Paul Siperius
“‘‘Ongelijkheid is geen gewoonte, maar macht die gewoon is geworden’’
)
Kawardha, Chhattisgarh, India
)
Kawardha, Chhattisgarh, India
Sociaal-cultureel agoog Paul Siperius las met veel interesse het interview van Gie Goris met de Indiase auteur Manu Joseph. In het interview laat Goris zien hoe verleidelijk cynisme over ongelijkheid kan zijn. Maar ook hoe weinig het uiteindelijk verklaart.
Manu Josephs boek Why the Poor Don’t Kill Us vertrekt van een brutale vraag: waarom komen armen niet massaal in opstand tegen extreme ongelijkheid? Waarom aanvaarden ze dat anderen huizen, maaltijden, auto’s en levensstijlen hebben die voor hen onbereikbaar blijven?
Het is een vraag die ongemakkelijk maakt, vooral omdat ze vertrekt vanuit de angst van wie bezit heeft. De armen verschijnen niet als mensen met eigen levens, verlangens en waardigheid, maar als een mogelijk gevaar. Waarom vallen ze 'ons' niet aan?
Josephs antwoord is provocerend. Volgens hem is armoede niet altijd het diepste probleem. Mensen kunnen arm zijn en toch liefde, familie, dorp, jeugd, kracht of vreugde kennen. Wat het lijden verscherpt, is de zichtbaarheid van ongelijkheid: het besef van wat anderen zich wel kunnen veroorloven.
Daarin zit een observatie die ernstig genomen moet worden. Armoede is niet louter een cijfer. Ze wordt beleefd in vergelijking, vernedering en nabijheid tot levensmogelijkheden die voor anderen vanzelfsprekend zijn en voor jezelf onbereikbaar blijven.
Maar Joseph trekt uit die observatie een problematische conclusie. Ongelijkheid verschijnt bij hem te vaak als iets waarmee mensen nu eenmaal leren leven. Als gewoonte. Als culturele ordening. Als iets wat niet mooi is, maar wel functioneert.
Net daar doet Gie Goris in het interview wat een goede interviewer moet doen: hij laat Joseph niet schuilen achter ironie. Hij vraagt door over kaste, religieuze dominantie, politiegeweld en de manier waarop 'gewoonte' soms een net woord wordt voor geïnternaliseerde hiërarchie.
Want wanneer huispersoneel op de grond gaat zitten, wanneer chauffeurs niet als gelijken worden ontvangen, wanneer armen wel in de stad aanwezig zijn maar niet in de ruimtes van waardigheid mogen verschijnen, dan gaat het niet zomaar om gewoonte. Dan gaat het om macht die zichzelf zo diep in het dagelijkse leven heeft genesteld dat ze niet meer als macht herkend wordt.
Dat is de kern. Ongelijkheid is geen gewoonte. Ongelijkheid is macht die gewoon is geworden.
Cynisme verklaart te weinig
Joseph is op zijn sterkst wanneer hij de hypocrisie van progressieve elites fileert. Hij hekelt mensen die spreken over gelijkheid, duurzaamheid en mensenrechten, terwijl hun eigen leven rust op klassevoordeel, goedkope arbeid, culturele status en materiële veiligheid. Die kritiek mogen we niet te snel wegwuiven. Ze raakt iets reëels.
Ook in Europa kennen we dat ongemak. Mensen kunnen pleiten voor sociale rechtvaardigheid en tegelijk profiteren van lage lonen, geërfde kansen, diploma’s, goedkope diensten, onzichtbare zorgarbeid en mondiale uitbuiting. Progressieve taal kan een levensstijl worden.
Maar hypocrisie ontkracht gelijkheid niet. Ze toont vooral hoe moeilijk het is om gelijkheid ernstig te nemen zonder ook de eigen positie, het eigen comfort en de eigen afhankelijkheden ter discussie te stellen.
Daar loopt Josephs redenering vast. Hij ziet de hypocrisie, maar gebruikt die om gelijkheidsdenken zelf verdacht te maken. Alsof de inconsequentie van sommige progressieven bewijst dat de strijd tegen ongelijkheid ijdel is. Dat is een comfortabele conclusie voor wie de bestaande orde ongemoeid wil laten.
Een rijk persoon die zwijgt over ongelijkheid is niet minder betrokken bij ongelijkheid dan een rijk persoon die erover spreekt. Stilte is geen onschuld. Brutale eerlijkheid is geen morele zuiverheid.
Niet wie spreekt maar wat verandert
De echte vraag is niet wie zuiver genoeg is om over ongelijkheid te spreken. De echte vraag is welke sociale verhoudingen telkens opnieuw maken dat sommigen bevelen en anderen dienen. Dat sommigen erven en anderen gehoorzamen. Dat sommigen spreken en anderen onderwerp van gesprek worden.
Dat vraagt om meer dan morele verontwaardiging. Maar ook om meer dan cynisme.
Cynisme lijkt vaak scherp omdat het illusies doorprikt. Het zegt: kijk toch hoe de wereld echt werkt. Maar cynisme stopt meestal net op het moment dat analyse gevaarlijk wordt. Het ontmaskert de pose, maar laat de structuur staan.
Morele verontwaardiging benoemt terecht het onrecht, maar kan blijven steken in afkeuring. Ze zegt dat ongelijkheid onaanvaardbaar is, maar niet altijd hoe afhankelijkheid, bezit, arbeid, kaste, gender, religie, staat en politie samen een orde vormen waarin ongelijkheid normaal wordt.
Tussen cynisme en verontwaardiging ligt een moeilijker terrein. Daar gaat het niet alleen over waarden, maar over verhoudingen. Niet alleen over wat mensen denken, maar over hoe ze leven, werken, zorgen, gehoorzamen, betalen, erven, huren en dienen.
Vanuit dat terrein klinkt Josephs titelvraag anders. Niet: waarom vermoorden de armen ons niet? Maar: hoe wordt een samenleving zo ingericht dat mensen die benadeeld worden toch afhankelijk blijven van dezelfde orde?
Dat heeft niets te maken met domheid of passiviteit. Mensen komen niet zomaar in opstand omdat ze onrecht ervaren. Ze moeten ook kunnen overleven, kinderen voeden, schulden afbetalen, werk behouden, familie beschermen, geweld vermijden of blijven hopen dat er toch een uitweg komt.
Daarbij komt dat macht niet alleen onderdrukt. Ze organiseert ook verlangen. Ze biedt symbolen, religie, nationale trots, consumptiedromen, mannelijkheid, respectabiliteit, identiteit. Ze zegt niet alleen: blijf op je plaats. Ze zegt ook: misschien komt jouw kans nog, misschien sta je toch dichter bij de winnaars dan bij wie onderaan de staat.
Zo wordt ongelijkheid draaglijk gemaakt. Niet omdat ze rechtvaardig is, maar omdat ze verweven wordt met hoop, angst, gewoonte, straf, schaamte en herkenning.
Daarom is het te eenvoudig om te zeggen dat armen ongelijkheid aanvaarden. Mensen aanvaarden zelden zomaar hun positie. Ze bewegen erin, onderhandelen ermee, ontwijken ze, verdragen ze, zorgen voor elkaar, dromen van ontsnapping of richten hun woede op veiligere doelen.
De afwezigheid van opstand bewijst niet dat ongelijkheid leefbaar is. Ze bewijst hoe diep macht georganiseerd is.
Dat is ook de beperking van een debat dat vooral draait rond de geloofwaardigheid van wie spreekt. Natuurlijk doet die ertoe. Wie over armoede schrijft vanuit comfort, moet zich bewust zijn van zijn positie.
Maar de strijd tegen ongelijkheid kan niet afhangen van morele zuiverheid. Niemand leeft buiten de wereld die hij bekritiseert. De vraag is of ons spreken ook bereid is macht te verschuiven.
Macht wordt dagelijks gemaakt
Dat betekent: niet alleen armen beschrijven, maar luisteren naar hun organisatievormen. Niet alleen privileges bekennen, maar bezit, werk en toegang anders regelen. Niet alleen mensenrechten verdedigen, maar de afhankelijkheden afbouwen waardoor mensen onrecht moeten blijven verdragen. Niet alleen verontwaardigd zijn over vernedering, maar de sociale praktijken veranderen waarin vernedering normaal wordt.
Daar wordt een andere politieke gevoeligheid relevant. Ze vertrekt niet van de staat als redder, noch van de markt als motor, noch van morele elites als gids. Ze vraagt hoe mensen zich zó kunnen organiseren dat macht minder geconcentreerd wordt, afhankelijkheid minder vernederend is en waardigheid niet van bovenaf moet worden toegekend.
Dat is geen romantiek. Het is nuchterder dan cynisme. Want het neemt ernstig dat ongelijkheid niet alleen bestaat in inkomens, wetten of attitudes, maar in relaties: wie toegang heeft tot ruimte, wie spreekt en wie zwijgt, wie zorg krijgt en wie zorg verleent, wie risico draagt en wie winst neemt.
Het interview met Joseph is waardevol omdat het die spanning zichtbaar maakt. Zijn provocaties dwingen tot nadenken over progressieve hypocrisie. Goris’ vragen verhinderen dat die provocaties doorgaan voor diepe wijsheid.
Maar de volgende stap ligt voorbij beiden: weg van de vraag wie moreel gelijk heeft, naar de vraag hoe macht dagelijks wordt gemaakt en kan worden afgebouwd.
Paul Siperius is sociaal-cultureel agoog en betrokken bij activisme.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.
Niets missen?
Abonneer je op (één van) onze nieuwsbrieven.

