Sterke groei of inclusieve ontwikkeling voor Indonesië

Indonesië behoort tot de krachtigste opkomende economieën. De nieuwe president en zijn regering staan voor belangrijke keuzes in de sectoren mijnbouw, landbouw, voedselvoorziening en industrialisering.  Palmolie blijft een belangrijk symbooldossier. En wellicht nog belangrijker: hoe wordt het economische succes vertaald in meer sociale rechtvaardigheid?

  • (c) Gie Goris Jokowi pleit voor steun aan boerenlandbouw, Prabowo ziet meer heil in de uitbreiding van het areaal energiegewassen (c) Gie Goris
  • (c) Gie Goris Jaarlijks komen er in Indonesië 7 miljoen motorfietsen bij (c) Gie Goris
  • CC / David Gilbert / RAN Palmolieplantage van Cargill in West-Kalimantan CC / David Gilbert / RAN
  • CC / Randi Ang Newmont Gold Mine, West Nusa Tenggara CC / Randi Ang

Tromgeroffel in de Indonesische media begin mei, want de Wereldbank berekende in haar International Comparison Program dat de Indonesische economie de tiende grootste ter wereld was, op basis van koopkrachtvergelijking.

Dat het land daarmee beter scoort dan Spanje, Canada en Zuid-Korea was reden voor aftredend president Susilo Bambang Yudhoyono om een pluim op zijn hoed te steken en de hulp van God in te roepen voor het vele werk dat nog te doen is eer heel Indonesië en alle Indonesiërs welvarend zijn.

De Indonesische ambassadeur in Brussel, Arif Havas Oegroseno, is in elk geval trots op de economische prestaties die zijn land de voorbije decennia neerzette. ’ Het bnp van Indonesië in 1970 was afgerond 90 miljard dollar. Tegen 1997 was dat gegroeid tot 200 miljard dollar. In 1999 – na de financiële en politieke crisis – was dat opnieuw teruggevallen tot 90 miljard dollar, maar in 2014 overschreed het bnp de kaap van 1 biljoen dollar.’

 De keerzijde van die medaille is dat Indonesië in de Human Development Index van het VN-Ontwikkelingsprogramma UNDP slechts de 121ste plaats krijgt, slechter dan de buurlanden Maleisië, Thailand en Filipijnen. Bovendien vertaalde de sterke economische groei zich meteen in een even sterke toename van de ongelijkheid. De gini-coëfficiënt, die de graad van inkomensongelijkheid meet, verslechterde van 0,29 in 2000 naar 0,38 in 2011.

Armoedegrens

Geen wonder, dus, dat presidentskandidaten Jokowi en Prabowo tijdens de televisiedebatten over economie en veiligheid telkens terugkeerden naar het belang van economische zekerheid en welvaart voor de mensen. ‘Ik zal zorgen voor een verhoogde productiviteit door kleine ondernemers te steunen’, zei Jokowi tijdens het economie-debat op 15 juni. Prabowo stelde een week later op het veiligheidsdebat dat betere internationale relaties moeilijk zijn zolang veel Indonesiërs in armoede leven, terwijl de rijkdom van het land steeds meer in handen van buitenlanders komt.

De regering stelt dat 11,4 procent van de bevolking nog onder de armoedegrens leeft, en cijfer dat ook te vinden is op de website van de Wereldbank. Die armoedegrens ligt echter op 20,5 euro per persoon per maand, een heel eind onder de norm van 2,5 euro per persoon per dag die de Wereldbank zelf hanteert. Met die armoede-definitie zou meer dan 100 miljoen Indonesiërs tot de categorie arm behoren.

(c) Gie Goris

Jaarlijks komen er in Indonesië 7 miljoen motorfietsen bij

Toch is er niet alleen bedenkelijk nieuws uit Indonesië. De economische groei van het voorbije decennium van rond de 6 procent op jaarbasis, is namelijk vooral gebaseerd op een sterk toegenomen binnenlandse consumptie, goed voor 60 tot 70 procent van het bnp. De vastgoedsector boert goed, maar vooral de verkoop van motorfietsen en auto’s groeit spectaculair. Door onvoorstelbaar goedkope kredieten worden er jaarlijks 7 miljoen nieuwe moto’s verkocht, wat het totale motorpark vandaag op 65 miljoen tuffende tweewielers brengt.

In 2010 telde het land ook al 220 miljoen geregistreerde mobiele telefoons. Het aantal internetgebruikers steeg exponentieel van 2 miljoen in 2000 tot 76,4 miljoen vandaag. Indonesië behoort dan ook tot de top vijf van landen op het vlak van sociale media, samen met India, Mexico, Brazilië en de Verenigde Staten. Deze consumptieboom werd mogelijk door een sterk toegenomen arbeidsproductiviteit, een lage inflatie en de toename van de koopkracht van een overwegend jonge bevolking.

De aantrekkingskracht van agrobusiness

Het economisch nationalisme waar Prabowo steevast op hamert, en dat in grote mate gedeeld wordt door Jokowi, heeft een lange traditie in Indonesië en blijft zowel populair als actueel. De economie komt immers inderdaad steeds meer in handen van buitenlands kapitaal, waardoor ze ook kwetsbaarder wordt voor plotse verschuivingen op de internationale kapitaalmarkten. Dat wordt nog versterkt door de afhankelijkheid van de ontginning en export van natuurlijke rijkdommen zoals ertsen, mineralen en energiegewassen zoals palmolie. (meer hierover in Indonesië: een archipel aan toekomstkansen )

Vreemd genoeg is Prabowo net een groot voorstander van die exportgerichte landbouw. Zijn landbouwplan, getiteld The Big Push in het Engels, pleit voor het converteren van 16 miljoen hectare verwoest oerwoud in productieve landbouwgrond. Daarvan wil Prabowo 10 miljoen hectare inzetten voor energiegewassen en 6 miljoen hectare voor voedsellandbouw. Daar bovenop wil hij nog 2 miljoen extra hectare openstellen voor landbouw.

Riza Damanik, directeur van de denktank Indonesia for Global Justice, vindt dat de overheid veel voorzichtiger moet zijn met het aantrekken en versterken van agrobusiness. ‘De overheidsprogramma’s om grote voedsel- en landbouwbedrijven te stimuleren hebben averechtse effecten op armoedebestrijding’, zegt Damanik. De afgelopen jaren verloren 979.980 boeren en 704.542 vissers hun inkomen als gevolg van de uitbreiding van de agrobusiness. In 2013 alleen al breidden die industriële landbouwbedrijven hun grondbezit uit met een kwart, ten koste van 5,1 miljoen kleine boeren die hun grondbezit zagen krimpen. Datzelfde jaar, zegt de centrale dienst voor statistiek (BPS), groeide de armoede op het platteland met 17,92 miljoen mensen.’

CC / David Gilbert / RAN

Palmolieplantage van Cargill in West-Kalimantan

Het landbouwplan van Jokowi voorziet ook een uitbreiding van het landbouwareaal (met 1 miljoen hectare) buiten Java en Bali, de dichtst bevolkte eilanden. Maar hij wil op de eerste plaats inzetten op het verhogen van de productiviteit van de familiale landbouw, onder andere door 3 miljoen hectare landbouwland extra van irrigatie te voorzien. Daarvoor plant hij 70 nieuwe dammen.

Om deze en andere plannen te betalen, zal de Indonesische overheid wel nieuwe inkomsten nodig hebben. Vaste uitgaven voor onder andere brandstof- en meststofsubsidies en voor regionale budgetten slorpen al zeker 85 procent van het overheidsbudget op. Beide presidentskandidaten willen budgettaire ruimte creëren door de brandstofsubsidies af te bouwen én door de belastingen te verhogen. Op dit moment zijn belastingen goed voor niet meer dan 12 procent van het overheidsinkomen en dat is een percentage dat eerder bij lage-inkomenslanden hoort. Zelfs in de VS bedraagt dat 35 procent.

Volgens Sugeng Bahagijo van Infid (International NGO Forum on Indonesian Development) beloopt de belastingontwijking en –ontduiking in Indonesië jaarlijks wel 15 miljard euro. ‘Bovendien maken belastingen niet echt deel uit van het politieke debat, omdat de politici allemaal afkomstig zijn uit de hogere middenklasse die de hogere belastingen zou moeten betalen.’

Olie op het vuur

De palmolieplantages behoren tot de meest controversiële sectoren van de Indonesische economie. Met officieel meer dan 6 miljoen hectare palmolieplantages –ngo’s spreken eerder van 13 miljoen hectare, een productie van meer dan 17 miljoen ton ruwe palmolie en 3 miljoen werknemers is het land wereldleider in deze sector. De overheid zet in op palmolie omdat daarmee economische groei, deviezen, werkgelegenheid en lokale ontwikkeling gerealiseerd kunnen worden. Maar ze rekent wel op privé-investeerders om dat waar te maken: het Nationale Land Agentschap meldde onlangs nog dat de overheid zelf slechts één procent van de in totaal 120 miljoen hectare plantages in bezit heeft.

Indonesië verloor in 2013 840.000 hectare woud, bijna dubbel zo veel als Brazilië, vooral door commerciële palmolie- en papierpulpplantages

Mensenrechtengroepen, milieubewegingen en inheemse organisaties zien palmolieplantages als de oorzaak van heel wat mensenrechtenschendingen en van het snelle verdwijnen van enorme oppervlakten tropisch woud en veengebied. Volgens een recente studie in Nature Climate Change  verloor Indonesië vorig jaar niet minder dan 840.000 hectare woud, bijna dubbel zo veel als Brazilië. Yuyun Indradi van Greenpeace reageerde daarop door te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van commerciële palmolie- en papierpulpplantages die produceren voor de export.

Procter & Gamble, Nestlé en Unilever hebben als gevolg van internationale campagnes al strikte No Deforestation normen geïmplementeerd. De grootste palmolieproducenten -Sime Darby en Wilmar International- zijn nog niet zo ver.

Een van de gevolgen van de palmolie-controverse is dat de samenwerking tussen Indonesië en de Europese Unie erg traag verloopt. Een uitgebreid samenwerkingsakkoord (Parntership and Cooperation Agreement) dat in 2009 ondertekend werd door alle EU-regeringsleiders en hun Indonesische collega, moest vier jaar wachten eer alle nationale parlementen het goedgekeurd hadden en het op 1 mei 2014 in werking kon treden. Palmolie en ontbossing waren de belangrijkste struikelstenen.

Ambassadeur Oegroseno stak daarover zijn frustratie niet onder stoelen of banken tijdens een expertenconferentie over Indonesië die Friends of Europe begin mei organiseerde in Brussel: ‘Europa kent het belang van Indonesië wanneer wij 234 Airbus-toestellen kopen, goed voor bijna 20 miljard euro. Maar als het gaat over een van onze belangrijkste exportproducten, geeft de EU plots niet thuis.’

Ngo’s zijn niet per definitie tegen de productie van palmolie en hebben concrete voorstellen om de productie ervan duurzamer te maken. Centraal in de voorstellen die organisaties zoals Walhi en Samit Watch naar voor schuiven, is een absolute rem op ontbossing of landconversie voor nieuwe plantages, gecombineerd met het versterken van de kleine boeren in de keten.

‘Duurzame plantages zijn mogelijk’, zegt  Jefri Saraghi van Samit Watch in Bogor, maar de grote bedrijven kiezen liever voor uitputting van grond en het aanspreken van nieuwe grond. Dat is goedkoper.’ Vandaag is nog slechts 35 procent van de grond die bebouwd is met palmolie in handen van kleine boeren, en vaak is dat dan nog in een afhankelijkheidspositie van de grote bedrijven.

Rijke ondergrond

Oslan Purba van de grootste milieubeweging van het land, Walhi, beklemtoont dat de palmolieplantages niet het enige punt zijn waarop economie, milieu en sociale ontwikkeling botsen. ‘Naast palmolie, zijn de commerciële houtpulpproductie en de mijnbouw ook problematisch. De houtplantages zijn in hetzelfde bedje ziek als de palmolieplantages: boskap, ecologische verarming en instabiliteit door enorme monoculturen, verdringing van boeren, plattelandsgemeenschappen en voedsellandbouw ten voordele van exportproductie, en –uiteraard- corruptie bij het toewijzen van landtitels en plantage-licenties.’

Chrisbiantoro van de mensenrechtenorganisatie KontraS plakt daar cijfers op. ‘In 2011 noteerden we 37 gevallen van gewelddadige mensenrechtenschendingen. In 2012 nam dat toe tot 58 en in 2013 werden dat er 117. En het merendeel van deze gevallen deden zich voor rond mijnen en plantages, en meestal was het de politie die de belangen van de eigenaars verdedigde tegen boeren of arbeiders.’

‘Plantagelandbouw ondermijnt milieu en lokale economie, maar mits een beslist beleid kan dat  nog enigszins rechtgezet worden. Mijnbouw verwoest de omgeving op onherstelbare wijze en exporteert onvervangbare rijkdom zonder dat het land er op lange termijn beter van wordt’, stelt Purba. Met dat laatste lijkt de voltallige politieke elite in Indonesië het –ten minste in theorie- eens te zijn.

Al in 2009 keurde de regering van SBY een wet goed die mijnbouwbedrijven verplicht te investeren in verwerkingsinstallaties zoals raffinaderijen en smelterijen, opdat de toegevoegde waarde van de grondstoffen in veel grotere mate in de Indonesische economie zou blijven. Het duurde weliswaar tot eind 2013 eer die wet effectief toegepast werd, en zelfs dan werden er meteen uitzonderingen aangekondigd voor grote bedrijven die al jarenlang actief zijn in Indonesië, zoals Newmont en Freeport. Zowel Jokowi als Prabowo bevestigen expliciet dat ze dit beleid zullen handhaven: geen uitvoer meer van ruwe grondstoffen.

Bill Sullivan, een advocaat in Jakarta gespecialiseerd in de mijnsector, beseft dat geen enkele partij of president op de magische reset-knop zal duwen. ‘Het grondstoffen-nationalisme wordt veel te breed gezien als een goede zaak om nog teruggedraaid te worden.’ 

CC / Randi Ang

Newmont Gold Mine, West Nusa Tenggara

De gevolgen van dit beleid zijn dubbel. De Amerikaanse gigant PT Newmont Nusa Tenggara legde dit voorjaar zijn activiteiten stil in afwachting van duidelijkheid over het exportverbod en de verhoogde belastingen, terwijl het Chinese aluminiumbedrijf Shandong Nanshan Aluminium Co. Ltd. Onlangs aan de bouw van zijn verwerkingsinstallaties op Riau-eiland begon. De investeringen zouden een waarde hebben van 4 miljard euro.

‘De eerste prioriteit voor de nieuwe president is het herbekijken van de internationale handelsbeleid’, zegt Riza Damanik. ‘We moeten de reële, lokale economie voorrang geven op de buitenlandse handel en dus ook al de vrijhandelsverdragen ondergeschikt maken aan het welzijn van de eigen bevolking.’ Prabowo belooft in dat verband om buitenlandse leningen tot nul te herleiden tegen 2019, Jokowi zegt dat hij buitenlandse belangen in de bankensector zal beperken, dat hij handelsverdragen zal herbekijken en dat hij de bijdragen van de mijnbedrijven aan de nationale economie wil verhogen.

Eén land, vele eilanden

Praten we niet te makkelijk over de “Indonesische economie”, alsof het simpelweg om één natie gaat en niet om een archipel met waarin enorme verschillen bestaan? Ik vraag het aan Riza Damanik, die uitdrukkelijk bevestigt: ‘Ondanks de geslaagde decentralisering van de macht, blijft de economische ongelijkheid tussen regio’s groot. De belangrijkste reden dat dit niet opgelost geraakt, is de decentralisering van de corruptie. Er zijn intussen zoveel lokale koninkrijkjes ontstaan, dat er nog meer geld verloren gaat dan vroeger.’

Arif Zulkifli, hoofdredacteur van het toonaangevende weekblad Tempo, knikt als ik die analyse voorleg: ‘Vroeger was separatisme nog een probleem, vandaag is de nationale samenhang veel evidenter. Alleen volstaat dat duidelijk niet om iedereen gelijke ontwikkelingskansen te geven. De verantwoordelijkheid van politici, ambtenaren en zakenmensen die samen de corruptie organiseren, is verpletterend.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur