Marina Zucker-Marques
“‘‘Ebola is terug – en het noodfonds van het IMF is leeg’’

© UN Photo (CC BY-NC-ND 23.0)

© UN Photo (CC BY-NC-ND 23.0)
Vrijwel elke grote wereldwijde gezondheidscrisis legt dezelfde tekortkoming in het internationale financiële stelsel bloot. Zodra zich een ramp voordoet, moeten de instellingen die zijn opgericht om getroffen landen bij te staan, in allerijl proberen voldoende geld bijeen te brengen voor noodfondsen.
Twaalf jaar geleden, toen het ebolavirus in Guinee, Liberia en Sierra Leone woedde, werd duidelijk dat het Internationaal Monetair Fonds – de “brandweerman van de wereldeconomie” – niet beschikte over een instrument om landen tijdens een volksgezondheidscrisis schuldverlichting te bieden. Het IMF had wel een vergelijkbaar crisisinstrument: het Post-Catastrophe Debt Relief Trust Fund. Dat fonds was na de verwoestende aardbeving in Haïti in 2010 opgericht om schuldverlichting te bieden aan landen die door natuurrampen waren getroffen. Een zich snel verspreidende epidemie bleek echter een heel ander soort noodsituatie. Het PCDR-trustfonds had geen mandaat om in zo’n geval in te grijpen.
De internationale gemeenschap wist zich echter opvallend snel aan de nieuwe situatie aan te passen. In november 2014 riep de toenmalige Amerikaanse minister van Financiën, Jack Lew, het IMF op om ongeveer honderd miljoen dollar aan schulden van de drie door ebola getroffen landen kwijt te schelden. Tegelijkertijd stelde de toenmalige IMF-directeur Christine Lagarde de staatshoofden en regeringsleiders van de G20 een aanvullend financieringspakket voor.
Binnen drie maanden werd het PCDR-fonds hervormd. Het mandaat werd uitgebreid met een regeling voor volksgezondheidscrises en de bestaande middelen werden samengevoegd met geld dat nog resteerde uit het eerdere Multilateral Debt Relief Initiative. Zo ontstond de Catastrophe Containment and Relief Trust (CCRT): een speciaal mechanisme waarmee de armste landen bij een ernstige crisis geld dat anders naar schuldaflossing zou gaan, kunnen inzetten om mensenlevens te beschermen.
De wereldwijde druk op de overheidsfinanciën als gevolg van de COVID-19-pandemie heeft de middelen van het CCRT echter vrijwel uitgeput. Daardoor dreigt het fonds zonder geld te komen zitten, juist nu opnieuw een ebola-uitbraak is ontstaan. Tot deze week zijn in de Democratische Republiek Congo (DRC) meer dan tweeduizend sterfgevallen bevestigd. Naast dit enorme verlies aan mensenlevens dreigen ook de economische gevolgen ernstig te zijn. Het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties schat dat de uitbraak bijna een miljoen mensen in armoede kan doen belanden.
De DRC behoorde tot de landen die tijdens de COVID-19-pandemie aanzienlijke bedragen van het IMF leenden om hun economie overeind te houden. Inmiddels heeft het land bij het IMF een uitstaande schuld van meer dan drie miljard dollar. Hoewel de DRC haar leencapaciteit bij het Fonds nog niet volledig heeft benut, zal waarschijnlijk aanvullende financiering nodig zijn. Het land wordt immers tegelijkertijd geconfronteerd met schommelingen in de olieprijzen, een afzwakkende economische groei en nu ook een nieuwe ebola-uitbraak. Daarom heeft de DRC niet alleen behoefte aan extra liquiditeit, maar ook aan verlichting van haar bestaande schuldenlast.
Juist voor dit soort situaties is het CCRT opgericht. Toch beschikt het fonds momenteel over slechts 120 miljoen dollar, terwijl de DRC alleen al in 2027 bijna 300 miljoen dollar aan het IMF moet aflossen. Het belangrijkste instrument van het IMF voor schuldverlichting bij rampen beschikt daarmee niet eens over voldoende middelen om één land dat door een ernstige crisis wordt getroffen volledig bij te staan, laat staan de dertig andere landen die mogelijk eveneens een beroep op het fonds zouden kunnen doen.
Donorlanden hebben in het verleden laten zien dat zij bereid zijn schuldverlichting te financieren. Tijdens de COVID-19-pandemie ontving het IMF 800 miljoen dollar aan bijdragen. Zo zegde het Verenigd Koninkrijk binnen enkele dagen na het uitbreken van de pandemie 185 miljoen dollar toe en Japan 100 miljoen dollar. Maar opeenvolgende rondes van vrijwillige bijdragen, hoe welkom ook, bestrijden vooral de symptomen en niet het onderliggende probleem. Telkens wanneer zich een grote gezondheidscrisis voordoet, moet het IMF zijn aandeelhouders opnieuw vragen geld beschikbaar te stellen voor een fonds dat juist bedoeld is om op dergelijke terugkerende schokken te reageren. Dat leidt tot politieke vertragingen bij de inzet van een instrument dat eigenlijk als een automatische en snel inzetbare stabilisator zou moeten functioneren.
Er is een betere oplossing. Het IMF bezit ongeveer 90,5 miljoen troy ounce goud (de internationale gewichtseenheid voor edelmetalen. 1 troy ounce weegt 31,1 gram, nvdr), een erfenis uit het Bretton Woods-tijdperk, toen lidstaten een deel van hun quota in goud betaalden. In de boeken van het IMF staat dit goud nog altijd gewaardeerd tegen de historische kostprijs van 45 dollar per ounce. Bij een huidige marktprijs van ongeveer 4.000 dollar per ounce vertegenwoordigt deze goudvoorraad echter een niet-gerealiseerde winst van naar schatting 357,9 miljard dollar.
Op dit moment levert de goudvoorraad van het IMF geen inkomsten op. Door een klein deel ervan geleidelijk te verkopen – zodat de goudmarkt niet wordt verstoord – zou echter een aanzienlijk bedrag kunnen worden vrijgemaakt. Met die opbrengst zou een permanent fonds kunnen worden opgebouwd, waarvan de inkomsten de subsidierekeningen van het IMF voor onbepaalde tijd kunnen financieren.
Het voorstel is eenvoudig: verkoop een klein deel van de goudvoorraad van het IMF, bijvoorbeeld tien procent, en stort de opbrengst in een permanent fonds. Bij een bescheiden jaarlijks rendement van drie procent – in lijn met de rendementsaannames die het IMF ook voor andere instrumenten hanteert – zou een fonds van 35,8 miljard dollar jaarlijks ruim 1 miljard dollar kunnen opleveren, zonder dat het fonds zelf hoeft te worden aangesproken. Dat zou niet alleen voldoende zijn om het CCRT structureel te financieren, maar ook om de volledige concessionele kredietverlening van het IMF te ondersteunen, waaronder de Poverty Reduction and Growth Trust en de Resilience and Sustainability Trust, evenals eventuele toekomstige opvolgers daarvan. Het IMF zou dan niet langer telkens opnieuw bij donorlanden hoeven aan te kloppen voor bijdragen.
Het idee om IMF-goud te verkopen ter ondersteuning van de concessionele kredietverlening is niet nieuw. In 1999 verkocht het IMF 12,94 miljoen ounce goud en in 2009 nog eens 12,97 miljoen ounce – bijna drie keer zoveel als in het huidige voorstel wordt beoogd. Het afgelopen jaar hebben uiteenlopende organisaties en samenwerkingsverbanden opgeroepen tot een nieuwe verkoop van IMF-goud. Daaronder bevinden zich de V20, de G-24, de Jubilee commission en 165 maatschappelijke organisties.
De argumenten zijn helder: de verkoop van een deel van de goudvoorraad kost de belastingbetaler niets en brengt het IMF geen verlies toe. Het zet slechts een ongebruikt, illiquide bezit dat geen rente oplevert om in een vermogen dat een permanente inkomstenstroom kan genereren voor de kwetsbaarste landen ter wereld. Nu de goudprijs bovendien rond een historisch hoog niveau ligt, is er wellicht nooit een gunstiger moment geweest om deze omzetting te realiseren.
Critici zullen erop wijzen dat voor de verkoop van IMF-goud volgens de statuten een meerderheid van 85 procent nodig is. Daardoor is de steun van de Verenigde Staten – en daarmee ook van het Amerikaanse Congres – onmisbaar, maar allerminst vanzelfsprekend. Juist daarin ligt echter een kans voor de Verenigde Staten om leiderschap te tonen. Ebola is allang niet meer uitsluitend een noodsituatie voor Afrikaanse landen. De recente maatregelen van de Amerikaanse regering tegen de uitbraak laten zien dat ook Amerikaanse beleidsmakers erkennen dat het virus een grensoverschrijdende bedreiging vormt. Een krachtigere aanpak van de epidemie in de DRC zou daarom niet alleen het land zelf, maar uiteindelijk iedereen beter beschermen.
Om dat mogelijk te maken, moet de DRC uitstel krijgen voor de komende aflossingen aan het IMF. Zo ontstaat de budgettaire ruimte om de beschikbare middelen in te zetten voor wat nu het belangrijkst is: de bestrijding van de epidemie en de uitbreiding van het sociale vangnet. Tegelijkertijd moet onmiddellijk een campagne worden gestart om donorlanden ertoe te bewegen het CCRT aan te vullen. Daarnaast moeten serieuze onderhandelingen beginnen over de oprichting van een fonds dat wordt gefinancierd uit de verkoop van een deel van het IMF-goud. Daarmee kan worden voorkomen dat bij iedere nieuwe crisis opnieuw geld moet worden gezocht om het CCRT te financieren.
Het CCRT kwam tot stand omdat de Verenigde Staten destijds het voortouw namen en vonden dat het internationale financiële stelsel niet werkeloos mocht toezien terwijl zich een humanitaire ramp voltrok. Dat uitgangspunt was in 2014 terecht en zou ook in 2026 opnieuw tot daadkrachtig optreden moeten leiden.
Deze opinie verscheen eerder in het Engels bij Project Syndicate, 2026
Marina Zucker-Marques is senior wetenschappelijk onderzoeker bij het Global Development Policy Center van Boston University.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.
Niets missen?
Abonneer je op (één van) onze nieuwsbrieven.


