Iedereen wil jongeren deradicaliseren, maar niemand komt met hen praten

Het debat en het beleid over radicalisering blijken een even groot probleem dan de reële radicalisering, vinden Ikrame Kastit en Pascal Debruyne. Op de vraag ‘wat moeten we doen?’, antwoorden beide, respectievelijk stafmedewerkster en voorzitter van Uit De Marge, kort en krachtig: luisteren naar en praten met jongeren.

  • mrehan (CC BY-SA 2.0) Ikrame Kastit: 'Jongeren voelen dat ze niet zichzelf niet mogen zijn, gewoon omdat ze tot een bepaalde geloofscultuur behoren.' mrehan (CC BY-SA 2.0)

Het is de logica zelve voor Uit De Marge, het steunpunt voor jeugdwerk met kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties.

‘Als we antwoorden willen, moeten we met de jongeren aan tafel gaan zitten en luisteren welke vragen zij hebben.’ Alleen lijkt die logica in het huidige politiek klimaat geen evidentie.

Jongeren worden vandaag in de eerste plaats benaderd met een deradicaliseringsbril, niet met het oog op positieve identiteitsontwikkeling. Bovendien wordt er onterecht bespaard in het basiswerk, schreven Ikrame Kastit en Pascal Debruyne in een eerder verschenen opiniestuk.

Pascal Debruyne: Die besparingen behoren tot een tendens die je in het ganse beleid van deze regering ziet. Allerlei maatregelen worden afgeschaft. Diversiteitsconsulenten en diversiteitsplannen bij het arbeidsmarktbeleid, straathoekwerkers in Antwerpen, overlegplatformen en onafhankelijke actoren zijn gaandeweg aangepakt in de hervorming van het inburgerings en-integratiebeleid. Daarmee heeft Vlaanderen enorm veel expertise en antennefuncties overboord gegooid om nu tot de vaststelling te komen dat direct overleg niet meer mogelijk is. Ironisch toch.

Dat heeft ook gevolgen voor het deradicaliseringsbeleid van deze regering, waar ambtenaren aan de slag moeten zonder bruggenbouwers. In een rapport van de vakgroep criminologie van de Universiteit Gent kwam men nochtans net tot de conclusie dat deze bruggenbouwers cruciaal zijn daarvoor.

Dat deradicaliseringsbeleid moet radicaal anders, zeggen jullie.

Ikrame Kastit: In het huidige debat over radicalisering en preventie van radicalisering van jongeren ontbreekt de stem van die jongeren. Het is toch absurd dat hun verhalen niet gehoord worden, niet zichtbaar gemaakt worden.

‘Het is verbijsterend dat men vlakaf negeert hoe men een ganse bevolkingsgroep problematiseert.’

Niemand vraagt jongeren wat zij vinden van het beleid, van de gevolgen ervan die ze dagelijks – en zeker niet op een positieve manier – ondervinden. In hun plaats komen zogenaamde experts in de media vertellen wat zij denken.

Het is verbijsterend dat men vlakaf negeert hoe men een ganse bevolkingsgroep problematiseert

Men heeft het constant over moslimradicalisme. Het is verbijsterend dat men vlakaf negeert hoe men daarmee een ganse bevolkingsgroep problematiseert. Jongeren voelen dat ze niet zichzelf niet mogen zijn, gewoon omdat ze tot een bepaalde geloofscultuur behoren.

‘Besparingen in het lokale basiswerk zetten jeugdwerk een hak’

‘De Vlaamse regering bespaarde 10 procent op de middelen voor het lokaal jeugdwerk’, zegt Pascal Debruyne. ‘Bovendien schrapte ze de Vlaamse beleidsprioriteiten, waaronder de participatie van maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren: ze hevelde de bijhorende middelen over in het gemeentefonds. Als ze deze middelen ook kunnen gebruiken om tekorten aan te zuiveren, dan is er geen garantie dat steden en gemeenten blijven investeren in het lokaal jeugdbeleid. De jeugdwerkingen verliezen ook middelen omwille van de besparingen in andere beleidsdomeinen. Vlaanderen bespaart minstens vijf procent bij de regularisatie van tewerkstellingsprojecten zoals GESCO, waarmee verschillende jeugdwelzijnswerkingen jongeren helpen integreren op de arbeidsmarkt.’

Ikrame Kastit vult aan dat het doelgroepenbeleid enorm onder druk staat. ‘Het ideaalbeeld is meer dan ooit dat kinderen en jongeren worden doorverwezen naar mainstream organisaties. Die werken vooral met mainstream doelgroepen maar hebben weinig oog voor specifieke noden van maatschappelijk kwetsbare groepen. Tegelijk zien we een paradox: terwijl er in bepaalde steden minder geld naar het jeugdwelzijnswerk gaat, blijven de verwachtingen ten aanzien van deze organisaties even groot.‘

Jongeren worden ook letterlijk geviseerd, zegt onder meer de Molenbeekse Montasser Al De’emeh die het zelf aan den lijve mocht ondervinden.

Pascal Debruyne: Ik vind het vreselijk wat Montasser overkwam – laat dat duidelijk zijn – maar hij wordt als publieke figuur wel gehoord, onze jongeren niet. Eén van onze jongens werd tijdens een controle, naar aanleiding van een oproep van een ‘bezorgde burger’, in een winkelcentrum hardhandig aangepakt en kreeg letterlijk een machinegeweer tegen zijn hoofd. Toen hij met zijn verhaal naar de media stapte, kreeg hij van sommige journalisten te horen dat hij eerst een klacht moest indienen tegen de politie voor ze het verhaal zouden brengen.

Het gevolg is dat jongeren steeds meer worstelen met de betekenis van hun burgerschap en met de vraag of ze wel gelijke burgers zijn in de huidige samenleving.

Ikrame Kastit: Vorige week nog had ik een overleg met jongeren. Ze zijn echt bang, bang om voortdurend verkeerd te worden bekeken als potentiële geradicaliseerden. Ze zijn bang om voortdurend te worden aangesproken, in de tram, op school, door de politie. Het gaat constant over moslimterreur, waar ze niets mee te maken hebben.

En dan was er Molenbeek, dat na de Parijse aanslagen het stempel kreeg van broeihaard voor jong gewelddadig jihadisme.

Pascal Debruyne: De Brusselse jeugdwelzijnswerking D’Broej werkt in Molenbeek dag in dag uit met kinderen en jongeren aan de vraag hoe ze hun rechten kunnen claimen, via opruimacties, pleinbezettingen, acties rond het recht op spelen of een politieveilig klimaat. Het is ongelofelijk wat ze moeten doen om een beetje media-aandacht te halen. En nu staat plots de hele wereldpers voor hun neus met de vraag waar ze de voorbije tien jaar gezeten hebben.

Als je weet wat zij en andere collega’s al jaren doen met kinderen en jongeren, dan betekent die vraag een slag in het gezicht.

Jeugdwerkingen hebben wel degelijk signalen gegeven aan de autoriteiten. Zeker het probleem van ronselaars die een negatieve invloed hebben op jongeren, is meermaals aangekaart door jeugdwerkers. Maar ook signalen over racisme en discriminatie, sociale uitsluiting op school of op de arbeidsmarkt, en de impact daarvan op het zelfbeeld, het vertrouwen en het toekomstperspectief van kinderen en jongeren. Alleen is daar door diezelfde autoriteiten te weinig mee gedaan.

Alle ogen zijn nu gericht op de commissie gewelddadige radicalisering van het Vlaams Parlement. Werden jullie betrokken?

Ikrame Kastit: We zijn begin dit jaar uitgenodigd in het Vlaams Parlement waar we hamerden om de focus te leggen op positieve identiteitsontwikkeling. Dat is de essentie van ons werk: kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties versterken zodat ze hun omgeving mee vorm kunnen geven en kunnen opkomen voor hun sociale grondrechten. We hebben ervoor gepleit om het jeugdwerk te blijven ondersteunen, maar om er ook voor te zorgen dat dit niet gebeurt met ‘deradicaliseringsmiddelen’.

Pascal Debruyne: We krijgen nu toch ‘deradicaliseringsmiddelen’ aangeboden van het beleid om aan positieve identiteitsontwikkeling te doen.

‘Over het aanpakken van de structurele oorzaken – onze scholen reproduceren nog steeds ongelijkheid – reppen de beleidsmakers niet.’

Dat geld willen wij niet, want het is niet onze opdracht.

Ons advies voor de commissie radicalisering van het Vlaams Parlement is heel duidelijk: hoe meer je jongeren behandelt als potentiële radicalen, hoe minder je hen als burger benadert en hoe minder ze zich als burger aangesproken zien.

En waar blijft de investering in de toekomst?

Over het aanpakken van de structurele oorzaken – onze scholen reproduceren nog steeds ongelijkheid – reppen de beleidsmakers niet. Dat is toch on-ge-lo-fe-lijk absurd. Ze laten zich verleiden tot het aankondigen van gemakkelijke maatregelen. De rationaliteit, de rust, de terughoudendheid om te reflecteren, alles is weg (diepe zucht).

Zien jullie dan geen “good practices” in sommige steden?

Pascal Debruyne: We zien dat sommige burgemeesters – bijvoorbeeld in Mechelen, Gent en Vilvoorde – in het debat een inclusief discours gebruiken en dat ze overleggen met organisaties die werken met kinderen en jongeren en hun gezinnen. Dat maakt een verschil. Maar of die inclusieve boodschap genoeg doorsijpelt naar het Vlaams parlement?

Ikrame Kastit: Inderdaad, we zien dat de Vlaamse overheid zich nauwelijks uitspreekt over hoe we werkgevers kunnen sensibiliseren. De idee om praktijktesten in te voeren tegen discriminatie op de arbeidsmarkt, wordt steeds meer gecontesteerd. Ook de broodnodige hervormingen in het secundair onderwijs blijven uit.

Er is blijkbaar een grote kloof tussen de leefwerelden van onze politici en de kinderen en jongeren die onze jeugdwelzijnswerkingen bereiken. We hebben meer politici nodig die met kinderen en jongeren praten, die hun ervaringsdeskundigheid erkennen. Er is geen tijd te verliezen.

Jullie vinden dat er teveel wordt ingezet op deradicalisering. Maar tegelijk wordt de overheid gedoogbeleid verweten tegenover mogelijke radicalisering door jonge moslims. Er ìs natuurlijk ook wel een probleem.

Ikrame Kastit: Je hoort ons niet zeggen dat er geen probleem is. Maar er wordt een hele bevolkingsgroep geviseerd als potentiële ‘radicalen’ omwille van de daden en overtuigingen van een zeer beperkte groep die overgaat tot geweld.

‘Deradicalisering mag niet uitsluitend gaan over moslimradicalisering, maar moet ook extreemrechtse radicalisering aanpakken.’

Daarnaast is er een radicaliseringsprobleem met mensen uit verschillende bevolkingsgroepen. Deradicalisering mag niet uitsluitend gaan over moslimradicalisering, maar moet ook extreemrechtse radicalisering aanpakken. Alleen komt dat nauwelijks aan bod. Terwijl de wederzijdse radicalisering de basis vormt van het kernprobleem: polarisering in de samenleving.

Weinig politici hebben bovendien kennis van of voeling met de internationale context. We schrijven ons buitenlandbeleid met twee maten en gewichten: de handel in olie en wapens gaan voor op rechtvaardigheid. Jongeren zien dat ook.

Pascal Debruyne: De Franse islamoloog François Burgat wijst ook dat het gevoel van internationale onrechtvaardigheid jongeren politiseert. Als Da’esh met een bulldozer een grenspost wegveegt, en zo de geschiedenis en het politieke idee van de kolonisatie sinds Sykes-Picot, dan kan dat bij sommige mensen een wervende kracht hebben , ook al keuren ze het geweld van Da’esh resoluut af. Het zogenaamde kalifaat is een nieuwe realiteit waar die koloniale grenzen zijn afgebroken. Vul dan dat aan met allerlei onrechtvaardige geopolitieke toestanden van Palestina tot Jemen, en dan krijg je het politieke luik van “radicalisering”.

We moeten dus ook de aantrekkingskracht van die politieke factoren meenemen om Syriëstrijders te begrijpen. Het religieuze aspect is maar een deel van het verhaal, al speelt dat ongetwijfeld een rol.

Er is behoefte aan een imamopleiding om de importimams te kunnen vervangen door Belgische moslims, klinkt het vanuit de commissie radicalisering.

Ikrame Kastit: De oudere generatie heeft misschien wèl iets aan een geïmporteerde imam maar jongeren dan weer niet. Ze hebben nood aan een imam die hun leefwereld begrijpt. Ze hebben geen behoefte om gepamperd te worden, maar nood aan ankerpunten. Jongeren zijn echt zoekende. ‘Wie ben ik?’, is een centrale vraag die hen bezighoudt, en van daaruit ook de vraag wat het betekent om moslim te zijn. Daarbij hebben ze ondersteuning nodig: thuis, op school, in de moskee, in de jeugdwerking. Om te weten waar jonge moslims informatie zoeken, moeten we echt het gesprek met hen aangaan.

‘Jongeren hebben ook behoefte aan een plek waar ze trots op kunnen zijn.’

Jongeren hebben ook behoefte aan een plek waar ze trots op kunnen zijn, waarvan ze kunnen zeggen: ‘Dit is van ons’. Ik ga nooit naar de moskee, maar ik droom ervan dat we in Antwerpen een gebedsplaats kunnen krijgen zoals de prachtige moskee van Genk, met echte minaretten.

Pascal Debruyne: Religie is een deelaspect in identiteitsontwikkeling, dus niet alleen imams hebben een rol te spelen. Het gaat ook over welke plaats die religie krijgt in de burgersamenleving. Wordt ze geproblematiseerd of niet? Staan jeugdwerkingen en scholen daar positief tegenover of niet?

Bovendien moeten jongeren op zoek kunnen gaan naar hun geloof binnen een waaier aan religieuze mogelijkheden, interpretaties. Ik vraag me af of die waaier nu breed genoeg is.

Het salafisme dat wordt geïmporteerd vanuit Saoedi-Arabië heeft een te grote invloed en dus moeten we die lijn doorknippen, vindt de sp.a.

Pascal Debruyne: Vormt elke Saoedisch gesteunde moskee of islamorganisatie een bedreiging omdat er een orthodoxe leer wordt gepredikt? Er zijn veel experten die daar vragen bij stellen. Bovendien, als je het wahabisme aanpakt, dan moet je ook orthodoxe strekkingen binnen andere geloofsovertuigingen in het vizier nemen. Elke salafist op eenzelfde hoop gooien staat goed in retorische grootspraak, maar de realiteit is veel gelaagder.

Ikrame Kastit: Ik vertrek van de vaststelling hoe jongeren bezig zijn met geloof, niet van een veiligheidssituatie. Over dat laatste weet ik onvoldoende en daar kan ik dus geen uitspraken over doen. Maar ik heb wel behoefte aan juiste en volledige informatie. Weten we hoeveel en welke organisaties geld ontvangen vanuit Saoedi-Arabië? Welke invloed heeft men dan concreet? Moeten we enkel op de invloed van het salafisme letten? Zijn er andere invloeden?

Laat ons beginnen met de broodnodige erkenning van moskeeën. Wat je zelf financiert, kan je zelf beter omkaderen en ondersteunen.

Slotsom: het moet anders, zeggen jullie. En wel nu. Heeft dat trage veranderingsproces te maken met het onvermogen van de meerderheid die geen empathie voelt met de minderheid?

Ikrame Kastit: Het gaat over machtsverhoudingen: wie mag deelnemen aan onze samenleving en onze welvaart? Wie heeft toegang tot de media en de partijpolitiek? Wie past in de heersende “framing”? Imams bijvoorbeeld zijn in, rolmodellen voor jonge moslims - die er wel degelijk zijn - passen daar niet in.

‘Hoe wil je burgers van een superdiverse samenleving betrekken als je politiek de realiteit van superdiversiteit blijft tegenspreken?’

Pascal Debruyne: Vandaag zet een Vlaams minister van Jeugd zichzelf als Zwarte Piet op Facebook. De minister werkt voor alle kinderen en jongeren, maar staat er niet bij stil hoe dat overkomt bij kinderen en jongeren met een zwarte huidskleur. Het is misschien een inschattingsfout, maar het komt bovenop de stapel van microkwetsingen die kinderen en jongeren dagelijks over zich heen krijgen, iets waar columniste Rachida Aziz nog naar verwees.

In Brussel is de meerderheid de minderheid geworden. Maar daar zijn ze echter nog altijd gericht op communautaire taaldebatten en bekijkt men het middenveld en de praktijken van zelforganisaties door de lens van “taal”. We weten intussen dat we in vele steden en gemeenten naar een superdiverse samenleving gaan.

Dat veronderstelt dat we daarmee leren omgaan, maar we zien dat de Vlaamse overheid de laatste jaren net het omgekeerde doet door het diversiteitsbeleid uit te hollen. Hoe wil je burgers van een superdiverse samenleving betrekken als je politiek de realiteit van superdiversiteit blijft tegenspreken?

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur