Nick Rahier
“‘‘Niet iedereen past in de airco-bubbel’’
)
© Arend Veenhuizen @ Wikimedia (CC BY 3.0)
)
© Arend Veenhuizen @ Wikimedia (CC BY 3.0)
Airconditioning kan levens redden tijdens hittegolven, dat staat buiten kijf. Maar wat gebeurt er wanneer we koelte louter als technisch probleem behandelen? Antropoloog Nick Rahier waarschuwt voor het airco-optimisme van Maarten Boudry, dat hitte reduceert tot temperatuur en de gekoelde bubbel verkoopt als toekomstbeeld. Want toegang tot koelte is allesbehalve gelijk verdeeld. Echt klimaatbeleid begint net bij wie buiten die bubbel achterblijft.
Hitte kost levens. Rusthuizen, ziekenhuizen, scholen en slecht geïsoleerde woningen moeten dringend hittebestendig worden gemaakt. Kwetsbare mensen een hittegolf laten doorstaan met adviezen om water te drinken en gordijnen te sluiten is geen klimaatbeleid.
Het hoeft geen betoog dat airconditioning levens kan redden. De vraag is alleen wat er gebeurt wanneer de airco wordt gepresenteerd als wondermiddel. In Maarten Boudry’s recente opiniestuk in De Morgen wordt hitte vooral als een technisch probleem benaderd: er vallen hitte-doden, airco vermindert dat risico, dus moeten we een “mentale omslag” maken en A/C-gebruik omarmen.
Het airco-optimisme past in een wereldbeeld waarin mannelijke reddersfiguren een beschadigde wereld tegemoet treden met de belofte van nog meer technologie.
De oplossing oogt helder, rationeel en modern. Precies die helderheid versmalt het probleem. De toekomst wordt een ruimte waarin we, dankzij voldoende technologie en energie, beschermd kunnen blijven leven zoals voorheen. Die redenering heeft een aantrekkelijke eenvoud. Ze past bij een breder modern verlangen om onzekerheid te temmen: meten, voorspellen, beheersen, optimaliseren. In tijden van klimaatcrisis klinkt dat geruststellend.
Toch moeten we ons afvragen wat deze geruststelling kost. Welke ervaringen van hitte verdwijnen wanneer we haar vooral als temperatuur beschrijven? En welk toekomstbeeld wordt vanzelfsprekend wanneer de oplossing bestaat uit een gekoelde binnenwereld?
De redderfantasie van de klimaatcrisis
Het airco-optimisme past in een wereldbeeld waarin mannelijke reddersfiguren zoals de ingenieur, de miljardair, de ruimtekolonisator, en de technocratische visionair een beschadigde wereld tegemoet treden met de belofte van nog meer technologie. De wereld is te warm, te chaotisch, te onzeker geworden. De oplossing ligt dan in betere machines, meer infrastructuur, slimmere algoritmes en nog snellere innovatie.
De cultus rond Elon Musk is hiervan wellicht het bekendste voorbeeld. Als de aarde onleefbaar wordt, koloniseren we maar Mars. Als menselijke besluitvorming te rommelig is, laten we er maar algoritmes op los. Als klimaatverandering te complex is geworden, grijpen we maar naar geo-engineering. De belofte is eenvoudig: technologie zal ons wel redden.
Ook airconditioning kan in dat register functioneren. Ze belooft een toekomst achter gesloten ramen: eerst de gekoelde bubbel, daarna de fantasie dat we van daaruit, met AI, een steeds onleefbaardere buitenwereld kunnen blijven beheren.
Futurisme zonder motorlawaai
De geschiedenis van het historisch futurisme helpt om deze verbeelding te herkennen. Het verheerlijkte snelheid, machines, kracht, energie en de vernietiging van het oude. De toekomst verscheen in motoren, staal, versnelling en geweld. Het was een uitgesproken masculinistische esthetiek, waarin kwetsbaarheid, traagheid, ambiguïteit en afhankelijkheid golden als resten van een wereld die overwonnen moest worden.
Vandaag duikt die futuristische verbeelding telkens weer op wanneer technologie wordt voorgesteld alsof zij de essentie van de toekomst onthult. De airco, het algoritme, de drone: telkens gaat het om objecten die complexiteit reduceren tot iets dat kan worden afgekoeld, berekend, gemonitord of aangestuurd. Onzekerheid wordt een tekort dat door betere data, betere modellen of betere technologie moet worden opgeheven.
Dat is de essentiepolitiek van de techno-fix. Ze doet alsof de toekomst al zichtbaar is voor wie rationeel genoeg durft te kijken. Ze maakt het rommelige heden glad. Ze houdt weinig ruimte over voor vormen van kennis die zich niet eenvoudig laten vertalen in cijfers of technische oplossingen.
De airco als bubbel
Historicus On Barak beschrijft hoe de opkomst van mechanische koeling in het Midden-Oosten oudere vormen van leven met hitte buiten gebruik stelde: de qaylula, of middagsiësta, het slapen op daken, losse kleding, transpiratie, en het gebruik van de mashrabiya, een houten traliewerk dat schaduw, privacy en passieve koeling combineert. Deze praktijken vormden een repertoire van lichamelijke, architecturale en sociale technieken waarmee mensen in verzengende klimaten konden leven zonder zich volledig afhankelijk te maken van fossiele energie.
De gekoelde binnenruimte veranderde de verhouding tot het lichaam. Zweten, ooit deel van de alledaagse omgang met hitte, werd in de moderne tijd steeds meer gediskrediteerd. Zweten werd een beschamend teken van fysieke arbeid, lage status en geracialiseerde vormen van anders-zijn. Het lichaam hoefde minder met hitte te leren omgaan, omdat het zich eraan kon onttrekken; tegelijk werd het lichaam dat bleef zweten sociaal gemarkeerd als ongepast, achtergesteld of “anders”.
Airconditioning creëert zo een bubbel: het toestel onttrekt warmte aan een binnenruimte en blaast die naar buiten. Binnen ontstaat comfort, maar ook status: de mogelijkheid om koel te blijven. In de Chinese stad Wuhan, zo toont historicus Chris Courtney, werd airconditioning vanaf de jaren 1990 een teken van aanzien. Zelfs huishoudens met beperkte basisvoorzieningen investeerden in een A/C omdat het toestel hoorde bij een modern, middenklassebestaan.
Comfort trok zich terug achter gesloten ramen en deuren. Wie geld heeft, koopt zijn eigen microklimaat. Wie dat niet heeft, blijft achter in een publieke ruimte die wordt mee opgewarmd door de koelte van anderen. De airco wordt zo een egoïstische technologie.
Thermische ongelijkheid
En zo wordt airco dus een politieke kwestie. Toegang tot koelte is ongelijk verdeeld. Een eigenaar met zonnepanelen en airco, een kantoormedewerker in een gekoelde vergaderzaal en een bewoner van een groene wijk leven in andere hittewerelden dan huurders in slechte appartementen, fietskoeriers, bouwvakkers en bewoners van versteende buurten.
Hitte is dus nooit democratisch, ook al lijkt een hittegolf iedereen te treffen. Ze wordt gefilterd op basis van inkomen, leeftijd, gezondheid, woningkwaliteit, arbeid, gender, mobiliteit en toegang tot de openbare ruimte. Wat voor de ene persoon een warme dag is, is voor een ander een gevaarlijke situatie.
Daarom is het incorrect om de airco voor te schotelen als neutrale technologie. Technologieën hebben sociale levens. Ze komen terecht in ongelijke steden, ongelijke huizen en ongelijke energienetwerken.
Airco kan levens redden, maar ze mag onze politieke verbeelding niet vervangen. Een leefbare toekomst ontstaat niet door ons steeds beter af te sluiten van de hitte buiten, maar door koelte opnieuw als gedeeld goed te organiseren: via rechtvaardige woningen, zorgzame steden, publieke schaduw en de erkenning dat lichamen hitte verschillend dragen. Niet iedereen past in de airco-bubbel. Klimaatbeleid begint precies bij wie erbuiten blijft.
Nick Rahier is antropoloog aan de Universiteit Gent en KU Leuven. Hij onderzoekt klimaatverandering in Kenia en schreef een boek over hoe stedelingen hitte ervaren, benoemen en ermee leven.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.
Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.
