Dossier: 
In Europa moeten Duitsers en Kosovaren het meest plaatsmaken voor de mijnindustrie

Elke gedwongen verhuizing doet pijn

© Valerie Plesch

Het skelet van een verlaten huis in Hade, Kosovo. Inwoners van dat dorp werden twee keer geëvacueerd op tien jaar tijd, na verzakkingen door de mijn en later voor de uitbreiding ervan.

Overal ter wereld maken mensen plaats voor de mijnindustrie. Onder dwang, voor het economisch belang. Deze verhuizingen gebeuren niet alleen in Verweggistan, maar ook bij ons. De industrie heeft geleerd ermee om te gaan, maar elke verhuizing wekt frustratie. ‘God schiep onze streek,’ zeggen gedupeerden in Duitsland, ‘en de Duivel heeft er kolen onder verstopt.’

Zestien jaar geleden stond de mijn in Kiruna, Zweden, op instorten. Maar de paniek duurde niet lang. De ingenieurs van LKAB, de uitbater, waren er gerust op: de mijn zou blijven draaien.

Onder Kiruna zit de grootste ijzerertsmijn van Europa. De uitbater beweert dat Kiruna 90 procent van al het Europese ijzer opgraaft, ‘genoeg om elke dag zes Eiffeltorens mee te bouwen’.

Het is daaronder een labyrint van tunnels. Er rijden trucks door en er staan indrukwekkende simulatiefilmpjes op het web, van hoe het erts met liften naar het oppervlak gaat, bijvoorbeeld. En in 2017 kwam de thrillerserie Midnight Sun op de buis, die haar ontknoping kende in het hart van de mijn.

Boven de mijn staat een stad van 18.000 mensen, de meest noordelijke van Zweden. Om niet te moeten stoppen met delven, tekende LKAB een plan uit om Kiruna vanaf 2014 met hebben en houden te verhuizen. Met Scandinavische grondigheid werden er data op geplakt. Aan alles werd gedacht: wegen en spoorlijnen moeten worden omgelegd, bijzondere houten huizen worden ingepakt.

Drie kilometer van de historische locatie verrijst nu en de komende jaren Nieuw Kiruna… dat zelfs op een volgende verhuizing voorzien wordt. In Kiruna worden al vanaf de jaren 1970 gebouwen gesloopt, om plaats te maken voor de industrie. De bewoners zijn dat zogenaamd gewoon.

Er gaat geen dag voorbij of ergens dringt een mijn zich op aan lokale inwoners. En bijna altijd komen daar conflicten van.

Maar elke gedwongen verhuizing slaat wonden, hoe vaktechnisch correct ze ook wordt uitgevoerd. Toen de Amerikaanse multinational Phelps-Dodge in 2007 in Fungurume, Katanga, de grootste nieuwe kopermijn van Congo opstartte, verkenden (en effenden) Belgische antropologen het terrein. Het voorkwam niet dat drie dorpen op vrachtwagens werden geladen en aan de andere kant van Fungurume werden gedumpt, waar de inwoners onder plastic zeilen het vervolg afwachtten.

Phelps was razend toen dat wereldkundig werd gemaakt. De firma had namelijk een plan om nieuwe woningen te bouwen, en voerde het uit ook. Maar op dat moment heerste er alleen machteloze onzekerheid.

Mijnen verplaatsen mensen, ze jagen ze meestal niet als migranten op de vlucht. Maar dat maakt zo’n verhuizing niet makkelijker om dragen. Mensen zijn verknocht aan hun plek, zelfs als het daar moeilijk wonen is. Stuur hen weg, rafel hun wijkweefsel uit elkaar en je zadelt hen op met stress, trauma’s en verpaupering.

Er gaat geen dag voorbij of ergens dringt een mijn zich op aan lokale inwoners. En bijna altijd komen daar conflicten van. Want hoe mensen zich dan voelen, hoe miserabel vooral, dat kan niet worden ingecalculeerd op tekentafels.

© Raf Custers

Er gaat geen dag voorbij of ergens dringt een mijn zich op aan lokale inwoners. In 2007 ruimde het Congolese dorp Mulumbu, in Katanga, plaats voor een nieuwe kopermijn.

Aanbevelingen

Mijnen van steenkool of erts graven tot ze leeg zijn, dat is eigen aan deze industrie. Zolang er erts is, zolang er geld verdiend wordt, is stoppen is geen optie. Staatsbedrijf LKAB kan zeker nog decennia voortwerken.

En of de mijn nu ondergronds opereert of in de openlucht, ingenieurs brengen continu in kaart waar de exploiteerbare voorraden zitten en spreken die vervolgens aan. Staan er enkele huizen, dorpen of, zoals in Kiruna, hele steden in de weg, dan moeten die wijken. Want wie een omelet wil bakken, moet eieren klutsen. Of zoals LKAB het zegt: ‘Het erts schept welvaart.’

Mijnexperts bij de industrie en de Wereldbank weten al lang dat hun werk weerstand opwekt. Eind jaren 1990 begonnen ze te bekijken hoe ze konden omgaan met die weerstand. Negen topbedrijven vormden een werkgroep om de sector weer respectabel te maken en goodwill te scheppen, bij de publieke opinie en bij investeerders.

De boodschap was: mijnbouw is van essentieel belang voor ‘de omschakeling naar duurzame patronen van economische ontwikkeling’. Dat staat te lezen in het rapport dat toenmalig Rio Tinto-topman Robert Wilson opstelde voor een Davos-bijeenkomst van big bosses uit de mijn- en metaalindustrie in 2000.

Jim Cooney van de mijnfirma Placer Dome zei dat mijnbouwers evengoed van de overheid als van de bevolking een vergunning moesten krijgen om te werken. Hij noemde het een social licence to operate. Hij vermeldde het begrip in 1997 op een congres van de Wereldbank over ‘Mining — The next 25 years’. Uit de werkgroep op dat congres groeide een denktank, de International Council for Mining and Metals (ICMM). Die zet het zendelingenwerk voort.

De Wereldbank formuleerde aanbevelingen voor industriële projecten waarin ze investeert. In 2006 publiceerde ze een set van performance standards voor ecologische en sociale duurzaamheid. Voor de mijnbouw is standaard nummer vijf (PS-5) van belang. Die gaat expliciet over ‘het verwerven van land en onvrijwillige verhuizing’. De eerste regel is: probeer verhuizing te vermijden of hou ze zo beperkt mogelijk. Maar het is niet omdat er aanbevelingen zijn, dat ze ook gevolgd worden.

Bruinkool tegen armoede

Kosovo ligt bovenop een massieve klomp bruinkool. Toen Kosovo nog tot Joegoslavië behoorde, werd de bruinkool uitgebaat door de staat en opgestookt in centrales om er stroom op te wekken. Wilde een mijn nieuwe reserves uitbaten, dan nam ze gewoon het land dat voor de uitbreiding nodig was. SMELT heette die methode: stepwise mining expansion and land take. Stapsgewijs de mijn uitbreiden en het land innemen.

Het bestuur evacueerde een deel van de bewoners. 158 huishoudens werden onder dwang verjaagd. Bulldozers sloopten de huizen van 22 gezinnen die weigerden te vertrekken.

Na de onafhankelijkheid (in 1999) stond Kosovo onder voogdij van de Verenigde Naties en kreeg het westerse assistentie, onder meer van de Wereldbank en de Verenigde Staten. Zij vormden een hybride westers-Kosovaars bestuur. Samen zouden zij de Kosovaren uit de armoede trekken. Het bestuur vond dat er daarom meer elektriciteit en dus meer bruinkool nodig was.

Maar de praktijk bleef even autoritair. In 2002 zakte de rand van de woonkern weg in Hade, een dorp ten westen van de hoofdstad Pristina. Dat kwam door toepassing van de SMELT-methode. Het bestuur evacueerde een deel van de bewoners. 158 huishoudens werden onder dwang verjaagd. Bulldozers sloopten de huizen van 22 gezinnen die weigerden te vertrekken. Tien jaar later had een deel van de groep nog altijd geen definitieve woonst gekregen.

De westerse geldschieters stonden erop te kijken. De blunders stapelden zich op. Op het moment van de evacuatie werden in dezelfde streek 15.000 hectaren grond voorbestemd voor een nieuwe mijn, in Sibovc. Het getroffen dorp Hade was een van de gemeenten die door Sibovc geamputeerd zouden worden. Opnieuw.

Europe-Aid, het hulpprogramma van de Europese Unie, liet het Sibovc-plan onderzoeken en concludeerde in een rapport dat juist de gedwongen verhuizing en hervestiging van bewoners het grootste obstakel was voor de mijnuitbreiding. Maar na dat rapport ging er opnieuw meer financiële steun naar Kosovo. De technische conclusies werden in de wind geslagen.

Nieuwe studies brachten aan het licht dat voor het Kosovo Power Project (KPP) alweer 7000 mensen verhuisd zou worden. Een nieuwe grondwet voorzag dat mijnprojecten van strategisch belang waren en dat particuliere eigenaars er nagenoeg niets tegen in konden brengen.

Kosovo’s middenveld vroeg aan specialist Theodore Downing om het KPP door te lichten. Zijn oordeel was onverbiddelijk: dit stemt in geen enkel opzicht overeen met welke internationale standaard voor onvrijwillige verhuizing dan ook. Nochtans zegde de Wereldbank het KPP eerst (voorwaardelijke) steun toe. Het trok die belofte pas vijf jaar later, in 2018, in. Niet vanwege het voortdurende gesleur met mensen, maar ‘omdat wij voor de goedkoopste optie moeten gaan en hernieuwbare energie nu goedkoper is dan energie uit kool’.

© Raf Custers

Tangiza in Zuid-Kivu, Congo. Het dorpje verdween voor een goudmijn van Banro. Het bedrijf verplaatste de bewoners naar de top van de heuvel.

Vattenfall: niet beter dan de rest

De EU-geldschieters, met name het EU-agentschap dat geld verdeelde voor de heropbouw van Kosovo (EAR), bestelden in 2005 een rapport over een plan voor de nieuwe Sibovc-mijn. De studie werd hoofdzakelijk door Vattenfall uitgevoerd. Hun ingenieurs golden als dé Europese specialisten die wisten hoe mijnbedrijven met gedwongen verhuizing moesten omgaan.

Vattenfall, een energiegroep van de Zweedse staat, had ervaring opgedaan in Duitsland. De Zweden hadden zich namelijk vanaf het jaar 2000 ingekocht in een bruinkoolcomplex. Het ging om een complex in de Lausitz, de streek rond Cottbus aan de grens met Polen. Behalve vier centrales waar bruinkool werd gestookt, trok Vattenfall daar ook vijf bruinkoolmijnen in zijn portefeuille.

Na de Wende (toen Oost-Duitsland bij het Westen werd gevoegd) en de privatisering van Oost-Duitse staatsbedrijven, was de Lausitz doortastend gerationaliseerd. Mijnen gingen dicht en mijnwerkers verloren hun job. Mijnen die rendabel werden geacht, breidden uit. De nieuwe, westerse bazen wilden beter doen dan de vroegere staatsmanagers en waren vatbaar voor experimenten.

Zo bijvoorbeeld in het dorp Kausche, dat was opgeofferd voor de uitbreiding van de bruinkoolmijn van Welzow. Om de bewoners gerust te stellen, sloten de mijnuitbater en de deelstaat Brandenburg er in 1993 een akkoord.

Dat verliep niet vlekkeloos, de bewoners van Kausche waren voor voldongen feiten gesteld. Maar het akkoord gold nadien wel als een modeltekst voor andere gevallen van gedwongen verhuizing. Hier was een ‘sociale en democratische rechtsstaat’ aan het werk, stond enigszins propagandistisch in de inleiding van het akkoord. Het uitgangspunt was dat de mijnfirma bij de gedwongen verhuizing verplicht was rekening te houden met de omwonenden. Dat zette een nieuwe standaard.

In een eeuw tijd moesten in de Duitse Lausitz-streek 30.000 mensen opkrassen voor de mijnindustrie. Meer dan 130 dorpen verdwenen in de bruinkoolputten.

Technici die Kausche hadden meegemaakt, kwamen nadien bij Vattenfall in dienst. Zij wisten uit eerdere cases wat werkte en wat niet. Vattenfall sprak dus met enig gezag over de situatie in Kosovo. Dit werkt niet, dit is gedoemd te mislukken, schreven de rapporteurs in 2005. De ondernemers hadden volgens hen de kunde noch de centen om 700 huishoudens te doen opkrassen. Die prognose werd daarna ruimschoots bevestigd.

Maar Vattenfall zelf gaat niet vrijuit. De Zweedse groep volgde in Oost-Duitsland de aanpak waarvoor hij in Kosovo zelf zo had gewaarschuwd. De mijn van Welzow en de vier andere Vattenfallmijnen bleven er aan hun omgeving vreten. Die expansie voedde de protesten in de Lausitz.

Er wordt beweerd dat lokale bewoners de mijn gewoon zijn en er de ongemakken bijnemen. Dat is romantiek. In Cottbus hebben ze een spreekwoord: ‘Gott hat die Lausitz geschaffen, aber der Teufel hat die Kohle darunter gelegt.’ God schiep onze streek, maar de duivel heeft er kolen onder verstopt. In een eeuw tijd moesten in deze streek 30.000 mensen opkrassen voor de mijnindustrie. Meer dan 130 dorpen verdwenen in de bruinkoolputten.

Bruinkool hoort bij de meest CO2-schadelijke fossiele brandstoffen. In 2016 besliste Vattenfall zijn koolstofuitstoot te beperken en deze bedrijfstak af te stoten. De milieubewegingen in Duitsland en Polen vroegen toen dat Vattenfall zijn bruinkoolmijnen zou sluiten. Maar de Zweedse groep koos voor cash en verkocht zijn vijf mijnen aan Tsjechische investeerders, die niet van plan zijn om met bruinkool te stoppen.

Slecht gedrag

Duitsland (met 16 gevallen) en Kosovo (met 2) zijn de Europese uitschieters op een lijst van 270 steekkaarten, een inventaris van gemeenschappen die door mijnbedrijven zijn verjaagd. Die Mining Induced Displacement and Resettlement-dataset
(MIDR) wordt bijgehouden aan de Queenslanduniversiteit in Australië.

De lijst is niet volledig. ‘We hebben enkel het oppervlak afgetast’, mailt coauteur John Owen. Veel landen komen nog niet in de lijst voor, ‘terwijl we weten dat daar actief maar zonder veel regels aan mijnbouw wordt gedaan’. Over andere landen, zoals China, is volgens Owen te weinig informatie voorhanden. India springt in het oog, met liefst 53 van de 270 gevallen op de MIDR-lijst. De meeste zijn voor rekening van staatsbedrijven.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Opvallend is dat betrokken ondernemingen in de meerderheid van de gevallen (140 om precies te zijn) op voorhand géén herhuisvestingsplan hebben opgesteld. En, nog opvallender, dat ze hun voornemens al helemaal niet aan het publiek voorleggen. In 219 gevallen bleek er geen Public Plan Document te zijn.

John Owen is voorzichtig met conclusies. Toch stelt hij ‘dat de mijnindustrie zich niet gedraagt. Mensen zijn veel attenter, en banger, voor verhuizing. Een tendens is dan dat ondernemingen verhuizing vermijden, tot het niet langer anders kan. Niet alle ondernemingen gedragen zich zo. Maar het is wel een trend.’

Grote ondernemingen doen het beter dan de kleine. Maar echt overleg komt er meestal niet te pas aan hun operaties. De mijnindustrie is ook uitermate volatiel, ze reageert schokkerig op ontwikkelingen in de markt. Schiet vanochtend de prijs van het goud omhoog, dan heeft een aantal koplopers vanavond alweer nieuwe mijnen opengedaan. En vice versa: boert de vraag naar een grondstof achteruit, dan worden er meteen productie-units op non-actief gezet. Zeldzaam is de mijn die dat met de buren bespreekt.

Dit artikel werd geschreven voor het zomernummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver, journalist en onderzoeker

    Raf Custers is onderzoeker bij Gresea (Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative). In 2013 publiceerde hij het boek Grondstoffenjagers.