De kracht van beelden in de Iraakse protesten

Kalligraffiti heeft de Irakezen een stem gegeven: ‘Zie mij staan. Ik ben hier’

© Arnout De Moor

De Belgische-Iraakse meester-kalligraaf Hoessein Kakayi en zijn leerling in de kalligrafie Amir Al Tememi hebben elk hun deel van conflict in hun geboorteland Irak meegemaakt. Ook al prijken tussen hen vierendertig jaren, ze vinden elkaar terug in de hoop die ze koesteren dat Irak op een dag veranderd zal zijn. MO* sprak met hen over de kracht van beelden in de recente Iraakse protesten.

In de prachtige eeuwenoude Sint-Baafsabdij in Gent loopt nog tijdens het weekend van 10 en 11 oktober een bijzondere tentoonstelling. De expo Wollah! Van Eyck was here. Lamb of God toont de werken van Arabische en Perzische kalligrafen en kalligraffiti-artiesten die zich lieten inspireren door het Lam Gods.

Ik ontmoet één van de exposerende kalligrafen, Hoessein Kakayi, samen met zijn landgenoot en leerling in de kalligrafie, Amir Kardes Al Tememi. Kakayi is meester-kalligraaf, afkomstig uit het Iraakse Kirkoek en woont sinds 1988 in België. Al Tememi is beginnend kunstenaar, afkomstig uit Bagdad en woont sinds 2015 in België. De eerste is zestig, de tweede zesentwintig.

Twee generaties die elk hun deel van veertig conflictjaren en van slecht bestuur in Irak meekregen. Jong of oud, de Irakezen willen, na die veel te lange afbraakperiode, hun Irak terug.

Koerdisch kunstenaarschap in de jaren tachtig

Kakayi groeide op in het Kirkoek van de jaren zeventig en tachtig. Hij begon met de klassieke kalligrafie nadat een bekende meester-kalligraaf in Kirkoek zijn technieken van zagrafa, de sierlijke kant van kalligrafie, zag. ‘Ik weet nog hoe meester Kirkoeki binnenkwam’, vertelt Kakayi. ‘Hij had een paar grote werken waaraan hij bezig was meegebracht. Het waren werken in het allermoeilijkste schrift. Hij legde de werken op een tafel en zei toen: “Hoessein, kom, invullen!”’ Zo begon het voor Kakayi, met trillende en zwetende hand. Kakayi werd kalligraaf maar bleef ook schilderen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Hij was geen politiek of activistisch kunstenaar, vertelt de Koerdische Kakayi. Toch verborg hij soms kleine protestboodschappen in zijn surrealistische schilderwerken: beelden en symbolen die verwezen naar de verdrukking van de mensenrechten, de verdrukking van de Koerden door het Iraakse Baathregime. Het waren subtiele verwijzingen, want kritiek op het dictatoriale regime was onmogelijk in de inlichtingenstaat die Irak was.

‘Censuur was overal aanwezig. Onder Saddam was zowat alles verboden: satelliet-tv, spuitbussen voor graffiti, zelfs een fotokopieerapparaat.’

‘Censuur was overal aanwezig’, zegt Kakayi. ‘Onder Saddam was zowat alles verboden: satelliet-tv, spuitbussen voor graffiti, zelfs een fotokopieerapparaat. Als ik bepaalde verf of materiaal nodig had, moest ik dat aanvragen bij de stadsdienst voor Cultuur. Ik moest maanden wachten voor een fotokopie van mijn werken voor een foldertje. Alles, maar dan ook alles, werd gerapporteerd aan de inlichtingendiensten.’

In 1983, het derde oorlogsjaar van de Iraanse-Iraakse oorlog, werd het Koerdische verzet tegen het Iraakse regime prominenter. Kakayi herinnert zich de opening van zijn expositie in Kirkoek, in datzelfde jaar, nog levendig. Hij wist dat hij op zijn tellen moest letten toen de burgemeester van Kirkoek, een Baathist en militair, liet weten dat hij naar de vernissage zou komen.

‘Wat ik niet verwacht had, was dat hij zich zou laten omringen door tientallen zwaar gewapende soldaten. Het gebouw werd afgezet en niemand mocht binnen. “Vertel maar”, zei de burgemeester, “Waar gaan je werken over?”’

‘Het Iraakse regime had een Koerdisch dorp bestookt met mosterdgas, waarbij tientallen dorpelingen werden vermoord. Ik had iemand geschilderd zonder hoofd, die wegrende. Het was een aanklacht tegen het geweld. Dat beeld trok de aandacht.’

Dat het schilderij de bezetting van Palestina verbeeldde en de impact en betekenis ervan op de gehele Arabische wereld, vertelde Kakayi. De burgemeester en zijn entourage trokken hun wenkbrauwen op en hij kreeg een briefje in de handen gedrukt met het bevel om zich de volgende dag bij de burgemeester te melden. Daar kreeg hij te horen dat hij de opdracht kreeg om een huizengroot portret te schilderen van Saddam Hoessein, om in de stad op te hangen. Toen Kakayi zacht protesteerde — 'hij was geen portretschilder', 'hij zou bijgevolg een beledigend portret maken' — antwoordde de burgemeester dat hij Kakayi had laten natrekken door de inlichtingendiensten.

‘Voor mij was de oorlog niet voorbij. Hij bleef jarenlang bij me.’

‘Mijn nonkels en neven, die inderdaad bij het verzet van de PUK (de Patriottische Unie van Koerdistan, red.) zaten, waren terroristen, zei hij. Ik had weinig keuze. Dat was voor mij het breekpunt.’ Kirkoek was niet langer veilig voor Kakayi en hij vluchtte naar Iran en Syrië, om jaren later in België aan te komen.

‘Ik kwam hier aan in 1988, het jaar waarin Saddam Hoessein in maart zijn leger het bevel gaf om de Iraans -Koerdische grensstad Halabja met gifgas te bombarderen. Hetzelfde jaar kwam een einde aan de achtjarige oorlog met Iran, maar voor mij was de oorlog niet voorbij. Hij bleef jarenlang bij me.’

Bagdad na de invasie

Toen Hoessein Kakayi zijn eerste stap op Belgische grond zette was Amir Kardes Al Tememi nog niet geboren. Hij maakte ook niet de Tweede Golfoorlog, de Iraakse invasie in Koeweit, mee. Hij was wel bij die andere invasie: de inval van de VS en het Verenigd Koninkrijk in Irak. We schrijven 2003.

‘Ik was nog jong, ja, maar ik herinner me het meeste nog’, vertelt Al Tememi. Hij groeide op in Kerrada, een middenklassewijk in het centrum van Bagdad, ‘niet ver van de paleizen van Saddam en de huizen van de Baathisten’.

© VOEM vzw

Hoessein Kakayi en Amir Al Tememi. ‘De Irakezen willen hun Irak terug’

Toen zijn familie hoorde dat Bagdad zou worden gebombardeerd, vluchtten ze naar een klein dorpje tussen Bagdad en Najaf. Amir herinnert zich een aantal momenten nog heel levendig. De verwondering van de dorpelingen die, toen ze met de auto van zijn tante het dorp binnenreden, voor het eerst een vrouw zagen die aan het stuur van een auto zat. Maar ook de massamoord door een crimineel, afkomstig uit gevangenissen die waren ontgrendeld, die weerwraak nam op een familielid en twaalf mensen in koelen bloede doodschoot. De beelden van de terugkeer naar Bagdad: de lijken in de straten, de dreigende tanks, de plunderaars die de paleizen leegroofden. De beelden van een stad die nooit meer dezelfde zou zijn.

‘Alles was veranderd. Bagdad was veranderd. De mensen waren veranderd. Zelfs mijn taal was veranderd.’

Wat volgde op de Amerikaanse-Britse invasie was meer geweld. In 2004 vluchtte een deel van de familie van Irak naar Syrië, Jordanië, Dubai. Al Tememi belandde in Maleisië waar hij negen jaar studeerde. Na zijn studies keerde hij terug naar Bagdad. ‘Alles was veranderd. Bagdad was veranderd. De mensen waren veranderd. Zelfs mijn taal was veranderd. Niemand sprak nog mijn dialect, het Bagdadi.’

Al Tememi vertelt hoe een conservatisme in de stedelijke samenleving was geslopen dat niet had bestaan in de tijd van Saddams dictatuur. Het geweld was ook nooit weggeweest. ‘Minstens elke maand ontplofte een bom in onze buurt, dagelijks hoorde ik mensen over verlies praten’ Hij verloor bij één aanslag zes van de nieuwe vrienden die hij had leren kennen.


De taboe’s van een gegijzelde samenleving

Soms ging Amir Al Tememi naar de vrijdagprotesten op het Tahrirplein, wekelijke protesten van diverse activisten, tegen de corruptie, voor gelijke rechten, vrouwenrechten, mensenrechten, tegen het geweld.

Zijn aanwezigheid daar zinde sommige mensen niet. Het zinde hen ook niet dat hij tatoeages had laten zetten, of dat hij zich inliet met hiphoppers en metalheads, graffiti-artiesten, mensen uit de LGBTQ-gemeenschap die hij vrienden noemde. ‘Mijn vader werd gebeld. Hij kreeg dreigementen. Ook zijn familie, een grote familie, werd benaderd. Zij benaderden op hun beurt mijn vader om te zeggen dat het zo niet langer kon, dat ze bang waren voor de milities.’

‘“Welke keuze heb ik?”, dacht ik, gedood worden door een bomaanslag of gedood worden door een militie die me trash vindt?’

‘ “Welke keuze heb ik?”, dacht ik, “gedood worden door een bomaanslag of gedood worden door een militie die me trash vindt?” Dat was het punt waarop ik besloot om mijn moeder, broer en twee zussen te volgen naar Turkije.’ Al Tememi trok weg uit de Turkse uitzichtloosheid en kwam in 2015, het jaar van de zogenaamde Europese asielcrisis, aan in België. In het Nederlands zegt hij hoe zijn tweede asielaanvraag recent werd afgewezen. Alsof terugkeren naar het gehavende Irak, dat elke kans op rust in zijn hoofd aan flarden schoot, een optie is.

Protesten kwamen niet onverwacht

De protesten in Bagdad en het zuiden van het land begonnen op 25 oktober 2019 en werden stopgezet door de coronapandemie. Ze kwamen niet onverwacht maar dat de demonstranten massaal zes maanden zouden doorgaan, was ongezien.

‘Zeventig procent van de Irakezen is jonger dan dertig’, zegt Amir Al Tememi. ‘Onze generatie heeft internet en ziet alles: het leven in de VS, Europa, China, maar we hebben er geen toegang toe. Onze generatie woont in een rijk land maar heeft niets, niet eens een job om je leven zin te geven.’

‘Iraakse jongeren van vandaag studeren af, vinden geen job, en moeten een bom geld betalen om toch maar aan een baan te geraken’, vult Hoessein Kakayi aan. ‘Je betaalt dus je eerste eigen loon. Veel jongeren hebben dat geld niet. Daarom en omdat het pure waanzin is, gingen mensen de straat op.’

‘Onze generatie woont in een rijk land maar heeft niets, niet eens een job om je leven zin te geven.’

‘De Irakezen zijn het beu om in een geïsoleerd land te leven dat economisch niets voorstelt, waar het geld naar buiten vloeit, dat niet in staat is om diplomatieke relaties met de wereld aan te knopen, waar corruptie de agenda bepaalt. Ze zijn de Iraanse, Saoedische, Turkse inmenging beu. Ze zijn het beu dat halve analfabeten een hoge post hebben terwijl jonge intellectuelen die toevallig niet de juiste familienaam hebben, op straat staan.’

Zowel Kakayi als Al Tememi wijzen op de rol die kunstenaars hebben gespeeld tijdens de protesten. Onder meer twee kalligrafen, uit Bagdad en Basra, trokken de protesten stevig open, zegt Kakayi. ‘In het begin geloofden mijn vrienden of familie uit Bagdad niet dat het om authentieke protesten ging’, zegt Al Tememi. ‘Ze zagen het aanvankelijk met wantrouwen aan, dachten dat de demonstranten amokmakers waren.

‘Maar toen zetten de kunstenaars een duidelijke stap naar voor, en brachten creativiteit op het Tahrirplein. Het werd duidelijk dat deze protesten om vrijheid, om hoop, om verandering gingen. Mensen, van kunstenaars tot de tuktuk-chauffeurs (de tuktuk is een fietstaxi, red.) bouwden aan een kleine stad in de stad. Ze kuisten de straten, creëerden een alternatieve wereld in het Turks restaurant aan het Tahrirplein en toonden: “wij kunnen beter leven, wij kunnen verandering brengen”.’

© Arnout De Moor

De kracht van beelden

De protesten in Irak werden extra kracht gegeven door de beelden die op de muren van Bagdad werden geschilderd en gespoten. ‘Bekende kalligraffiti-kunstenaars als Sajjad Mustafa uit Basra kwamen naar de Saadoun-tunnel aan het Tahrirplein om er grote werken aan te brengen’, vertelt Kakayi. ‘Mustafa maakte via een oude kalligrafiemethode een portret van een van de eerste martelaren die symbool werd van de revolutie, Safaa al-Saray.

Met de kalligraffiti deed een nieuwe kunstvorm, verbonden aan protest en verzet zijn intrede in Bagdad. Ook voor veel Bagdadi’s die in een stad wonen zonder deftige musea of expositieruimten was het een nieuw gegeven om naar kunstwerken te kunnen kijken. De tunnel, met zijn kleurrijke muren, werd een museum, opgedragen aan de zevenhonderd martelaren wiens namen er prijken maar ook opgedragen aan de kleuren van hoop en verandering.’

‘En wat mooi is’, zegt Al Tememi, ‘is hoe die beelden ook de wereld veroverden. De deuren van de tunnel werden letterlijk opengegooid voor de hele wereld toen de beelden ervan via hashtags het internet rondgingen.’

‘Graffiti geeft me een stem in België. Ik kan zeggen: “Zie mij staan. Ik ben hier.”’

Al Tememi vertelt hoe de beelden hem hoop gaven. Ondanks het verlies dat ze tonen, tonen ze ook de verandering. Ze geven aan hoe cruciaal de verbeelding is om in die verandering te geloven en er volop voor te gaan. De kracht van beelden helpt hem ook om hoop en betekenis te vinden in zijn leven hier. ‘Kleuren zijn als drugs voor mij. Ik vind daar ongelofelijk veel kracht in. In de lessen kalligrafie die ik krijg van Hoessein kan ik me concentreren op schoonheid en puurheid maar ook in graffiti vind ik mijn houvast. Graffiti geeft me een stem in België. Ik kan zeggen: “Zie mij staan. Ik ben hier.”

Exact dat, zegt Kakayi, is wat de protestbeelden in Bagdad zeggen aan de machthebbers van het land: wij zijn hier. ‘Corona heeft de kant van het regime gekozen, de lockdown heeft de protesten lamgelegd. Maar de beelden zijn er nog. Ik weet niet of de Iraakse overheid helemaal heeft begrepen wat de betekenis is van die kunstwerken maar ze lieten de tunnel zoals hij is. De overheid heeft de boodschap dat de Irakezen hun eigen land terug willen, minstens gehoord en gezien.’

© Arnout De Moor

tijdens het weekend van 10 en 11 oktober loopt de expo “Wollah! Van Eyck was here. Lamb of God”

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur