Reis mee door Israëlische apartheid en kolonisatie van Palestina

De truckaanval op Israëlische soldaten in Oost-Jeruzalem heeft de aandacht op het Palestijnse verzet gevestigd. Toch blijft de oorzaak van het geweld zelf buiten beschouwing. Reis mee door de jarenlange opbouw, in 2017 een halve eeuw, van een ingenieuze Israëlische afscheidingsinfrastructuur die de annexatie van Palestina voorbereidt. 

© Pieter Stockmans

 

Israël bouwt een infrastructuur van afscheiding in de bezette Westelijke Jordaanoever. Daar kan je niet kijken naast de nederzettingen voor Israëlische burgers en de infrastructuur die daarmee gepaard gaat: tunnels, controleposten, uitkijktorens, prikkeldraad, terminals, wegversperringen, kolonistenwegen, een hek en een muur dwars door Palestijnse landbouwgronden, dorpen en steden.

Deze bezettingsinfrastructuur is een instrument in handen van het Israëlische leger om de bewegingsvrijheid van 2,5 miljoen Palestijnen te reguleren in functie van de aanwezigheid van Israëlische kolonisten.

Israël verandert het fysieke en demografische karakter van de bezette Westelijke Jordaanoever onomkeerbaar, om de zones waar de Israëlische nederzettingen gelegen zijn uiteindelijk te annexeren bij Israël.

De kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever begon in 1967. Een halve eeuw later leven er meer dan een half miljoen Israëlische kolonisten.

Dat gaat ten koste van de lokale Palestijnse bevolking, die wordt opgesloten in enclaves en gedwongen in een keurslijf van vergunningen voor alles en nog wat. Tot vandaag kijkt de wereld toe hoe Israël straffeloos de wapenstilstandslijn van 1948 verder uitwist. Israël dankt zijn bestaan aan een beslissing van de Verenigde Naties: resolutie 181 van de Algemene Vergadering in 1947. Toen Israël tot de VN werd toegelaten stopte het grondgebied aan de lijn van het wapenstilstands-akkoord van 1949, de zogenaamde “Groene Lijn”. De delen van het Britse mandaatgebied Palestina ten oosten van Groene Lijn zijn onder internationaal recht nooit vatbaar voor eenzijdige annexatie en Israël kan er zijn eigen burgers niet vestigen.

Na een gewapend conflict in juni 1967 veroverde Israël toch die gebieden op Jordanië – de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem – en bezette ze. De Westelijke Jordaanoever kwam onder militaire bezetting, een militaire dictatuur zeg maar. Oost-Jeruzalem werd later geannexeerd en kwam net zoals de rest van Israël onder civiel Israëlisch bestuur.

De unilaterale annexatie van Oost-Jeruzalem schendt artikel 43 van de Conventie van Den Haag van 1907, die deel uitmaakt van het internationaal gewoonterecht dat ook Israël bindt. Een bezettingsmacht kan zijn eigen rechtssysteem niet opleggen in bezet gebied.

De annexatie werd niet erkend door de internationale gemeenschap, zoals bevestigd in resolutie 252 van de VN Veiligheidsraad van 21 mei 1968 en resolutie 242 van 22 november 1967. Geannexeerd of niet, Oost-Jeruzalem blijft bezet gebied onder internationaal recht.

In beide gebieden ging al snel na 1967 de kolonisatie van start. Een halve eeuw later leven meer dan een half miljoen Israëlische kolonisten in tientallen nederzettingen en “buitenposten”.

De Israëlische regering moedigt Israëlische burgers en joden uit de diaspora met allerlei maatregelen aan om te verhuizen naar de nederzettingen. Die nederzettingen zijn illegaal volgens artikel 49 van de Vierde Conventie van Genève: “De bezettingsmacht kan delen van haar eigen burgerbevolking niet overbrengen naar gebied dat het bezet houdt.”

Een bezettingsmacht kan volgens die Conventie, waarbij Israël partij is, de demografische realiteit in bezet gebied niet veranderen.

De Veiligheidsraad van de VN riep Israël in resolutie 465 van 1 maart 1980 op om “de bestaande nederzettingen te ontmantelen en dringend te stoppen met de bouw en de planning van nederzettingen in de Arabische gebieden bezet sinds 1967, met inbegrip van Jeruzalem.”

Internationaal Gerechtshof: “De bouw van de muur is een poging om grondgebied te annexeren in strijd met internationaal recht.”

Het Internationaal Gerechtshof bevestigde in een advies over de Israëlische annexatiemuur dat de nederzettingen “werden gebouwd in strijd met het internationaal recht.” Het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, dat de meest volledige opsomming van oorlogsmisdaden bevat, rekent volgende oorlogsmisdaad tot de jurisdictie van de rechtbank: “Overdracht, direct of indirect, door de bezetter van delen van de eigen burgerbevolking naar het gebied dat het bezet houdt, indien deze maatregelen onderdeel zijn van een beleid.”

In 2017 houdt Israël de Westelijke Jordaanoever 50 jaar bezet. In het jaar van deze trieste verjaardag treedt Donald Trump aan als president van de Verenigde Staten en klinken de stemmen voor een Israëlische annexatie van bezet Palestina luider dan ooit.

Israël lijft een groot deel van het gebied in, achter een muur of een hek. Het Internationaal Gerechtshof stelde in 2004 dat de bouw van de muur “een poging is om grondgebied te annexeren in strijd met internationaal recht” en dat de route van de muur door de Israëlische regering werd vastgesteld om 80 procent van de kolonisten in bezet gebied bij Israël in te lijven.

Uit consistente en opeenvolgende resoluties van de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties blijkt nochtans dat het grondgebied ten oosten van de Groene Lijn bestemd is voor een onafhankelijke Palestijnse staat.

© Pieter Stockmans

Een Palestijnse vrouw met in de achtergrond een Israëlische nederzetting gebouwd op het land van haar grootvader.

Ruimtelijke ordening als controle-instrument

De Oslo akkoorden van 1993-1995 gaven de Palestijnen autonomie in een aantal zones van de Westelijke Jordaanoever. In Zone A, de grote Palestijnse steden, kreeg de nieuwe Palestijnse Autoriteit autonomie over veiligheid en civiele aangelegenheden. In Zone B moet de Palestijnse Autoriteit de bevoegdheid voor veiligheid delen met het Israëlische leger. In Zone C, 60% van de Westelijke Jordaanoever met 70.000 Palestijnse inwoners, behield Israël de volledige controle over veiligheid en ruimtelijke ordening.

Dat is niet toevallig. De Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever draait voor een groot deel om de ordening van de ruimte.

De beschikbare ruimte wordt aangepast aan de noden van de illegaal aanwezige Israëlische kolonisten en op die manier onherkenbaar veranderd: om de territoriale continuïteit te verzekeren tussen Israël en de nederzettingen, soms diep in de Westelijke Jordaanoever gelegen, moet de territoriale continuïteit tussen Palestijnse dorpen en steden worden verbroken.

Een bezettingsmacht kan nochtans het fysieke karakter van het bezette gebied niet veranderen. Als het dat toch doet en het gebeurt niet ten behoeve van de lokale bevolking, heeft het resultaat “geen juridische rechtsgeldigheid”. Dat staat in resolutie 465 van de VN Veiligheidsraad van 1 maart 1980.

Israël bouwt exclusief joodse nederzettingensteden, vernietigt Palestijnse infrastructuur en bouwt infrastructuur om de Palestijnse bewegingsvrijheid te controleren.

Dat de bouw van Israëlische nederzettingen in bezet gebied niet gebeurt niet ten behoeve van de lokale Palestijnse bevolking blijkt al meteen uit de bewegwijzering van het wegennet in de Westelijke Jordaanoever: overal staan de Israëlische nederzettingen duidelijk aangeduid en nergens is enig spoor te bekennen van wegwijzers naar de tientallen Palestijnse dorpen en kleinere steden die langs de hoofdwegen in Zone C gelegen zijn.

Israël grijpt op drie manieren in in de ruimtelijke ordening van de Westelijke Jordaanoever en dit gebeurt ten koste van de lokale bevolking: de bouw van exclusief joodse nederzettingensteden en bijhorende kolonistenwegen, en de transfer van de eigen burgerbevolking naar die nederzettingen; de vernietiging van Palestijnse infrastructuur in de zone waar de nederzettingen gelegen zijn; en de bouw van infrastructuur om de Palestijnse bewegingsvrijheid te controleren.

Een afsluitingsregime van meer dan 500 militaire controleposten en andere blokkades, 700 kilometer muur/hek op Palestijns land, 700 kilometer wegen die verboden of beperkt toegankelijk zijn voor Palestijnen en die de nederzettingen verbinden met elkaar of met Israëlische steden, een bijzonder ingewikkeld vergunningsregime: allemaal maatregelen die de bewegingsvrijheid van twee miljoen Palestijnen zwaar beperken.

Dat is een schending van het fundamentele recht op bewegingsvrijheid opgenomen in artikel 12 van het Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Volgens de VN mogen beperkingen op de bewegingsvrijheid enkel als ze in ieder individueel geval gebaseerd zijn op duidelijke juridische redenen en ze “noodzakelijk en evenredig” zijn.

Aan deze voorwaarden is niet voldaan als elk individu een specifieke vergunning nodig heeft om te kunnen reizen binnen het grondgebied.

Deze beperkingen schenden bovendien het verbod op discriminatie omdat ze worden opgelegd aan alle Palestijnen omdat ze de Palestijn zijn, om de Israëlische kolonisten te beschermen wiens aanwezigheid in de bezette Westelijke Jordaanoever in strijd is met het internationaal recht.

De muur die mooi de Israëlische “feiten op de grond” in de Westelijke Jordaanoever inlijft, is de final touch aan dit pervers maar ingenieus kunstwerk.

De impact op de levens van miljoenen Palestijnen die geen strafbaar feit hebben gepleegd of geen enkele aantoonbare bedreiging vormen, is niet te overzien.

De volledige toedracht van dit afsluitingsregime wordt pas duidelijk op de gedetailleerde kaarten van de VN-organisatie OCHA. Deze kaarten tonen een waanzinnige geografie. De muur en het hek, die mooi de Israëlische “feiten op de grond” in de Westelijke Jordaanoever bij Israël inlijven, is de final touch aan dit ietwat pervers maar ingenieus kunstwerk.

Op het platteland ziet de afscheiding eruit als een hoogtechnologisch en elektrisch beveiligd hek. In stedelijke gebied zagen de Palestijnen een betonnen muur oprijzen.

Officieel houdt de Israëlische regering vol dat de muur en het hek terroristen uit Israël moeten weghouden. Op een website van het Israëlisch Ministerie van Defensie staat te lezen: “Het ontwerp, de bouw en de werking van het veiligheidshek moet een evenwicht realiseren tussen de noodzaak om onschuldige levens te beschermen tegen terreur en de humanitaire behoeften van de lokale Palestijnse bevolking.”

“Israëls regering beseft dat de bouw van het hek de levens van onschuldige Palestijnen in de war kan sturen en betreurt dit. We zullen pogingen blijven ondernemen om zulke moeilijkheden tot een minimum te beperken.”

De beste manier om de veiligheid van Israëlische burgers te verzoenen met de humanitaire behoeften van de Palestijnen, is een muur of een hek te bouwen op de Groene Lijn tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever.

Daar heeft Israël ook het recht toe en dan had het helemaal geen muur of hek moeten bouwen op Palestijnse landbouwgrond of dwars door Palestijnse steden. 80% van de muur en het hek ligt nu in de Westelijke Jordaanoever en dat heeft desastreuze humanitaire gevolgen.

De humanitaire behoeften van de Palestijnen waren nooit een zwaar gewicht in de weegschaal, maar het wordt steeds duidelijker dat de muur of het hek nooit werden gebouwd omwille van de veiligheid maar wel als definitieve grens, hetgeen neerkomt op illegale annexatie. Daaruit volgen een aantal absurde situaties en een waanzinnige reeks mensenrechtenschendingen.

© Pieter Stockmans

Israëlische afscheidingsinfrastructuur in Palestina: bovenaan voor Israëli’s, onderaan voor Palestijnen.

© Pieter Stockmans

Ingangspoort in het hek rond een Israëlische nederzetting op bezet Palestijns gebied

© Pieter Stockmans

Tot vandaag worden nieuwe nederzettingen bij gebouwd.

© Pieter Stockmans

Een wegversperring om Palestijns verkeer op Israëlische kolonistenwegen te verminderen. Het dorp achter de ophoping wordt afgesloten van de buitenwereld.

© Pieter Stockmans

De Israëlische muur houdt weinig rekening met de Palestijnen.

Bethlehem: de muur neemt een hap uit de stad

De Palestijnse Claire Anastas was de uitbaatster van een succesvolle souvenirwinkel aan het graf van Rachel, een belangrijke religieuze en toeristische trekpleister aan de grote verbindingsweg tussen Bethlehem, Jeruzalem en Hebron. Duizenden pelgrims en toeristen, ooit Claire’s belangrijkste bron van inkomsten, brengen elk jaar een bezoek aan het graf. Haar echtgenoot Johnny had een garage in hetzelfde huis.

Wonen naast het graf van Rachel in één van de meest levendige wijken van Bethlehem met winkels en restaurants was lange tijd een zegen voor het gezin.

Claire’s souvenirwinkel was een noodzakelijke halte voor de 90.000 pelgrims die Bethlehem en Rachels graf elke maand bezochten. De garage van haar man bediende klanten van over heel Israël en Palestina, voornamelijk uit Jeruzalem en Bethlehem.

Maar het Oslo II-vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen in september 1995 was het begin van het einde voor het gezin. In tegenstelling tot de rest van Bethlehem bleef het gebied rond Rachels graf binnen Zone C. Israël behield dus de volledige controle.

Bang dat ook het graf uiteindelijk onder Palestijnse soevereiniteit zou terechtkomen, begon het “Comité voor Rachels Graf”, een religieus joodse drukkingsgroep, een campagne om religieuze joden aan te moedigen een religieuze school te stichten in het graf en zich permanent te vestigen in het gebied.

Om het gebied te annexeren moest de muur een diepe hap nemen uit het centrum van Bethlehem en het stuk van de hoofdweg aan Claire’s huis veranderen in een ommuurde corridor.

Er werd een soort Israëlische nederzetting opgericht in het hart van Bethlehem, in de Westelijke Jordaanoever. Het idee was er een permanente joodse aanwezigheid te verzekeren.

Dat plan wierp zijn vruchten af toen de Israëlische regering in de paniekdagen van de tweede Intifada besliste over de route van de muur rond Jeruzalem. De drukkingsgroepen eisten de annexatie van Rachels graf bij Jeruzalem. Dat leek een absurde eis: om het gebied rond het graf te annexeren moest de muur een diepe hap nemen uit het centrum van Bethlehem en het stuk van de hoofdweg aan Claire’s huis veranderen in een ommuurde corridor die zou dienen als weg voor Israëli’s en toeristen om de site te bereiken vanuit Jeruzalem.

Toch gaf de regering toe. Claire’s huis werd aan drie kanten ommuurd. De dag in december 2003 waarop de bulldozers de laatste acht meter hoge betonnen platen rond haar huis plaatsten, werd zij definitief afgescheiden van al haar toekomstig cliënteel. Het gezin met vier kinderen tuimelde in diepe financiële problemen en woont nu in een donkere, claustrofobische, ommuurde hoek.

Zo goed als alle zaken moesten de boeken dicht doen, ook Johnny’s succesvolle garage en Claire’s ooit zo ideaal gelegen souvenirwinkel. Bethlehem was ooit de grote stedelijke hoop van de Palestijnen. Slechts een verre herinnering aan die hoop blijft bestaan. Tijdens kerstperiodes kan Bethlehem, de geboortestad van Jezus, amper een paar duizend pelgrims verwelkomen.

De geografie van de hele buurt is veranderd. Bij het bereiken van Bethlehem vanuit Jeruzalem blokkeert de muur de hoofdweg. De verkeerssituatie is aangepast aan de aanwezigheid van de muur: er werd een rond punt gebouwd, waar taxi’s en bussen vanuit Jeruzalem mensen afzetten aan een passengers drop off point, waarna ze terugkeren naar Jeruzalem.

De passagiers moeten dan te voet door een checkpoint, een heuse terminal die lijkt op een definitieve grensovergang.

De Israëlische regering geeft daar een bedrieglijke humanitaire draai aan: “Omdat vele inwoners van de Palestijnse gebieden in Israël werken en er zaken doen en vele Israëlische staatsburgers zaken doen in de Palestijnse gebieden, werden in de route van de muur een aantal terminals ingebouwd die de inspectie van mensen en goederen zullen vergemakkelijken zoals dat gebeurt aan internationale grenzen.”

“Zulke inspecties zijn noodzakelijk omwille van de veiligheid, maar de vooruitstrevende technologische systemen van controle in de terminals zal de menselijke frictie tot een minimum herleiden.”

In werkelijkheid gaat het er iets minder rooskleurig aan toe. Miljoenen Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever – en dus ook uit Bethlehem – mogen Jeruzalem niet binnen, tenzij ze beschikken over een werkvergunning die om de drie maanden hernieuwd moet worden en in vele gevallen om vage redenen wordt geweigerd.

Terwijl Palestijnen door een enge trechter worden geduwd, rijden toeristen-bussen door een andere poort in de muur Bethlehem binnen.

Daarnaast is “menselijke frictie” alomtegenwoordig in de terminal tussen Bethlehem en Oost-Jeruzalem. Een deel van de inwoners van Bethlehem werkt inderdaad in Jeruzalem. Zij moeten elke nacht in de vroege uurtjes urenlang opeengepakt staan aanschuiven aan de terminal om op tijd op hun werk te raken.

De “vooruitstrevende technologische systemen van controle” zijn: paspoortcontrole, bagage-inspectie zoals op de luchthaven en nogmaals paspoortcontrole. Israëlische soldaten schreeuwen door luidsprekers de stroom Palestijnen toe en paraderen met geweren op loopbruggen boven hun hoofden.

Terwijl Palestijnen door deze enge trechter worden geduwd, rijden bussen vol toeristen door een andere poort in de muur Bethlehem binnen. Om Rachels graf te bezoeken, moet je Bethlehem echter niet meer binnenrijden. Het hoort nu immers bij Jeruzalem.

De hoofdweg is er een ommuurde corridor die naar het graf leidt. De top van Claire’s huis en souvenirwinkel aan de andere kant steekt net boven de muur uit.

©

Het Anastas-huis in betere tijden.

© Pieter Stockmans

Zo ziet het Anastas-huis eruit sinds 2003. Achter de muur ligt de inkomensbron van het gezin: de toeristen en pelgrims die Rachels graf bezoeken.

© Pieter Stockmans

Om Rachels graf bij Jeruzalem in te lijven zonder de Palestijnen mee in te lijven, moest Claire’s huis langs drie kanten ommuurd worden.

© Pieter Stockmans

Claire’s inkomensbron aan de andere kant van de muur. Bovenaan kan je het huis nog net boven de muur zien uitsteken.

© Pieter Stockmans

Rachels graf is veranderd in een gemilitariseerde en ommuurde zone.

© Pieter Stockmans

Elke nacht en ochtend moeten Palestijnen uit Bethlehem urenlang wachten om aan de andere kant van de muur op hun werk te geraken.

Shuafat Camp: 20.000 inwoners uit Jeruzalem geduwd

De muur zal naast een stuk Bethlehem ook een aantal grote nederzettingensteden bij een “Groter-Jeruzalem” inlijven die vandaag nog niet tot Jeruzalem behoren en die diep in de Westelijke Jordaanoever gelegen zijn, zoals Ma’ale Adumim.

Aangemoedigd door Donald Trump kondigde de extreemrechtse Israëlische minister van Onderwijs Naftali Bennett begin januari aan dat hij een wetsontwerp zou indienen om Ma’ale Adumim te annexeren bij Israël en toe te voegen aan de gemeente Jeruzalem.

Volgens Bennett moet dat het begin zijn van de annexatie van andere Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. De annexatie van Palestina zou dus stap voor stap verlopen en beginnen met de Israëlische nederzettingen die een ring vormen rond het geannexeerde Oost-Jeruzalem.

260.000 Palestijnen in Oost-Jeruzalem zouden definitief afgesloten worden van de Westelijke Jordaanoever.

Het zogenaamde “E1-gebied” tussen Jeruzalem en Ma’ale Adumim is de laatste open ruimte op de Westelijke Jordaanoever waar een modern Oost-Jeruzalem zou kunnen aansluiten bij de rest van de Westelijke Jordaanoever, om de hoofdstad van een levensvatbaar, onafhankelijk Palestina te worden.

Gewenste Palestijnse gebieden met weinig Palestijnse inwoners slokt Israël op. Ongewenste gebieden met veel Palestijnen spuwt Israël uit.

Als het gebied in Israëlische handen blijft, wordt de Westelijke Jordaanoever in twee gesplitst. Ma’ale Adumim verhindert nu al het vrije verkeer tussen vier grote Palestijnse steden die de levensaders zijn van een eventuele Palestijnse staat: Ramallah, Bethlehem, Jericho en Oost-Jeruzalem. Nu de Israëlische regering definitief de grenzen van Jeruzalem lijkt vast te leggen, worden gewenste Palestijnse gebieden met weinig Palestijnse inwoners opgeslokt en ongewenste gebieden met veel Palestijnen die vandaag nog onder Israëlische controle staan, uitgespuwd. Volgens het principe: wel de Palestijnse grond, niet de Palestijnse inwoners.

Shuafat Camp is zo een ongewenst gebied dat nu als het ware “gede-annexeerd” wordt. De inwoners van dit Palestijnse vluchtelingenkamp zijn echter inwoners van Jeruzalem.

De absurditeit van de afscheiding en de muur wordt nergens zo duidelijk geïllustreerd als in Shuafat Camp. Het kamp zit gekneld tussen twee Israëlische nederzettingen.

Deze kaart toont hoe Palestijnse buurten getto’s worden om de continuïteit tussen Israëlische nederzettingen te garanderen. In de bovenste helft van de kaart net rechts van het midden ligt Pisgat Ze’ev. Daaronder Shuafat Camp. De rode lijn tussen beide buurten is de muur die Shuafat uitsluit. Uiterst rechts in het midden van de kaart  ligt Ma’ale Adumim en daarboven het E1-gebied. Sommige Palestijnse wijken hebben enkel nog aansluiting op de Westelijke Jordaanoever, zoals Shuafat. Andere Palestijnse wijken zijn ommuurde getto’s geworden. Hun enige aansluiting op de Westelijke Jordaanoever is een tunnel onder wegen voor Israëlische kolonisten.

De derde en de eerste wereld liggen er op een steenworp van elkaar: een buurt met brede keurig aangelegde wegen, kraaknette voetpaden, verzorgde huisjes en grasperkjes loopt over in een vuile, chaotische buurt waar elektriciteitskabels kriskras door elkaar van gebouw tot gebouw gespannen zijn en waar afval in hopen langs de kant van de weg ligt opgestapeld.

Pisgat Ze’ev, één van de Israëlische nederzettingen, huist 45.000 mensen, en bevat veertien scholen, zes ziekenhuizen, eigen politiediensten en een eigen brandweer. Shuafat Camp daarentegen, is een getto waar 20.000 mensen op een halve vierkante kilometer opeengepakt zitten. Zowel de inwoners van Shuafat Camp als die van Pisgat Ze’ev zijn inwoners van Jeruzalem.

Shuafat Camp verenigt de drie kernproblemen van het Israëlisch-Palestijns conflict: vluchtelingen, veiligheid en Jeruzalem.

Anno 2008 is het het enige Palestijnse vluchtelingenkamp onder Israëlische jurisdictie. Shuafat Camp heeft daarom minder te leiden gehad onder de afsluiting van de Westelijke Jordaanoever tijdens de tweede Intifada, de oorzaak van een pijlsnel stijgende werkloosheid in de andere vluchtelingenkampen op de Westelijke Jordaanoever.

De bewoners van Shuafat Camp hebben het economisch minder moeilijk en ook een aantal diensten ontvangen zij van Israël, hoewel dit alles op de helling wordt gezet door de muur rond het kamp.

Meer dan waar ook vervult de muur rond Shuafat Camp een demografische functie: hij duwt in één klap 20.000 Palestijnen uit Jeruzalem.

In januari 2004 begon Israël met de bouw van de muur. Vandaag staat die acht-meter hoge muur tussen beide “buurten” van Jeruzalem en is de toegang voor inwoners van Shuafat Camp tot de rest van Jeruzalem beperkt tot een controlepost waar zij hun blauwe verblijfskaart moeten tonen. Het kamp is veranderd in een getto.

Israël wil nederzettingen als Ma’ale Adumim verbinden met Pisgat Ze’ev. Het beschouwt Shuafat als een “tumor” die in de weg ligt. Met de muur wil Israël die tumor verwijderen uit Jeruzalem.

Shin Bet, Israëls interne veiligheidsdienst, beschouwt Shuafat als een “terroristennest” in Jeruzalem. Shuafat Camp is inderdaad een overbevolkt, Palestijns “getto” in het hart van Jeruzalem. De inwoners verzetten zich tegen de Israëlische controle, waardoor Israël het kamp beschouwt als een potentieel veiligheidsrisico. Inwoners van het kamp zijn net zoals andere inwoners van Jeruzalem afhankelijk van Jeruzalem voor werkgelegenheid, onderwijs en gezondheidszorg. Elke dag op weg naar school moeten de kinderen langs een militaire controlepost waar niet zelden vernederingen plaatsvinden.

Maar de muur dient een ander doel dan veiligheid. Meer dan waar ook in de Palestijnse gebieden vervult de muur rond Shuafat Camp een demografische functie: hij duwt in één klap 20.000 Palestijnen uit Jeruzalem. Basisvoorzieningen die de inwoners van Shuafat Camp nu nog kunnen ontvangen in Jeruzalem, zullen steeds meer ontoegankelijk worden.

Hoe onwaarschijnlijker het wordt dat Shuafat Camp in Jeruzalem zal blijven, hoe meer de spanningen in het kamp toenemen. Zo zal Israël juist zijn veiligheid in gevaar brengen, maar demografie is voor Israël vaak belangrijker dan veiligheid.

De muur maakt van het kamp een tijdbom en leidt tot een hoger veiligheidsrisico omdat de muur het gebied verandert van een relatief vreedzaam in een vijandig gebied. Zelfs volgens lokale ambtenaren in Pisgat Ze’ev zullen inwoners van de nederzetting liever verhuizen dan te blijven wonen op een paar meter van een nieuwe grens die deze plaats kan veranderen in een nieuw Sderot, het stadje in de buurt van Gaza waarop Hamas soms willekeurig raketten afvuurt.

© Pieter Stockmans

Zicht op een grote Israëlische nederzetting vanuit Shuafat Camp in Jeruzalem.

© Pieter Stockmans

De muur scheidt Shuafat Camp van Israëlische nederzettingen, die in Israël geïntegreerd worden. Shuafat Camp wordt uit Jeruzalem geduwd en door Israël bij de Westelijke Jordaanoever aangehecht.

Discriminatie in de Heilige Stad

Een joodse meerderheid behouden in Jeruzalem is een constante bekommernis van de Israëlische regering. De nederzettingen en de muur moeten ervoor zorgen dat zoveel mogelijk Israëli’s naar Oost-Jeruzalem verhuizen. Een beleid van structurele discriminatie moet dan weer zoveel mogelijk Palestijnen uit Oost-Jeruzalem doen verhuizen.

Sinds Oost-Jeruzalem werd geannexeerd, hebben de Israëlische regering en de gemeenteraad van Jeruzalem er een discriminerend beleid gevoerd op het vlak van ruimtelijke ordening, verblijfsrechten en publieke investeringen.

De 260.000 Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem verblijven er op basis van verblijfskaarten. Israël legt hen de verplichting op om regelmatig te bewijzen dat Jeruzalem nog steeds het “centrum van hun leven” is. Zij lopen dus voortdurend het risico om hun verblijfskaart te verliezen als zij bijvoorbeeld werken of studeren buiten Jeruzalem.

Sinds 1967 hebben ongeveer bijna tienduizend Palestijnen hun verblijfskaart verloren en duizenden anderen hebben rechtszaken moeten inspannen om hun recht op verblijf te verdedigen.

Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem maken 33% van de bevolking van Jeruzalem uit, maar krijgen slechts 12% van de budgetten.

Israëlische kolonisten die volgens internationaal recht illegaal verblijven in bezet Oost-Jeruzalem hebben volwaardige verblijfsrechten volgens Israëlisch recht en kunnen hun verblijfsrecht nooit verliezen.

Hoewel Palestijnen in Oost-Jeruzalem evenveel belastingen betalen als Israëlische inwoners, wiens inkomen gemiddeld acht keer hoger ligt, is het budget dat aan Palestijnse woonwijken wordt toegekend voor openbare diensten een stuk lager.

De Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem maken 33% van de bevolking van Jeruzalem uit, maar krijgen slechts 12% van de budgetten.

Deze budgettaire discriminatie leidt tot schrijnende situaties: hele Palestijnse woonwijken zijn niet aangesloten op het rioleringssysteem en hebben geen geasfalteerde wegen of voetpaden. West-Jeruzalem telt tien keer meer bibliotheken en zwembaden, meer dan twintig keer zoveel sportcentra en parken.

Sinds 1967 werd slechts één nieuwe school gebouwd voor Palestijnse inwoners, ondanks de toegenomen bevolking. Overbevolkte klassen zijn het gevolg.

Het gemeentelijke beleid van ruimtelijke ordening maakt het voor de 260.000 Palestijnen in Oost-Jeruzalem bijzonder moeilijk om te bouwen, ook op eigen land. Vele gebieden in Oost-Jeruzalem blijven daarom onbebouwd tot ze worden opgeëist voor de bouw van Israëlische nederzettingen.

Sinds de annexatie van Oost-Jeruzalem vernietigde het Israëlische leger daar al meer dan 2000 Palestijnse huizen.

Sinds 1967 heeft Israël zo een 34% van het grondgebied van Oost-Jeruzalem in beslag genomen voor “publieke doeleinden”. Een andere 53% werd bestempeld als “groene zone”, maar in werkelijkheid wordt het gebruikt als land voor de nederzettingen.

Palestijnen in Oost-Jeruzalem kunnen daarom slechts bouwen op 13% van het gebied, maar ook dan worden bouwvergunningen zelden toegestaan aan Palestijnen die willen bouwen in Oost-Jeruzalem. Vele Palestijnen bouwen daarom noodgedwongen zonder bouwvergunning en lopen voortdurend het risico een afbraakbevel in de bus te krijgen.

Sinds de annexatie van Oost-Jeruzalem vernietigde het Israëlische leger daar al meer dan 2000 Palestijnse huizen. Tienduizenden families in Oost-Jeruzalem leven met afbraakbevelen op hun huizen.

Een derde van alle Palestijnse huizen in Oost-Jeruzalem kan op elk moment vernietigd worden. Dit terwijl er meer illegale Israëlische nederzettingen in Oost-Jeruzalem worden gebouwd dan ooit tevoren.

© Pieter Stockmans

Promotie voor een nieuwe, luxueuze joodse nederzetting in bezet Oost-Jeruzalem.

© Pieter Stockmans

Huizen voor joden worden gebouwd, huizen van Palestijnen worden afgebroken. Dit is deel van het demografisch beleid om de joodse meerderheid in Jeruzalem te handhaven.

© Pieter Stockmans

Een muur lijft het Palestijnse land waar de Israëlische nederzettingen liggen in bij Israël.

Zone C: Israëli’s in, Palestijnen uit

Naast Oost-Jeruzalem is ook de gehele Zone C, 60% van de Westelijke Jordaanoever, het toneel van huisvernietigingen en discriminerende ruimtelijke ordening. In een verklaring voor het Israëlische parlement in 2003 zei Shlomo Politus, kolonel en juridisch adviseur van het Israëlisch leger: “Bouwvergunningen voor Palestijnen in Zone C is een non-issue. Er worden er simpelweg geen meer toegekend.”

Volgens informatie die het Israëlische Ministerie van Defensie vrijgaf aan het Israëlische parlement werd van 2000 tot 2007 meer dan 94% van de Palestijnse aanvragen voor een bouwvergunning in Zone C afgewezen.

Voor Palestijnen is legaal bouwen in Zone C bijna onmogelijk. In de Israëlische nederzettingen kregen duizenden illegaal gebouwde huizen zelfs retroactief een bouwvergunning.

In totaal werden slechts 91 bouwvergunningen aan Palestijnen toegekend, terwijl volgens Peace Now in diezelfde periode 18.742 wooneenheden werden gebouwd in de Israëlische nederzettingen. Duizenden huizen die in de Israëlische nederzettingen werden gebouwd zonder bouwvergunning, kregen bovendien retroactieve bouwvergunningen.

Legaal bouwen in Zone C is zo goed als onmogelijk voor Palestijnen. De behoefte aan huisvesting wordt er echter niet minder op. Palestijnen nemen niet eens de moeite meer om een bouwvergunning aan te vragen, ondanks de alomtegenwoordige schaduw van de sloophamers, maar velen onder hen verhuizen van het platteland in Zone C naar de steden in de enclaves van Zone A en B.

De Palestijnse bevolking wordt op die manier geduwd naar de nu al overbevolkte steden, omringd door Zone C, waar ruimte vrijkomt voor de uitbreiding van de illegale Israëlische nederzettingen.

Het is een langzaam beleid om Palestijnen als “surplusbevolking” in controleerbare en afgebakende zones te dwingen, zoals je ook goederen opstapelt in pakhuizen. Naomi Klein lanceerde dit concept van “warehousing” in haar boek The Shock Doctrine.

Buitenlandse donoragentschappen financieren projecten voor de bouw van infrastructuur voor de Palestijnen in Zone C, terwijl Israël in hetzelfde gebied infrastructuur bouwt voor haar burgers en de Palestijnse infrastructuur vernietigt, ook als deze gebouwd is met donorgeld.

Volgens de Verenigde Naties lopen vandaag duizenden Palestijnse huizen en structuren in Zone C het risico om te worden gesloopt. Afbraakbevelen, die als een zwaard van Damocles boven de gebouwen hangen, kunnen op elk moment worden uitgevoerd zonder voorafgaande waarschuwing.

Sinds het begin van de bezetting in 1967 werden meer dan 18.000 Palestijnse huizen gesloopt. Tijdens de eerste week van 2017 vernietigde Israël de huizen van 151 Palestijnen, bijna vier keer hoger dan het gemiddelde van 2016.

Dat kan erop wijzen dat het Israëlische leger van het machtsvacuüm in de Verenigde Staten gebruik probeert te maken om voor het aantreden van Donald Trump als president de huisvernietigingen op te drijven.

Israël dwingt Palestijnen als “surplusbevolking” in controleerbare en afgebakende zones, zoals je ook goederen opstapelt in pakhuizen. “Warehousing”, noemde Naomi Klein het.

Maar ook daarna zullen de huisvernietigingen aan een hoger tempo dan gebruikelijk verder gaan. Trump’s ambassadeur David Friedman is een voorstander van annexatie.

Volgens artikel 147 van de Vierde Conventie van Genève zijn “grootschalige vernielingen en toe-eigening van eigendom, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak” een ernstige schending van de Conventie en zijn het oorlogsmisdaden.

Op 13 mei 2008 keurde de Israëlische overheid in overleg met Tony Blair, toen de gezant van het Midden-Oosten Kwartet, “masterplans” goed voor de “ontwikkeling” van Zone C. Tony Blair wilde daarbij tegemoet komen aan de noden van de Palestijnen.

De voorgestelde Palestijnse ontwikkeling blijft echter beperkt tot afgebakende grenzen, meestal enkel het dorpscentrum. Binnen die grenzen zouden de dorpen kunnen uitbreiden en zullen de afbraakbevelen op de gebouwen worden ingetrokken. De huizen en de landbouwgronden buiten het stadscentrum liepen meer dan ooit het risico te worden gesloopt.

De Israëlische bevoegdheid over ruimtelijke ordening in Zone C ondermijnt niet enkel het vredesproces en het vertrouwen van de Palestijnen in dat proces, maar wijzigt de geografie en demografie van de bezette gebieden.

De internationale gemeenschap is het erover eens dat dit een schending van internationaal recht is, maar slaagt er niet in om Israël daarvoor ter verantwoording te roepen.

© Pieter Stockmans

Palestijnen zitten op het puin van hun huis, dat een uur eerder werd vernield door het Israëlische leger

Jayyus: landbouwers afgescheiden van landbouwgrond

Palestijnse dorpen gelegen in de buurt van het hek of de muur hebben zwaar te lijden onder de bezetting en kolonisatie. Honderden Palestijnse landbouwgemeenschappen worden economisch gewurgd.

Het Israëlisch Ministerie van Defensie stelde nochtans aanvankelijk het volgende: “We trachten te vermijden dat landeigenaars worden afgescheiden van hun land. Indien dergelijke afscheiding onvermijdelijk is, moeten toegangspoorten in het hek de landbouwers in staat stellen hun land te bereiken.”

De realiteit op het terrein in Jayyus, een boerendorpje met 3500 inwoners in het noorden van de Westelijke Jordaanoever, bewijst het tegendeel.

Een bijzonder vruchtbare grond en zes grondwaterbronnen brachten in Jayyus elk jaar een rijke oogst aan tomaten, komkommers, bonen, pepers, olijven, limoenen en avocado’s voort die werd geëxporteerd naar de omringende Palestijnse steden, Israël en de Arabische buurlanden.

Jayyus was één van eerste dorpen die in 2003 een groot deel van hun landbouwgrond achter het Israëlische “veiligheidshek” zagen verdwijnen.

Het hek in Jayyus annexeert Zufin, een Israëlische nederzetting die in 1989 op land van Jayyus werd gebouwd, de facto bij Israël en scheidt Jayyus van ongeveer twee derde van zijn landbouwgrond (ongeveer 1270 hectaren), inclusief alle serres en de zes waterbronnen.

Op een paar jaar tijd veranderde Jayyus van een welvarende en exporterende gemeenschap, in een dorp met 70% werkloosheid en afhankelijkheid van voedselhulp.

Op een paar jaar tijd veranderde Jayyus van een welvarende en exporterende gemeenschap, in een dorp met 70% werkloosheid en afhankelijkheid van voedselhulp. VN-cijfers geven aan dat 56% van de inwoners van de Westelijke Jordaanoever onder de armoedegrens leven en 26% in extreme armoede.

Uit dezelfde bron blijkt dat in augustus 2004, één jaar na de voltooiing van het hek in Jayyus, de lokale productie er teruggevallen was van 7 tot 4 miljoen kilo fruit en groenten. Hoe is het zover kunnen komen? Na de voltooiing van het hek in Jayyus verleende het Israëlische leger willekeurig 630 vergunningen aan de gemeente, die aan de meeste boeren van het dorp een vergunning kon uitdelen.

Het opzet om een evenwicht te vinden tussen de veiligheid van de Israëlische bevolking en de humanitaire noden van de Palestijnse bevolking klonk toen nog enigszins geloofwaardig, hoewel ook toen al 100 landeigenaars, waaronder 30 eigenaars van serres, werden geweigerd omwille van niet nader toegelichte veiligheidsredenen. De verleende vergunningen waren slechts 3 maand geldig.

Vanaf begin 2004 weigerde het Israëlische leger steeds meer vergunningen te hernieuwen. Rond het illegale vergunningsregime en het hek heeft zich een hele bureaucratie ontwikkeld, waarin de Palestijnse dorpen zelf worden ingeschakeld.

Ambtenaren van de gemeente Jayyus zijn zelf verantwoordelijk voor de administratie van de hernieuwing van vergunningen. Elke maand sturen zij een lijst met namen en alle vereiste documenten per naam naar het centrale bureau in Qalqilya, dat op zijn beurt de aanvragen doorstuurt naar de Israeli Land Authority.

De voorwaarden voor een hernieuwing zijn een administratieve nachtmerrie. Boeren moeten verschillende documenten voorleggen: een grondplan van het land, de te hernieuwen vergunning, een kopie van de identiteitskaart en een eigendomsbewijs of bewijs dat men het land erfde.

Amnesty International: ‘Het hek en de weigeringen tot hernieuwing van vergunningen maken deel uit van Israëls strategie om zoveel mogelijk Palestijnse grond in beslag te nemen.’

Vooral dat laatste is bijzonder moeilijk te bekomen, omwille van een inconsistentie tussen het Jordaanse (voor 1967) en Israëlische (na 1967) systeem van registratie van namen op eigendomsdocumenten.

Elk jaar slinkt het aantal vergunningen: van 630 in 2003 tot 168 in 2008. De golf van weigeringen is de laatste stap in een proces om de boeren van Jayyus van hun land af te scheiden. De meeste weigeringen gebeuren uit “veiligheidsoverwegingen”, een vage formule om Palestijnen om het even welke vergunning te weigeren. Amnesty International vreest dat het hek en de weigeringen tot hernieuwing van vergunningen deel uitmaken van Israëls strategie om zoveel mogelijk Palestijnse grond in beslag te nemen en te isoleren van de rest van de Westelijke Jordaanoever.

Gezinnen verliezen hun inkomen en kunnen het onderwijs van hun kinderen niet meer betalen. Nour Baida, de zoon van een boer, studeerde Business Management aan de universiteit van Qalqiliya, maar moest zijn studies stopzetten na één jaar.

Hij en zijn broer zijn de enigen in de familie die een vergunning hebben. Doordat het Israëlische leger de vergunningen van de andere familieleden weigert te hernieuwen, moet Nour al zijn tijd besteden aan het land.

Omdat het gezin veel van zijn inkomsten heeft verloren, kunnen ze Nours studies bovendien niet meer betalen. Een hele generatie jongeren in honderden Palestijnse dorpen in de buurt van het hek verliest op die manier toegang tot hogere opleidingen.

Een illustratie van de innige verwevenheid van verschillende fundamentele mensenrechten: het recht op een werk en het recht op onderwijs.

Zelfs met een vergunning is de toegang tot het land uiterst beperkt. Het systeem van toegangspoorten in het hek komt niet tegemoet aan de basisnoden. Boeren kunnen enkel op hun land als de Israëlische soldaten de poorten van het hek openen. In Jayyus is dat om 7:30, om 12:30 en om 17:30.

Soms moeten zij lang wachten aan het hek en verschillende inspecties ondergaan: hun tractors of wagens worden geïnspecteerd en vervolgens moeten zij zelf door een scanner, zoals op een luchthaven.

De poorten in het hek zijn ver van het centrum van het dorp gelegen. Sommige boeren hebben land op één kilometer van het dorpscentrum, maar moeten twintig kilometer naar het hek afleggen en nog eens twintig kilometer aan de andere kant. Voor speciale voortuigen en materialen moeten bijzondere vergunningen worden aangevraagd.

Het Israëlische Hooggerechtshof beval herhaaldelijk een wijziging van de route van de muur, maar de Israëlische staat leefden verschillende vonnissen nooit na.

Het zicht van een gewapende Israëlische soldaat die een Palestijnse landbouwer met ezel of tractor tegenhoudt aan een streng beveiligd hek, hem inspecteert en zijn vergunning opvraagt, doet vermoeden er meer op het spel staat dan enkel veiligheid.

Het Israëlische leger beperkt de toegang tot het land dermate, dat steeds meer land verwaarloosd raakt. Verwaarloosd land kan worden bestempeld als Israëlisch staatseigendom en worden gebruikt voor de uitbreiding van de nederzettingen in de buurt. Na een jarenlange juridische strijd tussen de gemeente Jayyus en het Israëlische Ministerie van Defensie verplichtte het Israëlische Hooggerechtshof eind juli 2008 de Israëlische staat om het hek in Jayyus te verplaatsen.

Het hek moet dichter tegen de Groene Lijn worden gebouwd, waardoor ettelijke hectaren landbouwgrond terug ter beschikking zouden worden gesteld van hun Palestijnse eigenaars. Op het eerste gezicht goed nieuws en reden tot juichen voor de inwoners van Jayyus.

Ze reageerden echter teleurgesteld om verschillende redenen. De voorgestelde route liet nog steeds de helft van het land van Jayyus, met de meest vruchtbare delen voor het cultiveren van groenten en fruit, vier grondwaterbronnen en bijna alle serres, aan de “Israëlische” kant van het hek. De boeren van Jayyus willen het hek op de Groene Lijn.

Voor de bouw van een nieuw hek werd bovendien nieuwe grond vernietigd en nieuwe fruitbomen ontworteld. Deze vernietiging komt bij de vernietiging die in 2002 werd aangericht, toen het hek gebouwd werd in Jayyus.

De boeren zullen nog steeds door een toegangspoort in het hek moeten gaan. De toekenning van een hernieuwing van de vergunningen wordt steeds strenger. En het Hooggerechtshof heeft reeds viermaal een wijziging van de route van de muur op andere plaatsen bevolen, maar de Israëlische staat leefden verschillende van deze vonnissen nooit na.

© Pieter Stockmans

Op het platteland is de muur een hek. Boeren in Jayyus worden van hun land gescheiden.

© Pieter Stockmans

Boeren moeten aan het Israëlische leger een vergunning vragen om naar hun eigen land aan de andere kant van het hek te kunnen gaan.

© Pieter Stockmans

Een Palestijnse ambtenaar verzamelt documenten om aanvragen voor vergunningen in te dienen. Zo beheren Palestijnse gemeenten de administratie van de bezetting van hun eigen land.

Azzun Atma: een openluchtgevangenis

Intussen kunnen Israëlische staatsburgers en elke jood ongeacht zijn staatsburgerschap het Palestijnse land dat klemzit tussen de Groene Lijn en het hek vrij betreden. Wanneer het hek/muur volledig gebouwd is, zal het de vreemdste kronkels maken om toch maar de territoriale continuïteit tussen Israël en de Israëlische nederzettingen in de Westelijke Jordaanoever te verzekeren.

Honderden Palestijnse dorpen ondergaan hetzelfde lot als Jayyus. 15 Palestijnse dorpen, 50.000 Palestijnen en 10% van het Palestijnse land liggen nu in de “seam zone”, de zone tussen de Groene Lijn en het hek. Deze dorpen worden geïsoleerd van de rest van Westelijke Jordaanoever.

Azzun Atma is zo een Palestijns dorp aan de “Israëlische” kant van het hek. Het dorp is omsingeld door drie Israëlische nederzettingen en een “apartheidsweg”, één van de wegen (300 kilometer) op de Westelijke Jordaanoever die verboden zijn voor Palestijnen.

Het is een hoofdweg die de nederzettingen verbindt met Israël. Om de inwoners van Azzun Atma te verhinderen deze hoofdweg te gebruiken, is het T-kruispunt geblokkeerd met een hoge hoop rotsblokken.

Zulke wegversperringen zijn instrumenten in handen van het Israëlische leger om het verkeer op bepaalde wegen in de Westelijke Jordaanoever “exclusief Israëlisch” te maken. De apartheidswegen en de wegversperringen schenden het verbod op discriminatie op basis van ras, huidskleur, nationale of etnische afkomst.

Azzun Atma is een Palestijns dorp aan de “Israëlische” kant van het hek. Het is omsingeld door drie Israëlische nederzettingen en een “apartheidsweg”.

De verantwoording waarop Israël zich beroept – veiligheid – doorstaat de toets niet, aangezien de wegversperringen alle Palestijnen treffen omdat ze Palestijn zijn.

De inwoners van Azzun Atma kunnen maar op één manier uit hun dorp en dat is via de weg ten noorden van het dorp, maar daar sluit het hek het dorp af van andere dorpen in de Westelijke Jordaanoever. Inwoners moeten door een toegangspoort in het hek om de rest van de Westelijke Jordaanoever te betreden. De poort sluit om 22 uur ’s avonds.

Soms loopt dit fataal af voor inwoners die na 22 uur het ziekenhuis in Qalqilya, op twintig minuten van het dorp, moeten bereiken. Er zijn gevallen gedocumenteerd van mensen die voor de gesloten poort staan en waarbij de Israëlische soldaten weigerden uit hun wachttoren naar beneden te komen om zich te vergewissen van de ernst van de situatie.

© Pieter Stockmans

Zicht vanuit Azzun Atma achter het hek, op de Israëlische nederzetting aan de andere kant.

© Pieter Stockmans

Palestijnen uit Azzun Atma worden elke avond opgesloten in hun dorp. 

© Pieter Stockmans

Het hek rond Azzun Atma is streng bewaakt.

Tijd voor gerechtigheid?

Als bezettingsmacht is Israël gehouden aan de Conventie van Den Haag (1907) en de Vierde Conventie van Genève (1949). De Conventie van Den Haag maakt deel uit van het internationaal gewoonterecht dat ook Israël bindt.

De kerngedachte achter dit bezettingsrecht is dat bezetting enkel kan als overgangsregeling voor een beperkte periode. Het doel van de rechtsregels is ervoor te zorgen dat de inwoners van een bezet gebied een zo “normaal” mogelijk leven kunnen leiden.

Net als elke andere staat is Israël ook gehouden de mensenrechten te respecteren, opgenomen in internationale mensenrechtenverdragen die Israël heeft geratificeerd.

Het bezettingsrecht duidt bovendien de bezettingsmacht aan als verantwoordelijke overheid die de fundamentele mensenrechten van de inwoners van de bezette gebieden moet realiseren en moet verzekeren dat zij een effectief rechtsmiddel ter beschikking hebben als die rechten worden geschonden.

Israël schendt structureel en doelbewust het recht op bewegingsvrijheid en een hele reeks economische en sociale rechten van de Palestijnen in de bezette Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem. Het recht op water werd nog niet vermeld: Israëlische kolonisten gebruiken het schaarse water van de Westelijke Jordaanoever en worden vijf keer zoveel als de Palestijnen toegestaan.

Al deze rechten zijn opgenomen in het Verdrag inzake de Economische, Sociale en Culturele rechten, waarbij Israël partij is. Israël mag deze rechten niet schenden, maar moet bovendien als bezettende macht alle gepaste maatregelen nemen om deze rechten te verwezenlijken voor de inwoners van de bezette gebieden.

Gerechtigheid bekomen bij Israëlische rechtbanken is een nachtmerrie. Een staat is slechts een rechtsstaat in de mate waarin de rechterlijke macht haar beslissingen kan afdwingen.

De verslechterende economische situatie, de toegenomen armoede en voedselonzekerheid en het dalende gezondheidsniveau in de bezette Palestijnse gebieden zijn niet te wijten aan natuurlijke oorzaken.

Integendeel, het is grotendeels het gevolg van maatregelen van de Israëlische autoriteiten: de bouw van Israëlische nederzettingen, de bouw van het hek en de muur, en de beperkingen op de bewegingsvrijheid van de Palestijnen.

Gerechtigheid bekomen bij Israëlische rechtbanken is een nachtmerrie. Het Palestijnse individu is ten allen tijde een potentiële dreiging voor Israël omdat hij deel uitmaakt van de Palestijnse samenleving. Het gevolg is een algemene cultuur van straffeloosheid wat betreft van de schendingen van de rechten van de Palestijnen. Vele maatregelen die overduidelijk de mensenrechten en het internationaal recht schenden worden gerechtvaardigd als deel van de bestrijding van een “vijandige entiteit”.

In deze context toont het Israëlische juridische apparaat zich ineffectief om de individuele rechten van de Palestijnen te beschermen. Vergelijk de rechtspraak over de muur van het Israëlische Hooggerechtshof met die van het Internationaal Gerechtshof: deze laatste stelt dat àlle delen van de muur in de Westelijke Jordaanoever het internationaal recht schenden en dat Israël enkel een muur kan bouwen op de Groene Lijn.

Het Israëlische Hooggerechtshof daarentegen, heeft op sommige plaatsen de route van de muur ongeldig verklaard en vervolgens een andere route aangeraden die nog steeds in de Westelijke Jordaanoever loopt. En zelfs die beslissingen kan het niet afdwingen.

Een staat is slechts een rechtsstaat in de mate waarin de rechterlijke macht haar beslissingen tegen de staat kan afdwingen.

Israëlische mensenrechtenadvocaten en niet-gouvernementele organisaties beseffen dat Israëlische rechtbanken nooit het juiste forum zullen zijn voor de juridische afdwinging van de mensenrechten van de Palestijnen.

Sommigen noemen het Israëlische Hooggerechtshof zelfs één van de pijlers van de bezetting en trachten steeds meer het pad van de universele jurisdictie te bewandelen.

In 2004 kreeg deze campagne een enorme boost. Het Internationaal Gerechtshof gaf een vernietigende adviserende opinie aan de Algemene Vergadering van Verenigde Naties. Het Hof oordeelde dat de bouw van de muur en het daarmee verbonden regime het recht op bewegingsvrijheid van de Palestijnen onrechtmatig inperken en hun recht op werk, gezondheid, onderwijs en een adequate levensstandaard schenden.

Alle staten hebben zij de plicht om “de illegale situatie die volgt uit de bouw van de muur niet te erkennen en geen hulp te geven om deze situatie te bestendigen.”

Het Hof stelde duidelijk dat Israël de plicht heeft onder internationaal recht om de bouw van de muur in de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem te stoppen, de reeds gebouwde delen af te breken en schadevergoeding te betalen aan de slachtoffers die hun land verloren.

Het Hof stelde dat ook andere staten juridische plichten hebben: enerzijds moeten alle staten ervoor zorgen dat de Vierde Conventie van Genève wordt gerespecteerd, anderzijds hebben zij de plicht “de illegale situatie die volgt uit de bouw van de muur niet te erkennen en geen hulp te geven om deze situatie te bestendigen.” En last but not least: het Hof vraagt aan de VN-Veiligheidsraad om verdere actie te ondernemen om de illegale situatie te beëindigen.

In een ideale wereld worden oorlogsmisdaden, inclusief de kolonisatie van de bezette Westelijke Jordaanoever, door het Internationaal Strafhof berecht. Israël weigerde in 2000 het Statuut van Rome te ondertekenen.

Volgens Israël moet de kwestie van de nederzettingen via onderhandelingen worden opgelost. Israël tracht hierbij uiteraard de “juridisering” van de kolonisatie te voorkomen.

© Pieter Stockmans

Een grote Israëlische nederzettingenstad gebouwd op land van Bethlehem dat bij Jeruzalem wordt ingelijfd.

© Pieter Stockmans

De nederzettingen zijn enkel bedoeld voor joodse Israëli’s.

De Europese Unie: payer of player?

De hoogste juridische organen in de wereld hebben de rechten van de Palestijnen erkend. Op het internationale toneel worden de kaarten echter zelden in de rechtbank geschud, maar aan de onderhandelingstafel, waar er meestal alleen maar gepraat wordt terwijl de situatie op het terrein verder verslechtert.

De wereld krijg al jaren een “vredesproces” voorgeschoteld dat niet meer dan een dekmantel is voor een destructief proces van afscheiding, annexatie, discriminerende ruimtelijke ordening en mensenrechtenschendingen. Ondertussen blijft de Westelijke Jordaanoever bezet en wordt het demografische en fysieke karakter van het gebied onherkenbaar veranderd.

Ondanks de ernstige ontwikkelingen op het terrein blijft ook de Europese Unie uitblinken in oorverdovende stilte wat betreft de mensenrechtenschendingen die zich dagelijks voltrekken in de bezette gebieden.

De EU verliest kansen om een werkelijke hefboom te zijn voor respect voor mensenrechten en duurzame vrede. De EU heeft nochtans veel hefbomen in handen: de uitgebreide budgettaire hulp aan de Palestijnse Autoriteit, de humanitaire hulpverlening en de belangrijke economische banden die ze met Israël onderhoudt.

Door zijn hefbomen niet te gebruiken, helpt de EU de Israëlische bezetting in stand houden.

Door die hefbomen niet te gebruiken, helpt de EU de Israëlische bezetting in stand houden. Israël zet het bezet grondgebied naar zijn hand, terwijl buitenlandse organisaties de humanitaire noden van de lokale bevolking voor hun rekening nemen. De EU beschikt nochtans over een heel instrumentarium om mensenrechten en het internationaal recht een prominente plaats te geven in haar werk ten aanzien van het Israëlisch-Palestijns conflict: associatieakkoorden, informele “werkgroepen” en actieplannen binnen het Europese Nabuurschapsbeleid (ENB).

De ENB-Actieplannen vormen een agenda voor politieke en economische hervormingen, waaronder mensenrechten, maar worden onderhandeld met het partnerland.

Het Associatieakkoord, een handelsakkoord tussen de EU en Israël, bevat een mensenrechtenclausule in artikel 2: “Relations between the Parties, as well as all the provisions of the Agreement itself, shall be based on respect for human rights and democratic principles, which guides their internal and international policy and constitutes an essential element of this Agreement.”

Dit is een instrument voor de EU om een politieke dialoog aan te gaan met Israël omtrent de mensenrechtensituatie in de Bezette Palestijnse Gebieden, maar geeft de EU ook juridisch het recht het gehele akkoord of delen ervan op te zeggen indien Israël niet voldoet aan de mensenrechtenverplichtingen.

De EU blijft opteren voor de piste van de dialoog binnen de informele werkgroepen. Dat zou nog niet eens zo slecht zijn, moest de druk op Israël werkelijk hoog liggen.

In plaats van een drukkingsmiddel te gebruiken, had de EU zelfs oren naar de vraag van Israël om de onderlinge relaties op te krikken. Israël zou beloond worden voor kolonisatie.

Als mensenrechtenschendingen worden geconstateerd, beschikt de EU over een gamma aan mogelijke maatregelen: wijziging van inhoud van de samenwerkingsprogramma’s, beperking van samenwerkingsprogramma’s, uitstellen van bilaterale contacten op hoog niveau, handelsembargo’s,…

In plaats van één van deze instrumenten te gebruiken, had de EU oren naar vragen van Israël om de onderlinge relaties op te krikken. Ervaren EU-diplomaten lieten verstaan dat de EU niet klaar is voor een voorkeursstatus bij de EU. Mensenrechtenorganisaties zijn bezorgd dat de discussie over een opkrikken van de relaties niet zou gepaard gaan met sterkere mechanismes voor de handhaving van de mensenrechten en dat zou een pervers signaal de wereld insturen.

Israël zou worden beloond voor zijn onophoudelijke en structurele schendingen van internationaal humanitair rechten en mensenrechten.

© Pieter Stockmans

 

Internationaal recht is de sleutel tot de oplossing

De internationale gemeenschap is inmiddels medeplichtig geworden aan de Israëlische schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in de bezette Palestijnse gebieden. Het Internationaal Gerechtshof heeft de internationale gemeenschap in 2004 als het ware “in gebreke gesteld”. Het uitblijven van echte druk op Israël komt neer op een de facto erkenning van de illegale situatie gecreëerd door de muur.

De wereld kijkt toe van op de zijlijn hoe Israël de Westelijke Jordaanoever naar zijn hand zet. In zijn laatste speech over het Israëlisch-Palestijns conflict zei de uittredende Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry dat een “landruil” en “transportcontinuïteit” de oplossing kunnen zijn voor de moeilijkheden die de muur met zich meebrengt voor de Palestijnen. De muur als nieuwe grens leek hij te erkennen.

“De archipel van Oost-Palestina”. Julien Boussac veranderde alle gebieden van de bezette Westelijke Jordaanoever waar Palestijnen niet mogen komen, in zee.

De muur hapt grote stukken land weg uit het land dat de basis vormt voor de uitoefening van het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk. Wat we nu zien gebeuren, is een duidelijk proces van verdeling van het land, niet door onderhandelingen, maar door een eenzijdig proces op het terrein.

Israël neemt het land in dat het wil en daarna garandeert het landruil in onderhandelingen. Het zand in de Negevwoestijn naast Gaza zal echter geen compensatie bieden voor de boeren van Jayyus in het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Zij verloren hun landbouwgronden en watervoorraden.

Zone C doorkruist de hele Westelijke Jordaanoever en vernietigt de territoriale continuïteit van het gebied om de territoriale continuïteit tussen Israël en de nederzettingen te verzekeren. De Palestijnen zouden een infrastructuur van “transportcontinuïteit” aangeboden krijgen, een concept geïntroduceerd door voormalig Israëlisch eerste minister Ariel Sharon.

Palestina zal een verzameling losse eilandjes zijn omringd door Israël en zal tunnels onder Israël krijgen om bewegingsvrijheid te verzekeren.

Waar Israël boven de grond is, moet de Palestijnse staat onder de grond gaan. In tegenstelling tot de fictieve Groene Lijn trekt de muur op agressieve manier een zichtbare grens door de Westelijke Jordaanoever en een streep door een leefbare Palestijnse staat.

Vrede volgt niet uit een wiskundeoefening van landruil of uit halfslachtige oplossingen als transportcontinuïteit, maar uit het respect voor het internationaal recht en het verzekeren van de leefbaarheid van een Palestijnse staat.

Israël schoof lange tijd de muur als definitieve grens vooruit. Centrumlinks wilde Israël voorbereiden op een evacuatie van de kolonisten die ten oosten van de muur wonen, omdat enkel het gebied ten westen van de muur bij Israël zou worden ingelijfd.

De huidige extreemrechtse regering onder leiding van Netanyahu wil heel Zone C integreren met Israël, ten westen én ten oosten van de muur. Bennett wil die zone annexeren. En Donald Trumps ambassadeur zou het liefst de hele Westelijke Jordaanoever annexeren.

Israël is partij bij de Vierde Conventie van Genève, maar het aanvaardt niet dat die Conventie van toepassing is. Israël betwist met andere woorden dat het de bezettingsmacht is in de Westelijke Jordaanoever. De gehele internationale gemeenschap, mensenrechtenorganisaties, het Internationale Rode Kruis én de meest invloedrijke specialisten internationaal recht zijn het er echter unaniem over eens dat de Conventie van toepassing is.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Europese Unie en Oost-Europa

    Pieter Stockmans volgt het mondiale optreden van de Europese Unie, het Europese vluchtelingenbeleid, de evoluties in Oost-Europa en de regio ten oosten van de EU.