Bruno Deceukelier (WSM)
“‘‘Nepal, het middenveld buitenspel zetten is niet slim’’

Na de aardbeving in Nepal in 2015 waren meer dan 900.000 huizen zwaar beschadigd. De bouwfederatie van Nepalese vakbond GEFONT hielp bij het slopen van onbewoonbare huizen.
© GEOFONT

Na de aardbeving in Nepal in 2015 waren meer dan 900.000 huizen zwaar beschadigd. De bouwfederatie van Nepalese vakbond GEFONT hielp bij het slopen van onbewoonbare huizen.
© GEOFONT
Wie redt mensen bij een ramp? Vaak is het niet de internationale hulpverlener die in het nieuws getoond wordt, maar de buurman, winkelier, vrijwilliger of lokale organisatie die de ramp overleefde en dan anderen helpt. Wie rampenbestrijding wil begrijpen, moet verder kijken dan reddingshelikopters en internationale hulp, schrijft Bruno Deceukelier van WSM.
Telkens wanneer ik als acteur in een theaterstuk moet huilen, gebruik ik de herinnering aan een zak rijst, twee flessen olie en een rugzak. Het brengt tranen in mijn ogen.
Het was twee dagen na de aardbeving in Nepal van 2015. Samen met enkele mensen uit onze buurt probeerden we voedsel en zeilen tegen de regen te brengen naar een afgelegen, zwaar getroffen gebied. Ik zat in een geleende pick-up buiten een klein winkeltje, toen ik een telefoontje kreeg om niet naar ons trefpunt terug te keren. Ambtenaren bleken de noodhulpvoorraden te controleren en in beslag te nemen, om er zogezegd voor te zorgen dat ze op de juiste plaatsen terechtkwamen. Dus bleef ik buiten de winkel staan.
Een bejaarde Nepalese man uit het naburige huis vroeg waar we naartoe gingen. Hij verdween in de winkel en kwam naar buiten met zijn eigen boodschappen, maar gooide ook een zak rijst in de auto en liep zonder een woord verder.
De allereerste mensen die levens redden, zijn bijna steeds de mensen die er al zijn.
Een jong koppel stelde dezelfde vraag en vertrok. Iets later kwam hun twaalfjarige dochter terug, die twee flessen olie aan de stapel toevoegde. Een blonde backpacker stopte. Hij was Australiër en vroeg hoe we de voorraden twee dagen door de heuvels naar het gebied zouden brengen. ‘Ben je hier over een uur nog, mate?’ Hij verdween en kwam terug met zijn rugzak. Er vertrokken toch geen vliegtuigen, legde hij uit. Helpen zou nuttiger zijn dan zijn geboekte bergwandeling. Mensen bleven komen, twee uur lang. Tegen de tijd dat ik groen licht kreeg om te vertrekken, waren onze voorraden verdrievoudigd.
Dit is wat me stoort aan de manier waarop rampen doorgaans worden afgebeeld. De allereerste mensen die levens redden, zijn bijna steeds de mensen die er al zijn: buren, families, winkeliers, taxichauffeurs, vrijwilligers en lokale organisaties.
Toch schilderen internationale media vaak het beeld van hulpeloze slachtoffers die wachten op redding door gespecialiseerde teams. Vergelijk de kop: ‘Het is chaos. Mensen zijn wanhopig. Vierentwintig uur later is er nog steeds geen hulp aangekomen.’ Of: ‘Te midden van de vernieling redden overlevenden buren, ruimen ze wegen op en organiseren ze voorraden zodat buitenlandse hulp erdoor kan.’ Dezelfde ramp. Een heel andere boodschap.
Mensenwerk
Catastrofale beelden van de ramp in Nepal in augustus van dit jaar toonden een rots- en ijslawine die verwoestende overstromingen veroorzaakte langs de Bhotekoshi- en Trishulirivier. Meer dan 1.300 lichamen werden geborgen en ruim 5.000 zijn nog steeds vermist.
Hoewel dit net zoals in 2015 een grote schok is, zijn er enkele belangrijke verschillen. De aardbeving van 2015 trof het hele land en vernietigde bijna een miljoen woningen. De ramp van 2026 was beperkt tot één corridor, maar vernietigde wegen, bruggen, waterkrachtinfrastructuur en hele gemeenschappen. De reactie was daardoor anders.
Middenin een catastrofe zag ik mensen bijdragen wat ze konden: een zak rijst, twee flessen olie, een rugzak.
In 2015 was er enorme ruimte voor iedereen om zich te mobiliseren, overal waren er noden. Nu creëerde de geografie zelf knelpunten, waarbij beschadigde wegen en geïsoleerde nederzettingen helikopters en gespecialiseerde reddingsoperaties nodig maakten.
In 2015 werd Nepal overwegend afgeschilderd als het slachtoffer van een natuurramp, dat nood had aan internationale bijstand.
In 2026 stelt zich nog een andere vraag. Wie draagt de verantwoordelijkheid voor een klimaatcrisis waaraan het land zelf amper heeft bijgedragen? Nepal produceert een minuscule fractie van de wereldwijde emissies en is tegelijkertijd uitzonderlijk kwetsbaar voor klimaatverandering en voor de gevolgen van het snel opwarmende Himalaya-gebergte.
De oproep van de regering tot klimaatrechtvaardigheid is niet simpelweg een oproep tot liefdadigheid. Het is een betoog over verantwoordelijkheid, verlies en wie moet betalen voor schade die kwetsbare landen niet op eigen kracht kunnen voorkomen.
Dit politieke verhaal komt uit een radicaal nieuwe hoek. Na de Gen Z-revolte van september 2025 veroverde de outsider-partij Rastriya Swatantra Party van tv-presentator Rabi Lamichhane in maart 2026 een grote meerderheid. De 36-jarige rapper en voormalig burgemeester van hoofdstad Kathmandu Balendra Shah werd premier en beloofde een breuk met het politieke establishment.
Van in het begin pakte hij dingen anders aan. Hij gaf nauwelijks interviews, verscheen heel laat in het parlement, ontmoette geen enkele ambassadeur individueel, regeringsleden mochten in het eerste jaar van hun mandaat geen multilaterale bijeenkomsten in het buitenland bijwonen, en hij verbood in openbare diensten vakbonden gelinkt aan politieke partijen.
Kortom, hij leek zich erg naar binnen te keren. Maar door deze overstromingen zijn alle ogen op Nepal en op hem gericht. Dit wordt ofwel een sterk moment voor de nieuwe regering, ofwel juist een waar veel vertrouwen verloren gaat.
De rampenbestrijding eindigt niet wanneer het puin is geruimd. Na de aardbeving van 2015 richtte Nepal de National Reconstruction Authority op om de wederopbouw te overzien. Er werd veel bereikt, maar er was ook vertraging door politieke moeilijkheden en achtergestelde groepen zoals dalits (de laagste sociale groep of ‘onaanraakbaren’) liepen vaak de beloofde steun mis door de ingewikkelde bureaucratie.
De ervaring toonde aan dat het herstellen van huizen niet hetzelfde is als het herstellen van gemeenschappen.
Vertrouwen
Dat is misschien wel de belangrijkste les voor de nieuwe regering. Ze zou in de verleiding kunnen komen om zich te blijven focussen op naar binnen keren, centraliseren: één autoriteit, één systeem, één plan. Ze voert al een ‘één-deur-beleid’, waarbij het maatschappelijk middenveld werd verboden om noodhulp te bieden of geld in te zamelen. Ze weigerde aanvankelijk aanbiedingen voor reddingsteams uit andere landen. Nadien liet ze wel specifieke hulp toe, zoals voor tunnelreddingen.
Soms is het noodzakelijk om op eigen kracht te vertrouwen, maar mijn sterkste herinnering uit 2015 wijst op de kracht die er al is. De staat heeft die mensen buiten de winkel niet georganiseerd. Niemand stelde de oude man aan, het twaalfjarige meisje of de Australische backpacker. Ze zagen een noodtoestand en deden er iets aan.
Ik voel me gezegend dat ik daar getuige van mocht zijn. Midden in een catastrofe zag ik mensen bijdragen wat ze konden: een zak rijst, twee flessen olie, een rugzak. Ik zag gemeenschappen en het middenveld samenkomen en reageren. Dat is de hoop die ik meeneem uit de rampen in Nepal.
De vraag voor veel overheden is niet of burgers en het middenveld kunnen helpen bij steeds frequentere catastrofes. Dat doen ze al. De vraag is of overheden hen voldoende vertrouwen en in staat stellen om hen niet te zien als slachtoffers, maar als de echte eerste hulpverleners.
Bruno Deceukelier, woont en werkt als WSM Asia Program Manager sinds 2014 in Nepal.
Dit opiniestuk verscheen eerst in de Gids op Maatschappelijk Gebied.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.
Niets missen?
Abonneer je op (één van) onze nieuwsbrieven.
