Verzet als morele plicht

Essay

30 jaar ecologische denktank Oikos

Verzet als morele plicht

nie wieder krieg
nie wieder krieg

Marie-Monique Franssen

10 september 202619 min leestijd

De opstapeling aan slecht nieuws en het opbod aan gruwel overspoelen ons. Hoe moet het verder? Marie-Monique Franssen dook in het verzetsverleden van haar eigen familie en het werk van schrijvers uit de vorige eeuw op zoek naar antwoorden en inzichten die ons kunnen helpen deze tijd het hoofd te bieden. Wat betekenen morele moed en verzet in de chaos van de 21ste eeuw?

‘Het is moeilijk om de aard van een echte breuk te begrijpen wanneer die nog altijd door het weefsel van onze wereld scheurt’, schrijft Naomi Klein in haar aanbeveling voor Omar El Akkads boek One day, everyone will always have been against this (Canongate, 2025). Ze legt daarbij de vinger op een actuele wonde: het is moeilijk woorden te vinden die de brutaliteit en onverschrokkenheid van dit tijdperk weerspiegelen, omdat het moeilijk is te begrijpen wat er gebeurt terwijl iets gaande is.

De opstapeling aan slecht nieuws, het opbod aan gruwel, alles voelt wankel: opgroeien aan het begin van de 21ste eeuw, dat is niet van de poes.

Maar het is blijkbaar een sentiment dat al langer teruggaat. Wanneer hij in december 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur in ontvangst neemt, zegt Albert Camus:

‘Elke generatie denkt ongetwijfeld dat ze voorbestemd is om de wereld opnieuw vorm te geven. Mijn generatie weet echter dat ze dat niet zal doen. Maar haar taak is misschien wel nog groter. Namelijk: voorkomen dat de wereld uit elkaar valt’.

Deze kanteltijd vraagt meer van ons dan alles wat de westerse naoorlogse generaties ooit gekend hebben. Maar wat betekenen moed, verzet en standvastigheid in de totale chaos van de 21ste eeuw?

Wat voorafging

Ik dook in het verzetsverleden van mijn eigen familie op zoek naar antwoorden, lessen, inzichten… iets dat ons zou kunnen helpen deze tijd het hoofd te bieden.

Foto’s uit zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog, brieven, dagboeken, voorwerpen, medailles en zelfs een oorkonde van president Roosevelt: ons familiaal erfgoed van beide oorlogen ligt integraal verzameld in het huis van mijn overgrootouders, in een dorp op het Luikse platteland, dat zeven generaties terug gebouwd werd en sindsdien altijd in handen van de volgende generatie gebleven is.

Het statige huis werd bewoond door mijn overgrootouders en hun tien kinderen. Mijn overgrootvader was apotheker en het gezin was diepgelovig. Er waren kippen en een paar geiten en ze hadden ook bijenkasten. In de houtoven kon je wel tien broden tegelijk bakken, zo groot was hij. Het vuur werd er aangestoken met bundels rijshout. In de zomer vulde de geur van clafoutis de keuken. De fruitbomen in de tuin, een hazelaar, notelaars, kerselaars en pruimenbomen, zijn de stille getuigen van deze familiekroniek, stammend uit een tijd op het ritme van het landschap en een landschap op het ritme van de seizoenen.

Het onderwerp leefde zoals in zovele Europese gezinnen aan beide kanten van de familie en de herinneringen aan mijn grootouders zijn innig vervlochten met flarden oorlogsbeelden in de achtergrond. Onze familie bleef achtervolgd door de spoken uit dat verleden, het gevolg van oorlogstrauma’s en kwetsuren. Iets wat men vandaag intergenerationeel trauma noemt.

Op een dag logeerde ik in dat befaamde huis toen mijn vader op twee schuiven familiefoto’s stootte. Een van de beelden die hij van onder het stof haalde was een foto van mijn overgrootvader uit 1945, in bed onder een stapel dekens, vel over been, in zijn gestreepte gevangenisplunje en met gemillimeterd haar, op sterven na dood teruggekomen uit het Duitse concentratiekamp Buchenwald.

De foto moet enkele uren na zijn thuiskomst genomen zijn. Links van hem glundert de jongste van zijn tien kinderen, toen een jaar of zeven. Rechts van hem kijkt zijn vrouw hem aan met een glinster in haar ogen, alsof ze maar niet kan geloven dat hij effectief terug is. Zijn helderblauwe blik priemt vermoeid maar indringend in de lens van de fotograaf.

Het gezin van mijn grootmoeder zat integraal in het verzet. Mijn overgrootouders waren katholieken en hebben tijdens de oorlog tientallen joden, zowel kinderen als volwassenen, Russische en Canadese soldaten en ondergedoken communisten in dat huis opgevangen en verstopt. De joodse kinderen lieten ze met hun eigen kinderen naar school gaan, en dan deden ze alsof het hun broers en zussen waren. Van eentje kennen we de naam nog: Rosa.

Mijn grootnonkel, een kranige oude man van diep in de negentig en laatst overlevende telg, vertelde me hoe zijn zussen, onder wie mijn grootmoeder, mitraillettes verstopten in manden met wol, die ze op de fiets naar de verzetsleden brachten. Hijzelf vervoerde als tienjarige samen met zijn tweelingbroer geheime boodschappen voor de Russen, die ze in een kogelhuls in hun gulp naaiden. De oudere jongens namen als actieve leden deel aan grotere acties. Met andere woorden: het volledige gezin werd ingelijfd.

Le bruit des bottes

Op een dag kwam de SS. Mijn overgrootvader was verklikt en werd opgepakt om eerst naar de gevangenis van Namen en dan naar het concentratiekamp van Buchenwald afgevoerd te worden. Op de dag dat mijn overgrootvader op die vrachtwagen werd gezet, was er twijfel of mijn grootnonkel, de oudste van de tien kinderen en op dat moment een jonge gast van achttien jaar, ook meegevoerd zou worden. Uiteindelijk werd besloten dat hij mocht blijven.

De oudste, ik zal hem hier André noemen, moest de SS’ers rondleiden in het huis. Ze vermoedden dat er ergens een gewonde communist verstopt lag. De Duitsers, les boches, hadden zijn makker opgepakt en die had hem onder dwang verklikt. André loopt de trap op, met de Duitsers in zijn zog.

De ruimte waar de gewonde ondergedoken zat, was afgesloten door een kast waartegen dozen en flessen van de apotheek gestapeld waren. Maar vanonder de kast scheen een strook daglicht, die de krappe ruimte achter de kast verried. André wendt zijn blik af naar de strook, de SS’er achter hem ziet het… en hij doet niets.

Hij doet alsof hij de lichtstrook niet gezien heeft. Zijn collega’s beginnen de dozen en de flessen tegen de kast weg te slepen en hij zegt: ‘Laat het zitten, daar is niets te vinden’. De Duitser wist dat als ze iets of iemand zouden ontdekken achter de kast, ze verplicht waren het volledige gezin, tien kinderen inclusief, tegen de muur te zetten en te fusilleren. Hij houdt zijn mond. We zullen nooit weten wat er door het hoofd van deze Duitse man ging, maar over dat moment vertelde mijn grootnonkel me later: ‘Ils ont eu pitié de nous’. De Duitsers hadden medelijden met ons.

Wat nu is

Terug naar anno 2026. Nie wieder Krieg, dat was het motto, of dat dachten we toch. En als we zeiden ‘nooit meer oorlog’, dan bedoelden we nooit meer oorlog voor iedereen. Nochtans lijken we tachtig jaar later aan de vooravond van de derde wereldoorlog te staan en overmeestert het opbod voor defensie-uitgaven en een nieuwe wapenwedloop elk ander maatschappelijk discours, terwijl alle sociale rechten, waar zo hard voor gestreden is, wereldwijd stelselmatig afgebouwd worden.

Een mensenleven lijkt in deze nieuwe wereldorde niks meer waard te zijn. Maar was het dat ooit wel? De geschiedenis leert ons van niet.

Er is een beeld dat voor altijd op mijn netvlies gegrift zal staan. Het is het beeld van een man die, tegen de achtergrond van een tentenkamp dat in lichterlaaie staat, het rompje van een onthoofde baby in de lucht houdt, zonder ledematen. Bij het zien van dat beeld is er iets in mij voor altijd gebroken.

Met elk kind, elke persoon die in Gaza op brute wijze door Israël werd vermoord, door granaatscherven werd verscheurd of aan stukken werd geblazen, terwijl wanhopige moeders gilden, vaders huilden en vlammen laaiden, stierf er ook een stukje van mezelf.

Ik zal nooit vergeten hoe Khaled Nabhan het bleke, levenloze lijfje van zijn driejarige kleindochter Reem teder tegen zich aan drukt terwijl hij haar zachtjes wiegt en prevelt: ‘Ruh al-Ruh’, ziel van mijn ziel. Zelfs in de diepste krochten van de hel troost het Arabisch, misschien wel de meest poëtische van alle talen.

Net als de miljoenen mensen wereldwijd die deze gruwelijke taferelen via het scherm van hun telefoon binnenkregen, is het een gevoel dat me sinds de herfst van 2023 niet meer loslaat. De genocide in Gaza heeft vele mensen samen met mij voor altijd veranderd. Een hele generatie jongeren is nu opgegroeid met de wetenschap dat het niet uitmaakt of mensen het weten of niet, of er bewustzijn is of niet: de horror mag gewoon doorgaan.

‘Weten mensen dan niet wat hier met ons gebeurt?’, vroeg de zus van een uit Gaza gevluchte vriend. De genocide betekende onbeschrijfelijk leed, maar zorgde ook voor een harde breuk, één die niet meer te herstellen valt. De sluier van valse deugdzaamheid en pseudo-mensenrechten viel definitief af en toonde ons de naakte waarheid voor wat ze is. ‘Wir haben es nicht gewusst’ kunnen wij niet zeggen. De naoorlogse samenleving brokkelt definitief af.

In zijn boek One Day Everyone Will Have Always Been Against This, schrijft de Egyptische journalist Omar El Akkad hierover:

‘Het is een fractuur, een breuk van een andere orde. Een afkeer van het mechanisme dat dergelijke gruwelen voortbrengt of toestaat. Wat er is gebeurd zal de geschiedenis ingaan als het moment waarop miljoenen mensen naar het Westen keken, naar de “op regels gebaseerde orde”, naar de schil van het moderne liberalisme en het kapitalistische systeem dat het dient, en zeiden: hier wil ik niets mee te maken hebben’.

‘Uiteindelijk’, vervolgt hij, ‘bestaan er geen internationale orde, universele mensenrechten, gelijke rechten voor iedereen. Er bestaan enkel vluchtige afspraken uit opportunisme, waarbij alle menselijke collateral damage acceptabel lijkt, zolang het de belangen van het imperium dient’.

Over moed en verzet

In haar bekende essay Of Courage and Resistance, schrijft Susan Sontag:

‘Tot nu toe verschansten we ons achter woorden als rechtvaardigheid, vrede en verzoening, woorden die ons inschrijven in nieuwe, zij het veel kleinere en relatief machteloze, gemeenschappen van gelijkgestemden. Woorden die ons mobiliseerden voor de demonstratie, het protest en het publiekelijk verrichten van daden van burgerlijke ongehoorzaamheid — niet voor het slagveld.’

Moed als principe heeft op zichzelf geen morele waarde, verzet evenmin, vervolgt ze. Om moed als een deugd te beschrijven, hebben we een bijvoeglijk naamwoord nodig: we spreken dan van ‘morele moed’.

In het geval van verzet is het de inhoud ervan die de waarde ervan bepaalt. In plaats van het dus over verzet an sich te hebben, is het de toevoeging erachter die de term betekenis geeft. Laten we dus zeggen: Verzet — tegen een misdadige oorlog. Verzet — tegen de bezetting en annexatie van het land van een ander volk. Verzet – tegen de destructie van onze biosfeer.

Deze tijd vraagt om hernieuwde principes. Maar, vervolgt Sontag, dat is het eeuwige lot van principes: hoewel iedereen beweert ze te hebben, worden ze al snel opgeofferd zodra ze ongemakkelijk worden.

Een moreel principe brengt iemand al snel in strijd met de gangbare praktijk. En dat heeft soms ongemakkelijke gevolgen, bijvoorbeeld wanneer de gemeenschap zich keert tegen zij die haar tegenstrijdigheden aan de kaak stellen, zij die willen dat een samenleving daadwerkelijk de principes hooghoudt die zij beweert te verdedigen.

‘Principes nodigen ons uit om iets te doen aan het moeras van tegenstrijdigheden waarin we leven. Principes nodigen ons uit om de boel op te kuisen, om intolerant te worden tegenover morele laksheid en het compromis en lafheid en het wegkijken van wat moeilijk is: dat knagende gevoel in het hart dat ons vertelt dat wat we doen niet juist is, en ons daarom adviseert er beter niet over na te denken.’

‘Je moet weten dat ze niet allemaal slecht zijn’

Over de banaliteit van het kwade en hoe schijnbaar gewone mensen beulen kunnen worden is al veel inkt gevloeid, maar dit stukje uit Hannah Arendts Eichmann in Jerusalem (1963), spreekt tot op vandaag aan:

‘Onder omstandigheden van terreur zullen de meeste mensen zich schikken, maar sommigen doen dat niet; net zoals de les uit de landen waar de Endlösung werd voorgesteld is dat het op de meeste plaatsen zou kunnen gebeuren, maar dat het niet overal is gebeurd. Menselijk gezien is er niet meer nodig, en kan er niet meer worden gevraagd dan dat, om deze planeet een plek te laten blijven die geschikt is voor de mens om in te wonen.’

Met andere woorden: zelfs onder een totalitair regime blijft er een morele keuze bestaan, en deze keuze heeft politieke gevolgen, zelfs als degene die de keuze maakt politiek machteloos is.

Soms kan zo’n keuze zelfs een voltallige familie, en alle nazaten, het leven geven. Ook al was hij stervende in het kamp en wist hij op bijna miraculeuze manier te overleven, zei mijn overgrootvader toen hij terugkwam: ‘Il faut savoir qu’ils ne sont pas tous mauvais’. Je moet weten dat ze niet allemaal slecht zijn.

Mijn overgrootvader betaalde een erg hoge prijs. Hij kwam het trauma van Buchenwald zowel mentaal als fysiek nooit te boven. Ook zijn kinderen en kleinkinderen zijn niet gespaard gebleven van de demonen. Maar de bottom line is deze: het feit dat jouw verzet het onrecht wellicht niet kan stoppen, ontslaat je er niet van om te handelen in het belang van de gemeenschap.

De inzet zal altijd vele malen groter zijn dan het resultaat, maar je onderneemt actie omdat dat moreel het juiste is om te doen. En soms mondt dat dan uit in het redden van tientallen mensenlevens en draagt het bij aan de bevrijding van je land. Tussen de plooien van de geschiedenis vind je ontelbare verhalen als deze. Verhalen van hele gewone mensen die uiteindelijk hele grote dingen deden.

Wat komen zal

‘Uiteindelijk staan de grote voorbeelden van verzet centraal in ons morele leven, de grote verhalen van zij die nee gezegd hebben’, schrijft Susan Sontag verder. Maar om te kunnen tippen aan die voorbeelden, en ze waardig als voorbeeld in ons eigen tijdperk binnen te brengen, vraagt het ook van ons comfortabel te worden met het oncomfortabele, daar waar het schuurt, de frictie aan te gaan.

Deze voorbeelden tonen bovendien aan dat wat rechtvaardig is en wat niet, simpelweg niet te vatten valt in een strikt juridisch kader, maar onderhevig is aan context en verandering. En dat in sommige situaties de wet breken moreel het meest te verantwoorden is.

Er zijn talloze voorbeelden uit de geschiedenis waar we nu met respect en eerbied op terugkijken, maar die toen volstrekt niet vanzelfsprekend waren en meer nog, op felle weerstand stuitten. Dit geldt tot op vandaag.

Wat ze deden was op dat moment volstrekt illegaal, maar uiteindelijk was het verhaal van mijn familie niets meer dan een aaneenschakeling van keuzes waarbij de ene het logische vervolg was op de andere. Er treedt een soort gewenning op: als dat je realiteit is, dan doe je dat gewoon. Het is pas achteraf dat je de draagwijdte ten volle beseft.

Joden opvangen, soldaten verzorgen, in het verzet zitten, dat was allemaal strafbaar volgens de wet en de regels van die tijd. Ze kozen voor burgerlijke ongehoorzaamheid omdat ze beseften dat de wet immoreel was. Mijn overgrootvader handelde vanuit het principe dat de regels die gelden soms moreel niet te verantwoorden zijn. Hij beschikte, samen met zijn vrouw, over de kritische geest om het verschil tussen de twee te zien, gedreven door hogere idealen.

De onderstroom

De toekomst wordt gebouwd in de onderstroom, met mensen die niet meer wachten maar het heft in handen nemen. De enige manier waarop we de conventies en paradigma’s waartegen we ons keren op hun kop kunnen zetten, is door standvastig te blijven bouwen aan de alternatieven.

‘Weigeren mee te werken aan het vormgeven van onze toekomst, betekent die toekomst opgeven. Ieder van ons moet daarom zijn taak vinden en die vervullen’, schrijft Audre Lorde. ‘Overal zijn mensen alvast aan de slag, en dit vooral buiten de schijnwerpers.’

‘Deze mensen wachten niet op toestemming, ze denken voorbij bestaande systemen en ze handelen vanuit urgentie, betrokkenheid en verbeeldingskracht. De onderstroom is geen randverschijnsel. Het is de toekomst in wording’, lees je op de website van transitiedenker Jan Rotmans.

Want eerlijk, als er een voordeel is dat deze brutale tijd ons biedt, dan is het wel dit: dat net in die totale ontrafeling van alles waar iedereen met een kloppend en rechtvaardig hart ooit voor heeft gestaan, in dat volledige uiteenvallen van elke vorm van fatsoen en waarden, misschien juist wel de potentie van iets nieuws schuilt. Dat wanneer alles openbreekt, dat daar net het licht komt doorschijnen, dat daar de nieuwe zaadjes ontkiemen.

Laten we bovenal nooit vergeten dat verzet collectief is. Achter het verhaal van mijn overgrootvader stond zijn hele gezin, zijn familieleden, de lokale pastoor, en alle andere burgers die elk hun steentje bijdroegen. Verzet kan enkel plaatsvinden in gemeenschap en collectieve organisatie.

Staying with the Trouble

Hoe moeten we dan verder? Door standvastig te midden van de problemen te blijven staan. Zo kijkt ook Donna Haraway ernaar: haar Staying With The Trouble gaat over morele verantwoordelijkheid nemen door in het heden aan de slag te gaan, in collectief, in het besef dat de situatie onvolmaakt en moeilijk is. Om een leefbaardere toekomst op te bouwen, moeten we de realiteit onder ogen zien zonder weg te kijken of toe te geven aan wanhoop.

Ik eindig daarom met een fragment uit Letter From Gaza, een brief van de Palestijnse schrijver en verzetsstrijder Ghassan Kanafani aan zijn vriend Mustafa uit 1956. Mustafa is verhuisd naar Californië en vraagt zijn jeugdvriend hetzelfde te doen. Maar Khanafani heeft besloten om in Gaza te blijven.

In de brief beschrijft hij hoe zijn dertienjarige nichtje Nadia haar been kwijtraakte toen ze zich bij een bomexplosie boven op haar jongere broers en zusjes smeet om hen te beschermen, en hoe zij zo symbool staat voor het leven zelf.

‘No, my friend, I won’t come to Sacramento, and I’ve no regrets. This obscure feeling that you had as you left Gaza, this small feeling must grow into a giant deep within you. It must expand, you must seek it in order to find yourself, here among the ugly debris of defeat.

I won’t come to you. But you return to us! Come back, to learn from Nadia’s leg, amputated from the top of the thigh, what life is and what existence is worth.

Come back, my friend! We are all waiting for you.’

Marie-Monique Franssen is cultureel antropoloog, schrijver en maître de conférence invitée aan de UCLouvain Saint-Louis Bruxelles. Ze is co-auteur van ‘Het Ecologisch Kompas’ (EPO, 2020) en ‘Voor wie willen we zorgen? Ecofeminisme als inspiratiebron’ (EPO, 2021).

Dit essay verscheen in het tijdschrift Oikos nr. 119 van de sociaal-ecologische denktank Oikos. Onder het motto ‘Samen courageus’ viert Oikos zijn 30ste verjaardag met een feestelijk evenement op woensdagavond 16 september in Kunstencentrum VIERNULVIER in Gent.

De tekst werd geschreven zonder gebruik van generatieve AI.

Bibliografie

  • El Akkad, Omar. 2025. One Day, Everyone Will Have Always Been Against This. Canongate.

  • Arendt, Hannah. 1963. Eichmann In Jerusalem: A Report On The Banality Of Evil. Viking Press.

  • Camus, Albert. 1957. Discours de réception du Prix Nobel.

  • Haraway, Donna. 2016. Staying With The Trouble: Making Kin In The Chthulucene. Duke University Press.

  • Kanafani, Ghassan. 2025. Men In The Sun And Other Palestinian Stories. Verso. Oorspronkelijk gepubliceerd door Lynne Riener Publishers Inc, 1999.

  • Lorde, Audre. 1982. ‘Learning from the 60s’. Speech ter gelegenheid van het Malcom X weekend aan de Universiteit van Harvard.

  • Onderstroom. https://onderstroom.org. Laatst geraadpleegd op 18 juli 2026.

  • Sontag, Susan. 2003. ‘Of Courage And Resistance’. The Nation.

Tags