Blijf contact zoeken met jongeren in een precaire situatie, ook als ze in verzet treden

Column

De maand van Saskia Van Nieuwenhove

Blijf contact zoeken met jongeren in een precaire situatie, ook als ze in verzet treden

Blijf contact zoeken met jongeren in een precaire situatie, ook als ze in verzet treden
Blijf contact zoeken met jongeren in een precaire situatie, ook als ze in verzet treden

Saskia Van Nieuwenhove, gespecialiseerd in jeugdzorg en jeugdbeleid geeft deze maand een persoonlijke blik achter de schermen van de kinder- en jeugdhulp. Deze week: het verhaal van Hasbia, en waarom je je als hulpverlener buiten de muren van je organisatie moet begeven.

© Konstantinos Tsanakas

Saskia Van Nieuwenhove: ‘Met het verhaal van Hasbia wil ik benadrukken hoe belangrijk het is om als hulpverlener op laagdrempelige manier binnen de leefwereld van kwetsbare mensen te treden.’

© Konstantinos Tsanakas

Experte jeugdzorg en jeugdbeleid Saskia Van Nieuwenhove geeft als MO*columniste deze maand een persoonlijke blik achter de schermen van de kinder- en jeugdhulp. Waar de samenleving tussenkomt wanneer een kind of jongere geen veilige thuis heeft, door welke omstandigheden dan ook. Deze week: het verhaal van Hasbia, en waarom je je als hulpverlener buiten de muren van je organisatie moet begeven.

De relatie tussen kinderen en de overheid werd in België in 1992 in een kinderrechtenverdrag gegoten. Ik kan vandaag dus het mooie ronde cijfer van 30 jaar geratificeerde kinderrechten tikken in deze column. In die tijd zijn al mooie stappen gezet, maar er blijft werk aan de winkel. De strijd om piepjonge slachtoffers in een democratische rechtstaat te omkaderen, zodat al hun fundamentele rechten gevrijwaard worden, is niet nog voorbij.

Om die reden breng ik deze maand elke donderdag een blik achter de schermen van de kinder- en jeugdhulp, aan de hand van enkele (anonieme) getuigenissen of praktijkgevallen. Maar het staat als een paal boven water dat die een veel grotere groep vertegenwoordigen van kinderen en jongeren die zich ergens binnen de integrale jeugdhulp bevinden.

Ik kies bewust niet voor de heftigste verhalen, maar wel voor diepmenselijke situatieschetsen, want net die zijn representatief voor heel wat tieners.

Wanneer de maatschappij tussenkomt

Een van de jongeren die ik volg, is de 18-jarige Hasbia (en dat is niet haar echte naam). Toen ze 11 jaar was, merkte haar school op dat ze vaak afwezig was. En als ze er wél was, bleek ze vaak blauwe plekken te hebben en merkte de turnleraar op dat ze op de bank bleef zitten bij het sporten.

Daarop werd het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) ingeschakeld, en al vrij snel volgde Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ). Het OCJ onderzoekt dan of de overheid de hulpverlening van de jongere mee moet opvolgen. Is dat het geval, dan is er sprake van een ‘maatschappelijke noodzaak’ en wordt verwacht dat de samenleving tussenkomt.

Haar stiefvader verdroeg haar niet in dezelfde ruimte. Ze verbleef op een zolderkamertje met een emmer en maar af en toe een maaltijd.

Voor Hasbia bleek dat al snel het geval te zijn. Haar zelfontplooiing stond thuis erg onder druk. Haar stiefvader verdroeg haar niet in dezelfde ruimte. Buiten de schooluren verbleef Hasbia op een zolderkamertje met een emmer (en geen toegang tot het toilet) en maar af en toe een maaltijd. Er was ook sprake van geweld. Hasbia werd daardoor al vrij snel uit huis geplaatst en een jeugdrechter werd aangesteld.

In de jeugdinstelling aardde Hasbia aanvankelijk niet. Er golden andere regels, er waren veel nieuwe gezichten en niet de eetgewoontes zoals ze die thuis kende.

Na een tijdje beterde het. Ze deed mee aan activiteiten, ging opnieuw geconcentreerd en gemotiveerd naar school en had veel aan de bezoekmomenten van haar mama.

Zo ging enkele jaren alles naar behoren. Hasbia was blij met haar begeleiders en deed veel leuke dingen met haar leefgroep. Maar mama ging niet weg bij de stiefvader, waardoor de ongerustheid bleef en terug naar huis gaan nog steeds geen optie was.

Weg van de instelling

Na een zoveelste zitting van de jeugdrechtbank kreeg Hasbia te horen dat ze nog niet naar huis kon en terwijl de bezoekmomenten met haar mama behouden bleven. Maar ze was het beu. Ze hunkerde naar haar thuis en vond de bezoeken met haar mama veel te kort. Ze begon zich opnieuw meer en meer af te sluiten van de leefgroep en nam steeds minder deel aan activiteiten.

Op een gegeven moment benaderden jongens haar via sociale media. ‘Kom eens chillen’, stelden ze haar voor. ‘Een jointje zal je goed doen.’ Ze ging op het voorstel in. De eerste afspraakjes bleken inderdaad vooral wat chillen, samenzijn en een jointje roken. Maar ze zocht steeds meer contact met de jongens. Tot ze wegliep en niet meer terugkeerde naar de jeugdinstelling.

Een paar weken later werd ze teruggevonden, maar kort daarop liep ze weer weg. Opnieuw werd ze gevonden waarop de jeugdrechter haar in een beveiligde opvang plaatste. Dat zijn gespecialiseerde instellingen waar jongeren terechtkunnen, naast de reguliere jeugdopvang. Maar tegelijk zijn het ook instellingen die minderjarigen beroven van hun vrijheid zonder dat ze een misdrijf pleegden.

Verdriet

Hasbia verbleef bijna drie jaar in die beveiligde opvang. Ze leerde er met haar verdriet omgaan en haar agressie beheersen.

Maar het ene verdriet werd vervangen door een ander. In die drie jaar ging ze amper naar school. Ze deed nog minder leuke dingen met haar mama, die wel op bezoek mocht komen, maar alleen op het domein van de opvang.

Ze had die drie jaar lang ook weinig tot geen toegang tot sociale media. Ze kon drie jaar niet meer uitgaan, op af en toe een feestje in de opvang na dan. Het creëerde een groot gemis, en het gevoel dat ze niet bij andere meisjes van haar leeftijd hoorde.

‘Ik wil jullie niet meer’, schreeuwde ze. ‘Als ik achttien jaar ben, moet iedereen mijn kop met rust laten. Ik ga alleen wonen in een studio. Punt.’

Nadien wilde ze niets meer met hulpverlening te maken hebben. ‘Ik wil jullie niet meer’, schreeuwde ze. ‘Als ik achttien jaar ben, moet iedereen mijn kop met rust laten. Ik ga alleen wonen in een studio. Punt.’

Eens ze alleen was, kwamen vele herinneringen en onverwerkte trauma’s terug. Nachtmerries. Angsten. Het niet kunnen omgaan met geld. Het niet kunnen ‘nee’ zeggen tegen drugs en slechte invloeden.

Eerder al was ze aangemeld bij Payoke, een referentiecentrum voor slachtoffers van mensenhandel. Dat gebruikt zijn expertise om te kijken of iemand slachtoffer geweest is van seksuele uitbuiting. Ook de jeugdrechter en de hulpverlening vermoedden dat er meer aan de hand was geweest in de weken dat ze weggelopen was met de jongens. Er was een sterk vermoeden van seksuele uitbuiting.

Medewerkers van Payoke zochten Hasbia verschillende keren op in de beveiligde opvang, maar Hasbia wilde niet spreken. ‘Waarom zou ik praten? Om nog langer in die beveiliging te moeten blijven?’ verklaart ze vandaag haar zwijgen van toen. Toen ze achttien werd, verviel de beveiliging en kon ze alleen gaan wonen.

Ik ken Hasbia al sinds haar verblijf in de beveiligde opvang. Via mijn vzw Klaprozen, die een kleinschalige, huiselijke opvang voorziet voor tienerslachtoffers van pooiers, bezocht ik haar.

Zodra ik vernam dat ze op eigen benen zou gaan staan, stuurde ik haar om de paar dagen een bericht met de vraag hoe het met haar ging. De ‘goed, goed’ van die eerste weken evolueerde al snel naar duidelijke hulpkreten. ‘Ik zit in de shit’, vertelde Hasbia dan. ‘Ik kan mijn appartement niet netjes houden en mijn geld is meteen op. Dan heb ik dagen honger.’

Daarna ging het snel. Ze kwam naar Klaprozen en begon op haar eigen ritme alles wat ze belangrijk vindt opnieuw in orde te krijgen. Van haar papieren en identiteitskaart regelen over medewerking verlenen aan de politie tot leuke dingen doen met haar mama, zoals samen gaan winkelen, opnieuw naar school gaan of gaan sporten.

Communiceer via chat

Met het verhaal van Hasbia wil ik het belang benadrukken van outreachend werken: proactief een band opbouwen met mensen in een precaire situatie. Het is de laagdrempelige manier waarop je je als hulpverlener buiten de muren van de eigen organisatie begeeft en binnen de leefwereld van kwetsbare mensen treedt.

Voor kwetsbare mensen zijn er vaak gegronde redenen om in verzet te gaan. Daarom is het belangrijk om actief contact te blijven zoeken. Al gaat het om dat truitje dat ze willen kopen of om samen een colaatje gaan drinken. De gewone dingen.

En als dat al te veel druk legt, probeer je contact te leggen via berichten. Want geschreven berichten zijn vaak minder confronterend dan een persoonlijk gesprek.

Geef speurders de mogelijkheid om met slachtoffers te communiceren via chat als een verhoor (nog) niet lukt.

In Vlaanderen bestaan al prachtige initiatieven van organisaties die proactief een band proberen opbouwen met mensen in een precaire situatie. Elk begeleidingstehuis zou systematisch contact moeten blijven zoeken, ook met de groep jongeren die op hun achttien jaar de deur achter zich dichttrekt en zegt: ‘Salut, laat mij nu maar met rust!’

Referentiecentra die werken rond mensenhandel hebben ook meer middelen nodig. Zo kunnen ze bij verzet diezelfde outreachende methodes beter toepassen en bij verzet toch blijven terugkeren. Want gruwelijkheden die iemand heeft meegemaakt, die bespreek je niet meteen. Zeker niet als er nog meer trauma’s meespelen en er veel verdriet aanwezig is.

In Nederland staan ze op dat vlak al verder. Zelfs de politie communiceert er met piepjonge slachtoffers via chat. Het is een methode die er erkend is en die gebruikt kan worden in het strafdossier.

Daarmee wil ik de bijzondere commissie Mensenhandel en Mensensmokkel, die na de krokusvakantie van start gaat in de Kamer, meteen een concrete aanbeveling aanreiken: geef speurders ook die mogelijkheden, als een verhoor met een slachtoffer (nog) niet lukt.