer formele middenveld kreeg zijn plaats in het proces. Adrian Dellecker licht toe hoe het Wereldnatuurfonds werd betrokken: ‘Wij konden elke meeting bijwonen en soms ook tussenkomen. Of we echt invloed hadden? Ik denk het wel. Gewoon het feit dat wij licht op het proces konden gooien, is al niet onbelangrijk, maar we speelden ook een inhoudelijke rol. Dit is immers zo’n breed thema dat veel staten het inhoudelijk moeilijk hadden om alles te volgen. Sommige staten hebben bijna geen personeel op hun VN-kantoor in New York. Dan konden wij hen soms bijstaan.’

Dellecker kan geen tekstfragment aanwijzen dat letterlijk van het Wereldnatuurfonds komt, maar is er wel van overtuigd dat ze bijvoorbeeld de aard van doelstelling 14 over de oceaan mee hebben vormgegeven. ‘Dit is niet enkel een marine doelstelling, het is ook een doelstelling die te maken heeft met jobs, economie, menselijke ontwikkeling. Die dubbele kant hebben wij heel sterk benadrukt.’

Bij sommige doelen kan je duidelijk zien wie er achter steekt. Doelstelling 9 inzake industrialisering komt duidelijk van de ontwikkelingslanden. Doelstelling 16 over bestuur is dan weer een compromis tussen de ontwikkelingslanden en het Westen.

‘Ngo’s konden elke meeting bijwonen en hadden op die manier invloed op het proces.’

Ook op Belgisch en Europees niveau werd de civiele samenleving geraadpleegd. De FRDO formuleerde twee adviezen aan de regering. Rudy De Meyer van 11.11.11: ‘We werden steevast uitgenodigd op de zogenaamde coormulti, waar de standpunten van de Belgische ministeries en gewesten gecoördineerd worden. De cultuur was er zo dat wij geregeld konden tussenkomen en werden gehoord. België heeft vooral de nadruk gelegd op de strijd tegen ongelijkheid en voor sociale bescherming. Daar konden wij ons zeker in vinden.’

Na een hele reeks thematische sessies leidde dit complexe proces in juni 2014 tot 17 doelen en 169 subdoelen.

‘Het was eigenlijk tegen de verwachtingen in dat die doelen na een marathonsessie effectief tot stand kwamen’, zegt Tim Bogaert, die namens de Belgische federale overheid het proces van dichtbij volgde. ‘Perfect is het niet – veel te veel, niet zo meetbaar – maar beter dan dit wordt het niet. Het is een synthese, een politieke stand van zaken in de wereld anno 2014.’

Onverteerbaar monster of unieke veelzijdigheid?

Een groot verschil is alvast dat deze SDG’s erg breed zijn. ‘De SDG’s versterken niet enkel het engagement ten aanzien van de onafgewerkte mdg’s, ze breken het veld open met doelen inzake ongelijkheden, economische groei, waardig werk, steden, industrialisering, energie, klimaatverandering, duurzame consumptie en productie, vrede, rechtvaardigheid en instellingen,’, zo schreef VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon eind 2014 in zijn rapport aan de Algemene Vergadering.

‘Maar ieder voordeel heb zijn nadeel’, zeide ooit een Nederlands filosoof: die ongelooflijke breedte van de SDG’s is tegelijk ook een nadeel. Zeventien algemene doelen (goals) en 169 subdoelen (targets) is veel.

‘Je krijgt er koppijn van als je dat probeert door te lezen. En dat is juist het probleem’, zegt Jan Vandemoortele, die destijds mee aan de mdg’s schreef. ‘Iedereen wilde er zijn stokpaardjes inkrijgen en dan is dit het resultaat. Maar in de huidige context – zonder nieuwe leider – kan je wellicht niet meer verwachten. Niks zou nog erger zijn.’

‘Je krijgt er koppijn van als je probeert de SDG’s door te lezen.’

Een ander verschil is dat de doelen niet allemaal in termen van menselijke noden geformuleerd worden, waardoor ze soms wat abstracter zijn. ‘Ze zijn meer systemisch van aard’, vindt Sander Spanoghe, die bij de Vlaamse administratie de SDG’s opvolgt.

‘Neem doelstelling 3 over gezondheid. Bij de MDG’s gingen het over het verminderen van het aantal doden door bepaalde ziektes. De SDG’s kijken verder. Suikerziekte kan je maar beter voorkomen dan behandelen – en dat kan via onderwijs, sensibilisering, beweging… Doelstelling 12 over duurzame productie en consumptie is daar ook een mooi voorbeeld van.’

Dat heeft tot gevolg dat sommige doelstellingen aan duidelijkheid en meetbaarheid te wensen overlaten. Dat vindt ook de groep wetenschappers die onlangs de SDG’s tegen het licht hield: ze vonden slechts 29 procent van de subdoelen goed ontwikkeld, 54 procent moest specifieker worden, en zeventien procent vereist nog veel werk.

Zo wil doelstelling 10 de ongelijkheid binnen en tussen landen verminderen. Volgens de wetenschappers zijn de subdoelen zo vaag dat ‘het onmogelijk zou zijn om vast te stellen of de doelen bereikt zijn of niet.’

Als je de SDG’s teveel versimpelt, riskeren ze hun doel te missen.

Heel wat mensen erkennen dat het een zeer ruime agenda is, maar sommigen wijzen op de voordelen daarvan. Adrian Dellecker: ‘Het klopt, het is veel, maar dit is ook geen eenvoudig probleem. We hebben een heuse transformatie nodig en dat is niet simpel. Je kan dat natuurlijk vereenvoudigen maar dan riskeer je dat je de beoogde transformatie niet bekomt.’

Duurzame ontwikkeling versus hokjesdenken

Adrian Dellecker stelt dat het Wereldnatuurfonds tevreden is met het resultaat: ‘Wij wilden vooral een integratie van milieudoelen met sociale en economische doelen, en dat zit er ook in. Indien we het zelf zouden geschreven hebben, zou het nog beter geweest zijn, maar dit is niet slecht.’

Dat laatste vindt ook de groep van wetenschappers die een paar maand geleden de SDG’s tegen het licht hield: ‘Bij de MDG’s was ecologische duurzaamheid een toevoeging in doelstelling 7. In deze SDG’s is het een kernelement samen met rechtvaardigheid en armoede.’ De wetenschappers vinden wel dat de integratie best nog een stuk verder kon gaan.

‘De SDG’s weerspiegelen de nieuwe machtsverhoudingen in de wereld.’

Sander Spanoghe van de Vlaamse administratie is eveneens relatief positief: ‘Hier wordt toch systemisch gekeken naar wat er misgaat, en worden voorstellen gedaan voor een transitie. Armoedebestrijding is vervangen door duurzame ontwikkeling als centrale doelstelling – en daarmee is het Noord-Zuid-aspect voor een groot stuk verdwenen. Voor mij weerspiegelt de tekst dat de machtsverhoudingen in de wereld veranderd zijn.’  

Universeel versus Noord-Zuid

© Filip Roefs

Vicepremier De Croo: ‘De sdg’s zijn een politiek engagement dat we echt moeten nemen.’

Een groot discussiepunt was dat de SDG’s in tegenstelling tot de MDG’s universeel moesten zijn: ze moesten voor alle landen uitdagingen inhouden – terwijl de mdg’s vooral van de ontwikkelingslanden inspanningen vroegen in ruil van geld van de rijke landen.

De meeste observatoren zijn het erover eens dat de SDG’s effectief universeel zijn. Minister van Ontwikkelingssamenwerking en vicepremier Alexander De Croo: ‘Dit is een universele agenda met rechten en plichten voor alle landen. Het is geen internationaal verdrag maar wel een politiek engagement dat we moeten nemen.’

De groep van wetenschappers stelt dat ‘deze SDG’s alle landen aanspreken, zij het dat sommige doelen relevanter zullen zijn voor het ene land dan voor het andere’.

Een voorbeeldje maakt dat duidelijk. Doelstelling 1 wil dat armoede in al haar vormen overal wordt geëlimineerd. Volgens subdoel 1.1 moet de extreme armoede tegen 2030 de wereld uit, maar subdoel 2.2 wil dat tegen dan eveneens de proportie van armen (zoals nationaal gedefinieerd) wordt gehalveerd. Voor België betekent dit dat tegen 2030 nog maar 7,5 procent in plaats van 15 procent arm zal mogen zijn. Een grote uitdaging dus.

Voor België betekenen de SDG’s dat we de armoedecijfers tegen 2030 moeten halveren.

Doelstelling 2 wil honger de wereld uit, voedselzekerheid en verbeterde voeding realiseren en duurzame landbouw promoten. Subdoel 2.2 wil tegen 2030 alle vormen van malnutritie beëindigen. Daarbij worden vormen van ondervoeding vernoemd maar over vetzucht gaat het niet. Jan Vandemoortele ziet daarin het bewijs dat het Noorden nog steeds de Noord-Zuidbril handhaaft. ‘Indien de doelen echt universeel zouden geweest zijn, dan zou zwaarlijvigheid er even specifiek zijn in vernoemd als ondervoeding. Idem voor de armoededoelen: die zijn veel specifieker voor de ontwikkelingslanden. We blijven ons vastklampen aan onze superioriteit.’

Bogdan Vandenberghe (11.11.11) vindt dat de doelen goede elementen bevatten: ‘Zeker, een aantal ervan kan nog ambitieuzer worden, maar het is toch een stap vooruit dat zaken zoals klimaatverandering of ongelijkheid onder de doelen vallen. En dat zijn echt doelstellingen die van alle landen inspanningen vergen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3184   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur