2 oktober 2019: 150ste verjaardag van de man die mahātmā werd

Einstein over Gandhi: ‘Nauwelijks te geloven dat er werkelijk zo iemand op deze aarde heeft rondgelopen’

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

 

Op 2 oktober 1869 werd in Porbandar, een stadje in wat vandaag de Indiase deelstaat Gujarat is, een jongetje geboren dat de naam Mohandas Kharamchand Gandhi kreeg. Wanneer hij 78 jaar later vermoord wordt in Delhi, is hij al wereldberoemd en in zekere zin “onsterfelijk”.

Tal van latere iconen van geweldloos verzet staan op de schouders van de “mahātmā”, de “grote ziel” die India mee naar de onafhankelijkheid leidde: Albert Luthuli, de dalai lama, Aung San Suu Kyi tijdens haar jaren van eenzame opsluiting, Martin Luther King, Julius Nyerere…

De honderdvijftigste verjaardag van Gandhi’s geboorte is een goed moment om stil te staan bij de erfenis en actuele relevantie van de man waarvan Albert Einstein in 1944 zei:

‘Een Leider van zijn volk, zonder steun van enig gezag van buiten. Een politicus wiens succes niet berust op geslepenheid of listige technieken, maar simpelweg op de overtuigingskracht van zijn persoonlijkheid. Een zegevierende strijder die het gebruik van geweld altijd volstrekt heeft afgewezen. Een man van wijsheid en nederigheid, gewapend met vastberadenheid en een onwrikbare beginselvastheid, die al zijn krachten heeft gewijd aan de verheffing van zijn volk en de verbetering van hun bestaan. Een man die tegenover de wreedheid van Europa de waardigheid van de eenvoudige mens heeft gesteld en zich zo te allen tijde de meerdere toont. Toekomstige generaties zullen wellicht nauwelijks geloven dat er werkelijk zo iemand in levenden lijve op deze aarde heeft rondgelopen.’

‘Een politicus wiens succes niet berust op geslepenheid of listige technieken, maar simpelweg op de overtuigingskracht van zijn persoonlijkheid’

Waarschuwing: dit stukje is geen overzicht van de historische Gandhi. Indiaas historicus Ramachandra Guha heeft in zijn tweedelige biografie 1790 bladzijden nodig, voetnoten inbegrepen, om recht te doen aan de evolutie van die jongen uit Gujarat tot de mahātmā, van de gecomplexeerde rechtenstudent in Londen over de toevallige verdediger van burgerrechten voor Indiërs in Zuid-Afrika tot de vaak controversiële, maar altijd onmisbare voorvechter van Indiase onafhankelijkheid.

Dit is ook geen hagiografie. Die zijn er al genoeg, net als doortimmerde deconstructies van de mythe. De vraag is enkel: is Gandhi vandaag nog relevant in India en de rest van de wereld?

Het korte antwoord op die vraag is: ja, uiteraard.

Geweldloos verzet als ethisch appel

Als Mohandas Gandhi internationaal herdacht wordt vandaag, is dat zeker omwille van zijn ideeën over en zijn consequente keuze voor geweldloos verzet.

Deze verzetsstrategie heeft vandaag niet de aura die het had in de jaren 1940, toen massa-acties zoals de zoutmars of de Quit India beweging er op relatief korte tijd toe leidden dat Groot-Brittannië zijn koloniale kroonjuweel opgaf. Of in de jaren 1960, toen burgerrechtenbewegingen in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten expliciet bouwden op de inzichten en actiemethoden van Gandhi.

Het probleem zit hem vaak net in de aura, minder in de geschiedenis. Of nog beter: in de verschuiving van de geschiedenis van ahimsa, geweldloosheid, van het historische domein naar het ideologische of morele domein. Voor de meeste Europeanen is de kans groter dat ze Gandhi leerden kennen tijdens de lessen godsdienst of zedenleer dan tijdens de lessen geschiedenis.

Daardoor werden de harde debatten over de strijdmethodes en de niet zelden eigenzinnig koppige keuzes van Gandhi onzichtbaar, net als de complexiteit van de strijd in een grote en immens diverse regio als Brits Indië.

Een geur van heiligheid werd rond geweldloosheid gecreëerd, waardoor vooral burgerlijke en vrome mensen ermee aan de haal gingen

Een geur van heiligheid werd rond geweldloosheid gecreëerd, waardoor vooral burgerlijke en vrome mensen ermee aan de haal gingen, terwijl echte revolutionairen erdoor afgestoten werden. Albert Luthuli was een groot voorstander van geweldloze methodes om Apartheid te bestrijden, Nelson Mandela koos na de slachtpartij in Sharpeville voor een combinatie met de gewapende strijd. Martin Luther King hield vast aan geweldloosheid als strategie en instrument, terwijl Malcolm X de effectiviteit ervan in vraag stelde.

Die laatste tegenstelling is heel voelbaar in de dekoloniseringsstrijd van vandaag, met een omkering van de rollen bijna: Malcolm X wordt verheerlijkt, King wordt terzijde geschoven. En ook dat proces is los komen staan van de historische vraag welke aanpak uiteindelijk voor resultaat gezorgd heeft.

De geweldloze opstanden in de Arabische wereld van 2011-2012 werden op hun beurt gediscrediteerd. Ofwel door een terugkeer naar de status-ante, ofwel omdat gewapende groepen de opstand overnamen – met desastreuze gevolgen, maar onomkeerbaar.

Een van de redenen waarom geweldloos verzet aan inspiratie én effectiviteit ingeboet heeft, is ongetwijfeld dat veel regimes zich vandaag weinig gelegen laten aan een morele positie. Als ze zich moeten handhaven door geweld te gebruiken – massaal geweld, brutaal geweld of gericht geweld – so be it. Dat maakt de klassieke ahimsa bijna onmogelijk, want die doet net een appel op de menselijkheid en de moraliteit van de onderdrukker, of tenminste op het morele discours waarop die zijn regime en macht baseert.

Dat probleem stelt zich tegenover de onverkorte machtspolitici. Maar met de komst van nihilisme als onderliggende waarde – zie Trump, Duterte en in zekere zin ook Bolsonaro – dreigt elke aanspraak op ethiek helemaal een ledige aanspraak te worden. Nochtans is de omgekeerde conclusie, dat geweld een legitieme en efficiënte verzetsstrategie is vandaag, allesbehalve evident. De afwegingskaders van ahimsa blijven bijzonder relevant, zowel voor straatprotest als voor structureel verzet.

In India zelf zijn gandhiaanse bewegingen allesbehalve alomtegenwoordig, maar ze bestaan wel. Zo is er de boerenbeweging Ekta Parishad in Centraal-India en Tarun Bharat Sangh, de dorpsbeweging die in Rajasthan voor het herstel van lokaal waterbeheer zorgde. Enkele jaren geleden was er ook een heropleving van gandhiaanse waarden in de politiek, die vorm kreeg in de nieuwe partij Aam Admi. Maar dat experiment heeft zichzelf intussen niet kunnen waarmaken.

Gelijkwaardigheid in plaats van superioriteit

Voor India zelf is er misschien geen facet van de nalatenschap van Gandhi actueler en belangrijker dan de visie die Gandhi ontwikkelde op onafhankelijkheid en staat. Zijn strijd tegen de koloniale bezetting door Groot-Brittannië was niet gebaseerd op nationalisme, maar op de overtuiging dat Indiërs perfect in staat waren zichzelf te besturen.

Ghandi’s verzet had menselijke waardigheid en gelijkheid als fundament, niet een gekwetst superioriteitsgevoel. In de periode van de onafhankelijkheidsstrijd zelf botste Gandhi daarover al met de hindoenationalisten. Die laatsten haalden veel van hun inspiratie bij Europese nationalistische denkers zoals Guiseppe Mazzini.

Gandhi stond een Hind Swaraj voor, een India dat sterk op eigen benen stond, terwijl zijn rechtse tegenstanders voor Hindoestan pleitten: een India dat niet zijn diversiteit vierde, maar dat verenigd werd door één religie als gedeelde identiteit. Dat er nauwelijks iets als een eengemaakt hindoeïsme bestond, deerde de hindoenationalisten niet: zij zouden de anarchistische veelheid aan goden en cultussen wel stroomlijnen tot een hanteerbare ideologie.

Gandhi wou een India dat sterk op eigen benen stond. Zijn rechtse tegenstanders pleitten voor een India dat niet zijn diversiteit vierde, maar dat verenigd werd door één religie als gedeelde identiteit

Vinayak Damodar Savarkar, een van de belangrijkste ideologen van het hindoenationalisme dat India vandaag politiek domineert, stelde dat inwoners alleen echte burgers van India konden zijn als India niet alleen hun geboorteland (matrubhoomi) was, maar ook hun heilige land (punyabhoomi). Daarmee verklaarde hij moslims en christenen als wezenlijke buitenstaanders in het land waar hindoes (waartoe volgens deze redenering ook boeddhisten, jains en sihkhs behoorden) thuis waren en dus hoorden te heersen.

Hoe scherp de tegenstellingen tussen de seculiere en op diversiteit gefundeerde visie van Gandhi enerzijds en het op cultureel-religieuze gronden gevestigde hindoenationalisme van Savarkar anderzijds waren, bleek toen Gandhi eind januari 1948 vermoord werd. De dader was een militant van de RSS, een hindoenationalistische voorhoede-organisatie.

De RSS werd verboden, maar kreeg later toch opnieuw toestemming om bovengronds te functioneren. Huidig premier Narendra Modi is jarenlang een voltijds vrijwilliger geweest van de RSS en beschouwt de leiding van die organisatie nog altijd als leidinggevend voor het beleid van zijn partij, de BJP, en zijn regering.

Interessant voor hedendaagse discussies, ook buiten India, is dat Gandhi wellicht een veel consequenter praktiserende hindoe was dan de voortrekkers van het hindoenationalisme. Zijn keuze voor een seculiere staat was niet gebaseerd op verwerping van religie, maar op de overtuiging dat alle religies in wezen gelijkwaardig zijn en enkel in een seculiere staat gelijk behandeld kunnen worden.

 

Visie loopt voor op praktijk

In het slothoofdstuk van Gandhi. De legendarische jaren somt Ramachandra Guha de thema’s op die volgens hem de pijlers zijn van Gandhi’s erfenis:

  • het geloof in en de inzet voor interreligieuze dialoog;
  • de strijd tegen onaanraakbaarheid als instelling die de hiërarchische kastensamenleving onderbouwde;
  • de overtuiging dat gendergelijkheid essentieel is;
  • geweldloos verzet als efficiënt instrument voor maatschappelijke verandering én als morele keuze;
  • ecologisch bewustzijn en lokalisering van economie en samenleving.

Op geen van deze punten is het traject van Mohandas Gandhi onbesproken. Zo botste zijn principiële keuze voor gendergelijkheid op zijn cultureel diep ingebakken reflex om zich zelf te gedragen als een patriarch. Er zijn ook een aantal studies die de nadruk leggen op wat vandaag grensoverschrijdend gedrag zou heten.

Dan gaat het onder andere over Gandhi’s zelfkastijdingsexperiment met zijn minderjarige achternicht Manu, met wie hij samen in hetzelfde bed sliep om voor zichzelf te bewijzen dat hij ook in gedachten onthecht was van “vleselijke lusten”. Of er is de biografie door Lelyveldt, die beweert dat Gandhi homoseksueel of minstens biseksueel was.

Kortom: aan controverse rond Gandhi’s verhouding tot de andere sekse geen gebrek. Toch waren er in elk geval meer vrouwen in leidende functies met een raadgevende rol in zijn omgeving dan in de meeste andere bewegingen van zijn tijd. Dat er geen feministische bewegingen zijn die expliciet verwijzen naar Gandhi’s erfenis, is begrijpelijk. Maar zijn praktijk was wellicht in de context van zijn tijd en cultuur wellicht toch beter dan het vandaag lijkt.

Ambedkar: ‘Het zijn niet de mensen die in de fout gaan als ze zich aan het kasten-onderscheid houden, maar hun religie, door deze kasten op te leggen’

Ook de houding van Gandhi tegenover het kastensysteem is fel bediscussieerd, ook vandaag nog. Wat dit thema betreft, botste Gandhi met B.R. Ambedkar, toen de belangrijkste voorvechter van rechten voor de dalit (onaanraakbaren). ‘Het zijn niet de mensen die in de fout gaan als ze zich aan het kastenonderscheid houden. Het is hun religie die in de fout gaat door deze notie van kaste op te leggen’, schrijft hij in zijn indrukwekkende toespraak Annihilation of Caste, die in 1936 geprogrammeerd en op het laatst geannuleerd werd.

In de correspondentie met Gandhi, die volgt op de publicatie van de tekst, maakt Ambedkar — zelf van dalit-afkomst — het nog explicieter: ‘Als ik walg van hindoes en hindoeïsme, dan is dat omdat ik ervan overtuigd ben dat ze de verkeerde idealen aanhangen en een verkeerd sociaal leven leiden. Maar mijn meningsverschil met hindoes en hindoeïsme gaat niet over de onvolkomenheden van hun sociaal gedrag. Het is veel fundamenteler. Het gaat over hun idealen.’

Voor Gandhi was de aanval op het hindoeïsme zelf zowel fundamenteel als tactisch onaanvaardbaar. Schrijfster en activiste Arundhati Roy koos enkele jaren geleden onvoorwaardelijk de kant van Ambedkar in dit dispuut. In het essay The Doctor and the Saint argumenteert ze dat Gandhi geen afstand kon en wilde nemen van de grondslagen van het hindoeïsme, waartoe kaste en dharma onlosmakelijk behoren.

‘God verhoede dat Indië ooit op westerse wijze gaat industrialiseren’

Historicus Ramachandra Guha is het daar niet mee eens. Hij citeert Gandhi (al in 1915): ‘Als mij het bewijs werd geleverd dat dit een essentieel onderdeel van het hindoeïsme vormt, zou ik openlijk stelling nemen tegen het hindoeïsme zelf.’ Gandhi doorbrak de onaanraakbaarheid van dalits in elk geval in zijn eigen ashram, maar slaagde er niet in om de ontluikende dalitbeweging zelf de regie van hun emancipatie te geven.

Een beetje vergelijkbaar met zijn principiële visie op gendergelijkheid, die hij ook niet ten volle kon realiseren.

Gevecht tegen de sprinkhanen

Ook de ideeën over ecologische duurzaamheid bij Gandhi zijn omstreden.

Niet dat er veel twijfel was over zijn doorzicht in een aantal fundamentele oorzaken van wat vandaag de klimaat- en duurzaamheidscrisis is, die de hele wereld en vooral de menselijke beschaving bedreigt.

Zo zei hij in 1928 al: ‘God verhoede dat Indië ooit op westerse wijze gaat industrialiseren. Het economisch imperialisme van één klein eilandkoninkrijk houdt de wereld vandaag in ketens gevangen. Als een heel land van 300 miljoen inwoners tot eenzelfde soort economische uitbuiting zou overgaan, zou het als sprinkhanen de wereld kaalvreten.’

Gandhi’s recepten om de ecologische crisis aan te paken: dorpseconomie, handenarbeid, radicale soberheid.

Met andere woorden: Gandhi besefte dat koloniaal of gemondialiseerd kapitalisme een van de grondoorzaken was van een in zijn tijd beginnende ecologische crisis. Dat is visionair en blijkt met de dag correcter.

De controverse gaat eerder over zijn recepten om die crisis aan te pakken. De keuze voor dorpseconomie, handenarbeid en radicale soberheid is vaak, ook door voorstanders, voorgesteld als recepten om de modernisering radicaal af te wijzen.

Critici vragen zich af of dat niet betekent dat de ecologische houding van Gandhi resulteert in het veroordelen van honderden miljoenen mensen tot blijvende onwetendheid en armoede. In die zin is de visionaire ecologist tegelijk een van de grootste problemen voor de hedendaagse ecologische beweging, die technologische spitstechnologie wil combineren met een ecologische economie en levensstijl.

De man in het midden

Een laatste opmerking over de man die mahātmā werd: door steeds belangrijker te worden en centraler te komen staan in de historische ontvoogdingsstrijd, ging Gandhi zichzelf ook steeds meer beschouwing als bepalend voor de geschiedenis.

Het gaat om een dubbele beweging: enerzijds heeft hij zijn hele leven ingezet voor recht, rechtvaardigheid, waardigheid en ontvoogding. Anderzijds ging hij in toenemende mate geloven dat dat levensengagement bepalend was voor de uitkomst van de soms chaotische strijd. Meer bepaald geloofde Gandhi dat hij verantwoordelijk was voor de communautaire samenhang (of het conflict) tussen hindoes en moslims.

‘Ik wil het beste bindmiddel tussen de twee gemeenschappen worden’

‘Ik wil het beste bindmiddel tussen de twee gemeenschappen worden’, zei hij al in 1924. Acht jaar later klonk het: ‘Ik wil door geduldige overreding verandering tot stand brengen.’ En toen het communautaire geweld in 1946 steeds moeilijker te bedwingen werd, vroeg hij zich af of dat het gevolg was van zijn eigen onvolkomenheden.

Het was daarom dat hij het controversiële experiment met experiment met zijn achternicht Manu begon, in de hoop niet alleen zichzelf te zuiveren, maar daardoor meteen ook de natie.

Misschien was het net die overtuiging die Nathuram Godse in 1948 ertoe aanzette om Gandhi neer te schieten tijdens een gebed: hij hoopte daarmee de geschiedenis te keren, de opdeling van Indië ongedaan te maken, de suprematie van de hindoes in Hindoestan te vestigen. De geschiedenis gaf Godse ongelijk. Al verdween met de mahātmā niet enkel een man, maar ook een motor van geschiedenis.

 

Gandhi. De jonge jaren door Ramachandra Guha. Uitgegeven door Nieuw Amsterdam. 720 blzn. ISBN 978 90 4681 652 3
Gandhi. De legendarische jaren door Ramachandra Guha. Uitgegeven door Nieuw Amsterdam. 1071 blzn. ISBN 978 90 4682 372 9
Gandhi. Een geïllustreerde biografie door Pramod Kapoor. Uitgegeven door Lannoo. 327 blen. ISBN 978 90 401 4433 57
Annihilation of Caste door B.R. Ambedkar, met een inleidend essay door Arundhati Roy is uitgegeven door Verso. 415 blzn. ISBN 978 1 78478 352 5
Hindutva or Hind Swaraj door U.R. Ananthamurthy. Uitgegeven door Harper Perennial. 122 blzn. ISBN 978 93 5177 570 6

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur