II. Globalisering baart opkomende landen en ongelijkheid

Het begin van vele geschiedenissen

Mo* blikt de komende dagen terug op de kwarteeuw sinds de Val van de Berlijnse Muur. Vandaag bekijken we hoe na het einde van het communisme, het kapitalisme weer de hele wereld inpalmde. Die globalisering dempte de Noordzuidkloof een beetje, opende de deur voor de grote terugkeer van China, maar deed tezelfdertijd de inkomensongelijkheid in de meeste landen groeien. 

 

  • Dominic Rivard (CC BY-ND 2.0) Ongelijkheid is terug van nooit weggeweest. Dominic Rivard (CC BY-ND 2.0)
  • Trey Ratcliff (CC BY-NC-SA 2.0) Maquette van Shanghai. Trey Ratcliff (CC BY-NC-SA 2.0)

De voorstanders wezen erop dat mondialisering voor iedereen goed zou zijn: de ontwikkelingslanden zouden erop vooruit gaan en zouden nieuwe afzetmarkten worden voor de rijke landen. Ook onze vakbonden geloofden erin.

En het klopte. Mondialisering opende een deur voor ontwikkelingslanden die er klaar voor waren, het goed aanpakten en voldoende “sexy” waren: zij konden kapitaal, technologie en knowhow uit de rijke landen aantrekken en hun producten wereldwijd uitvoeren.

China is daarvan hét grote voorbeeld. De andere Aziatische reus, India, volgde voorzichtig. Dat China in 2001 lid werd van de Wereldhandelsorganisatie bleef haast onopgemerkt maar had grote gevolgen. Het land kreeg zo toegang tot de markten van de rijke landen en kon het mondiale productieatelier van de multinationals worden.

We beseffen het hier te weinig, maar in veel ontwikkelingslanden zijn dit hoopvolle tijden.

We wisten het toen nog niet, maar daarmee liep tweehonderd jaar westerse dominantie op haar einde. Een grote nieuwe wending is aan de gang. Zeker, de meeste westerse kolonies waren op dat moment al decennia onafhankelijk, maar dat had de verhoudingen niet echt veranderd. Tot lang na de dekolonisering bleef het Westen militair, economisch en technologisch dominant.

Die machtsbasis begon pas echt af te kalven na de Val van de Muur. China begon aan zijn opmars, met in zijn kielzog de meeste ontwikkelingslanden. De Chinese boom deed de vraag naar grondstoffen exploderen – China was in zijn eentje goed voor de helft van de wereldvraag naar ertsen. Dat liet de kassa van de vele ontwikkelingslanden (Angola, Peru, Congo, Bolivia…) die leven van grondstoffenexport rinkelen. Hun bruto nationaal product groeide sterk, wat nog niets zegt over hoe die groeiende koek er werd verdeeld – meestal erg ongelijk. Latijns-Amerika – veel land, water, grondstoffen en relatief weinig mensen – profiteerde sterk van de grondstoffenexplosie en koos voor zijn eigen varianten van socialisme en sociaaldemocratie. Waardoor zijn traditioneel hoge ongelijkheid wat verminderde.

Arvind Subramanian en Martin Kessler berekenden vorig jaar dat tussen 1960 en 2000 nog geen dertig procent van de ontwikkelingslanden sneller groeide dan de VS. Tussen 2000 en 2011 was negentig procent van de ontwikkelingslanden in dat geval. De crisis versterkte die dynamiek nog. China wordt wellicht dit jaar al ’s werelds grootste economie. We beseffen het hier te weinig, maar in veel ontwikkelingslanden zijn dit hoopvolle tijden. De grote vraag is welke geschiedenis de opkomende landen gaan schrijven.

Trey Ratcliff (CC BY-NC-SA.0)

Maquette van Shanghai.

Ongelijkheid is terug 

In de VS bezit één procent van de bevolking 35 procent van het vermogen, in de EU is dat een kwart.

Mondialisering was ook een deur voor individuen die ze wisten te vinden. Het IJzeren Gordijn was er in de eerste plaats geweest om mensen (en geld en goederen) tegen te houden. Toen het verdween, gingen de migratiesluizen open voor inwoners uit het voormalige Oostblok en alle Aziatische landen ten oosten daarvan. De Europese uitbreiding legaliseerde bovendien de migratie vanuit Oost-Europa. Ook uit Afrika nam de stroom almaar toe: de Middellandse Zee werd een massagraf.

De migratie gaf kansen aan immigranten, maar stootte ook op weerstand. Autochtonen voelden zich bedreigd in hun baan en hun tradities. Heel wat rijke landen zagen succesvolle antimigratiepartijen ontstaan.

Mondialisering had immers ook verliezers. Doordat er geen sociale regels waren in deze mondialisering, moesten de werknemers in de rijke landen concurreren met mensen die hetzelfde werk wilden doen tegen veel slechtere voorwaarden – in 2000 verdienden Chinese arbeiders 60 euro per maand voor ellenlange werkdagen. Dat zette de lonen van een deel van de westerse middenklasse onder druk, een deel van hun banen verdween naar lagereloonlanden.

Bezitters van kapitaal of speciale talenten profiteerden dan weer van de globalisering. Gevolg van dat alles is dat de ongelijkheid tussen landen wat afnam, maar dat binnen de meeste landen de inkomensongelijkheid sterk groeide en de vermogensongelijkheid nog sterker. Economen als Thomas Piketty brachten die evolutie de voorbije jaren steeds duidelijker in kaart. In de VS bezit één procent van de bevolking 35 procent van het vermogen, in de EU is dat een kwart. Het kapitalisme zo bijsturen dat alle mensen een aanvaardbaar deel van de koek krijgen, wordt een van de grote uitdagingen van de 21ste eeuw.

Dit stuk verscheen in het winternummer van MO*Word nu abonnee!

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur