Een visuele getuigenis van het leven van de Palestijnen
‘Wij waren, en zijn nog altijd... hier’
)
© Tarek Bakri
)
© Tarek Bakri
In zijn project We Were and Still Are… Here legt de Palestijnse onderzoeker Tarek Bakri bloot wat de Israëlische bezetter probeerde te verbergen. Met foto’s spoort hij verdwenen dorpen op, brengt hij gestolen huizen in kaart en bewaart wat de bezetting niet heeft kunnen uitwissen.
Het verhaal begon in 2012. De Palestijnse onderzoeker Tarek Bakri studeerde nog aan de universiteit in Jordanië waar hij Palestijnen uit de diaspora ontmoettte, studenten die hun geboorteplaatsen nog nooit hadden gezien.
Hun band met Palestina leefde alleen voort in de verhalen van hun grootouders die tijdens de Nakba waren verdreven. De Nakba is De Grote Catastrofe van 1948, waarbij honderdduizenden Palestijnen werden ontheemd en onteigend van hun eigen grond.
Tarek komt uit Jeruzalem en besefte dat hij een kwetsbaar voorrecht had: hij kon nog steeds terugkeren. Tijdens de zomervakanties begon hij dan iets eenvoudigs te doen. Hij keerde terug naar Palestina en fotografeerde de dorpen van zijn vrienden. Zo bood hij hun het bewijs dat deze plaatsen niet verzonnen zijn en nog steeds bestonden.
Tarek spreekt vol passie en zorg over zijn initiatief. Hij wordt gedreven door de diepe overtuiging dat deze niet-vertelde verhalen gezien en gehoord moeten worden. ‘Foto’s staan dicht bij het leven van mensen’, vertelt hij. ‘Ze zijn makkelijker te onthouden, moeilijker te ontkennen en onmogelijk te negeren.’
‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’
De zionisten beweerden dat Palestina onbewoond was. Ze gebruikten de uitdrukking ‘Een land zonder volk voor een volk zonder land’ om te pleiten voor een Joods thuisland in Palestina.
‘Om deze illusie te verkopen, nam de zionistische beweging in Palestina foto's vanuit zorgvuldig gekozen invalshoeken, ontdaan van mensen en leven’, legt Tarek uit. ‘Ze toonde die vervolgens aan Joodse gemeenschappen in Europa om migratie en vestiging aan te moedigen.’
‘Maar vergis je niet,’ benadrukt Tarek, ‘Palestina was nooit leeg. Jaffa is bijvoorbeeld een van de oudste steden ter wereld, met een haven die al meer dan vijfduizend jaar in gebruik is. Alleen al in de Jamal Pashastraat stonden zes bioscopen voor Palestijnse gezinnen, naast scholen en fabrieken. Bovendien was er een bloeiende pers.’
‘De Alhambra Cinema, gebouwd in 1937, was met 1100 zitplaatsen ooit een van de mooiste bioscopen in het Midden-Oosten. Tegenwoordig wordt het gebouw gebruikt door de Israëlische afdeling van de Scientologykerk, maar de muren getuigen nog altijd van volle zalen en avonden vol licht.’

De Alhambracinema vroeger (l) is nu een scientologykerk (r)
© Tarek Bakri
Door deze plekken te tonen zoals ze waren en zoals ze nu zijn, ontkracht Tareks project We Were and Still Are… Here de mythe van de leegte. Het herstelt de context, de menselijkheid en de continuïteit. Het laat zien dat Palestina niet alleen land was, maar ook leven.
Door deze plekken en verhalen op sociale media te delen, namen steeds meer Palestijnen uit de diaspora contact op met Tarek. Ze stuurden hem oude foto¹s, zwart-witbeelden van grootouders die vóór 1948 trots voor hun huizen stonden. Bij de foto’s werd keer op keer, over grenzen en generaties heen, één vraag gesteld: ‘Bestaat ons huis nog?ˆ
Die vraag gaf zijn project een nieuwe wending. ‘De documentatie evolueerde van dorpen naar huizen, van landschappen naar levens’, zegt Tarek. ‘Ik zocht het exacte huis op, ging op dezelfde plek staan en fotografeerde het vanuit dezelfde hoek.’
Maar daar hield het werk niet op. Elk beeld werd een toegangspoort tot een groter verhaal: de familie die er woonde, de buurt eromheen, het ritme van het dagelijks leven. Een visser die in de haven werkte. Een winkelier. Een leraar. Het leven in zijn alledaagse rijkdom.
‘Ik verzamelde verhalen via interviews, controleerde ze aan de hand van openbare archieven en valideerde ze zorgvuldig’, verduidelijkt Tarek. ‘Dit was niet simpelweg twee foto's vergelijken, het was voortdurend onderzoeken, gelaagd met herinneringen, getuigenissen en bewijsmateriaal.’
Tarek Bakri deelt vier pakkende verhalen van Palestijnen die hun weg terug naar huis vonden.
De palmboom van mijn grootmoeder
‘De ouderen zullen sterven en de jongeren zullen vergeten’, zei David Ben-Gurion, de stichter van Israël, in 1949. Maar de jongeren zijn het niet vergeten.
Nour Ataya is een jong meisje uit Al-Zeeb, een Palestijns dorp ten noorden van Akko, gelegen aan de rand van de zee. Tijdens de Nakba in 1948 vluchtten haar grootouders naar Syrië, de dichtstbijzijnde plek die veiligheid beloofde. Ze staken de grens over in de overtuiging dat de vlucht tijdelijk was, dat de terugkeer nabij was.
Die terugkeer is nooit gebeurd.
Nour is de derde generatie van de diaspora. Ze werd in het vluchtelingenkamp Hama in Syrië geboren, ver weg van de zee. In haar hart draagt ze een dorp dat ze nooit heeft gezien, maar op de een of andere manier altijd heeft gekend. Nour hoorde over Tareks project, en nam contact met hem op met een eenvoudig verzoek: ‘Kun je me foto's sturen van het dorp van mijn grootmoeder?¹
Door de oorlog in Syrië raakte Nour opnieuw ontheemd. Ze emigreerde naar Europa, terwijl haar grootmoeder achterbleef. Die had in haar leven al eens een grens overgestoken en weigerde dat opnieuw te doen.

© Tarek Bakri
Vanuit Europa contacteerde Nour Tarek opnieuw. ‘Als ik ooit het staatsburgerschap krijg, kom ik ons dorp bezoeken.’ Een week nadat Zweden haar het staatsburgerschap had verleend, boekte ze een ticket.
Maar zelfs met een “bevoorrecht” Europees paspoort was toegang niet gegarandeerd. Op het vliegveld werd ze ondervraagd. Waar kom je oorspronkelijk vandaan? Waarom ben je hier? Uiteindelijk lieten ze Nour binnen en reed ze met Tarek naar het noorden, naar Al-Zeeb. Of Achziv, zoals de Israëli's het dorp noemen.
‘Het dorp bestaat niet meer als dorp, het is nu een nationaal park’, zegt Tarek. Het is een zwembestemming. Om binnen te komen betaalden ze elk tien euro. De meeste huizen zijn verdwenen, weggevaagd tot open land. Er staan nog een paar gebouwen, omgevormd tot parkfaciliteiten. Het huis van de dorpsburgemeester, Mohammad Ataya, doet nu dienst als museum. De moskee staat er nog steeds.
Terwijl ze daar stond, voerde Nour een videogesprek met haar grootmoeder. Die leidde Nour niet met een kaart, maar met haar geheugen. ‘Houd de moskee aan je rechterkant, het huis van de burgemeester aan je linkerkant en de zee achter je. Loop vooruit. Dan zul je een grote palmboom zien. Daar stond ons huis.°
Nour rende ernaartoe en sloeg haar armen om de stam. ‘Dit is de palmboom van mijn grootmoeder’, zei ze en begon te huilen.
Het huis van de familie Dakkak
Een ander verhaal begon in een collegezaal in Koeweit, ver weg van Palestina. ‘Ik vertelde over We Were and Still Are… Here en deelde foto's en verhalen van huizen die de mensen die eruit verdreven waren, hadden overleefd. Na de lezing kwam er een Palestijns-Amerikaanse man naar me toe die zich voorstelde als Naser Dakkak. Die familienaam prikkelde mij. Dakkak? Uit Jeruzalem?’
Na een paar minuten veranderde die herkenning in een openbaring. Nasers grootvader, Chakib Dakkak, had een huis gehad in Al-Baqaa, Jeruzalem. Naser had er een oude foto van. Het huis bestond echt voor hem, maar alleen als foto.
Tarek deed Naser een voorstel. ‘Met je bevoorrechte paspoort kun je proberen naar Palestina te gaan en kunnen we het huis gaan zoeken.’ Drie maanden later arriveerde Naser in Jeruzalem, samen met zijn kinderen, Khaled en Yasmeen.
‘De schattenjacht kon beginnen. Samen liepen we door de straten van Al-Baqaa en vergeleken we oude foto's met deuropeningen, balkons en bogen. En toen was het er plotseling.’

© Tarek Bakri
Hun huis! Verborgen achter torenhoge bomen, waarschijnlijk meer dan honderd jaar oud, stond het daar in al zijn stille elegantie. Khaled en Yasmeen keken naar het huis, en vervolgens naar hun vader.
‘Het is mooier dan ons huis in de Verenigde Staten’, zeiden ze. Er volgde een vraag, moeilijk voor kinderen maar onmogelijk niet te stellen: ‘Wat als we waren gebleven? Als de Nakba niet had plaatsgevonden … zouden we dan in dit prachtige huis wonen?’
Terwijl ze voor het huis van hun grootouders stonden om een foto te maken, ging de deur open. Een Israëlische familie vroeg voorzichtig: ‘Wie zijn jullie?’
Tarek antwoordde eenvoudig: ‘Het zijn de eigenaren van dit huis.’
De familie keek geschokt. Ze hadden het huis net gekocht en het zou de eerste nacht zijn dat ze er gingen slapen. Ze fluisterden onrustig, noemden het ongeluk.
Maar voor Naser was dit geen bijgeloof, maar geschiedenis. Hij had niet alleen een oude foto, maar ook alle officiële documenten die aantonen dat het huis aan zijn familie toebehoorde. Akten. Papieren. Bewijs.
Toch deed dat er allemaal niet toe. Want nadat Nasers grootouders in 1948 vluchtten, keurde het Israëlische parlement in 1950 de Wet op eigendommen van afwezigen goed. Palestijnen die waren gevlucht of verdreven, werden geherclassificeerd als “afwezigen” en hun huizen werden overgedragen aan de nieuw opgerichte staat Israël.
Met deze wet kan Naser, zelfs met alle documenten in handen, niet terugkeren naar het huis van zijn familie. Op papier werd de familie Dakkak uitgewist. In werkelijkheid heeft ze nooit opgehouden te bestaan.
Het huis van Sjeik Hanna Bisharat
Het werd ooit Het Paleis van Haroun Al-Rasheed genoemd. Een prachtig huis in Jeruzalem. Eigendom van de familie Bisharat, een christelijke Palestijnse familie wiens naam verweven was met het sociale en culturele leven van de stad.

Het huis van sjeik Hanna Bisharat
© Tarek Bakri
Na 1948 vluchtte de familie Bisharat – net als vele andere Palestijnse families – voor de Nakba. Hun huis werd een zetel van de macht. Golda Meir, de latere premier van Israël, woonde er toen ze minister van Buitenlandse Zaken was, tussen 1956 en 1966.
Op een seminarie van de VN in 1980 werd een citaat van Golda Meir uit The Sunday Times van 15 juni 1969 gebruikt: ‘Er was niet zoiets als Palestijnen … Het was niet zo dat er in Palestina een Palestijns volk was dat zichzelf als een Palestijns volk beschouwde, en dat wij kwamen en hen eruit gooiden en hun land afnamen. Ze bestonden niet.’
Tientallen jaren later kwam Andrew, de achterkleinzoon van Sjeik Hanna Bisharat, naar Jeruzalem om het huis van zijn overgrootvader te bezoeken. Hij stond buiten de poort en keek niet naar een monument, maar naar een erfenis, naar iets heel persoonlijks, iets dat was weggenomen maar in zijn herinnering onveranderd was gebleven.
Terwijl Andrew en Tarek foto's namen voor de tuin, kwam er een Israëlische bouwvakker uit het huis. Andrew sprak kalm. ‘Dit is het huis van mijn grootouders. Ik zou het graag willen zien.’ De arbeider antwoordde dat het huis in verbouwing was. Hij bood aan om Andrew de contactgegevens van de huidige eigenaren te geven. ‘Als ze je toestemming geven,’ zei hij, ‘kun je naar binnen.°
Andrew verstijfde bij het horen van dat woord. Toestemming! Hij weigerde. In plaats daarvan liep hij de tuin in en plukte twee citroenen van een boom. Hij hield ze voorzichtig vast, niet als gestolen goed, maar als aandenken. Hij zou ze meenemen naar de Verenigde Staten, één voor zichzelf, de andere voor zijn vader.
De familie Jallad
In de jaren 40 stond een gezin op de trap van hun huis in de wijk Talbiyah, in het westen van Jeruzalem, en poseerde voor een foto. Ze wisten niet dat deze alledaagse foto ooit als bewijs zou dienen. Niet alleen als bewijs van een huis waar ooit iemand in woonde, maar ook van een hele wijk die leeg was komen te staan.

De familie Jallad
© Tarek Bakri
De familienaam zelf draagt een reis in zich. In de twaalfde eeuw migreerde de familie naar Palestina vanuit Le Gélat, een stadje in Zuid-Frankrijk. Aan het stadje ontleenden ze hun naam. Nadat enkele generaties zich in het land hadden gevestigd en zich de taal hadden eigengemaakt, namen sommige familieleden de naam Jallad aan, een vorm die meer vertrouwd is met het Arabisch.
De Nakba dwong de familie Jallad Palestina te verlaten. Ze vluchtten naar Libanon, waar de meeste van hun nakomelingen vandaag wonen. Hun huizen bleven niet leeg. Op grond van de Wet op eigendommen van afwezigen nam de bezetter de controle over hun huizen over. De huizen werden aan nieuwe bewoners overgedragen om zo Israëlische gezinswoningen te worden.
Meer dan een souvenir
Wanneer Palestijnen na een kort bezoek aan Palestina terugkeren naar de diaspora, komen ze zelden met lege handen aan. De meesten nemen aarde mee. Niet als souvenir in de gebruikelijke zin, maar als een kleine, tastbare herinnering dat hun verbondenheid met het land niet door grenzen of wetten kan worden verbroken.
‘Ontheemding is niet alleen ballingschap’, zegt Tarek Bakri. ‘80 procent van de bevolking van Gaza is intern ontheemd. 40 procent van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever zijn vluchtelingen.’
Gedurende een korte periode stond Israël toe dat oudere Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever Jeruzalem binnenkwamen. Tarek begeleidde toen Halima, een inwoonster van het vluchtelingenkamp Al-Jalazoun bij Ramallah, terug naar haar geboorteplaats, Beit Nabala. Ze was er in 1948 uit verdreven.
In Beit Nabala zag Tarek hoe Halima aarde meenam en er munt in plantte. Telkens wanneer ze thee zette, voor zichzelf of voor een gast, zorgden de muntblaadjes voor meer dan alleen smaak. Het waren herinneringen. En elk kopje werd een verwelkoming geworteld in de aarde van haar dorp.
Koloniale bebossing
Het uitwissen bleef niet beperkt tot muren en daken, maar breidde zich uit over heuvels en valleien. Tarek volgde die ontwikkeling, waarbij hij voorbij de huizen keek om te onthullen hoe bossen werden aangeplant om hele dorpen te verbergen – een strategie die hij 'koloniale bebossing' noemt.
Na de oprichting van het Joods Nationaal Fonds, in 1901, lanceerde het grootschalige bebossingsprojecten om werk te verschaffen aan Joodse immigranten. Door vertrouwde Europese bomen te planten zou het hen helpen om zich thuis te voelen.
De bebossing werd al snel een instrument van kolonisatie, een manier om een nieuwe identiteit in de grond te laten wortelen, terwijl de vorige erin werd begraven. ‘Na 1948 werden bossen aangeplant op de ruïnes van verwoeste Palestijnse dorpen’, vertelt Tarek. ‘Wat ooit dorpen waren, werd hernoemd, in een nieuw jasje gestoken en gepresenteerd als ongerepte natuur.’
De Israëlische historicus Ilan Pappé onthult in zijn boek The Ethnic Cleansing of Palestine (2006) hoe bossen niet alleen werden aangeplant om het land te bedekken, maar ook om er herinneringen in te verbergen.
‘Toch biedt zelfs de natuur weerstand’, legt Tarek uit. De bomen uit Europa zijn niet geschikt voor het Palestijnse klimaat. Vreemde soorten, zoals een Europese variant van de Cupressus, die verschilt van de inheemse cipres, werden met geweld in de Palestijnse bodem geplant. Plantkundigen leggen uit dat de chemische stoffen in deze bomen gevaarlijk reageren op de hitte en de lucht in Palestina.
‘In 2021 raasde er een enorme brand door de westelijke heuvels van Jeruzalem, waarbij duizenden hectaren in vlammen opgingen’, weet Tarek. ‘Nadat de vlammen de bossen in de as gelegd hadden, verscheen er iets alouds: stenen terrassen, of sanasil in het Arabisch, aangelegd door Palestijnse boeren om het land in de bergen te bewerken. De brand legde bloot wat de bebossing had proberen uit te wissen.’

© Tarek Bakri
De inheemse cactus
Terwijl buitenlandse bossen werden aangeplant om dorpen te verbergen, bleven de inheemse cactussen staan als herinnering aan die dorpen. ‘In sommige gebieden,’ zegt Tarek, ‘kan ik zien dat er huizen hebben gestaan. Niet aan de ruïnes, maar aan de cactussen.’
‘Palestijnen plantten cactussen rond hun huizen als natuurlijke wering.’ Nadat de dorpen in 1948 waren verwoest, bleven de cactussen staan. ‘Zelfs vandaag kun je aan de vorm van de cactusrijen zien waar ooit een huis stond: drie zijden cactussen omsluiten een leeg vierkant stuk land, maar nooit de westelijke zijde. In Palestina komt de wind uit het westen en cactusnaalden zouden naar binnen kunnen geblazen worden en de bewoners verwonden.’
Deze kennis werd mondeling overgeleverd, niet schriftelijk.
Wie is Tarek Bakri?
Tarek Bakri is een Palestijnse onderzoeker gevestigd in Jeruzalem. Hij studeerde ingenieurswetenschappen in Jordanië. Hij is de winnaar van de Jerusalem Award for Culture and Creativity 2018 en heeft verschillende tentoonstellingen en seminaries georganiseerd in Palestina, de Arabische wereld en Europa. Hij gelooft dat herinnering een onbetwistbaar mensenrecht én identiteit is.
Deze analyse werd geschreven voor MO*160, het zomernummer van MO*magazine. Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.

:format(png))