Archeologie als instrument voor territoriale claims in tijden van oorlog

Wanneer erfgoed de inzet van politiek wordt

© Belgaimage / Stanislav Krosilnikov

Een raket boorde zich in oktober 2020 in het dak van de kathedraal van Christus de Verlosser in Shushi, Nagorno-Karabach. De kans dat dat per vergissing gebeurde, is hoogst onwaarschijnlijk.

Oorlogen en conflicten eisen niet alleen een grote menselijke tol, ook historisch en archeologisch erfgoed raakt beschadigd. Armenië beschuldigt Azerbeidzjan bijvoorbeeld van cultureel hooliganisme, de Azerbeidzjanen vragen zich op hun beurt af waarom een moskee als varkensstal werd gebruikt. En Israël doet zijn uiterste best om archeologen voor zijn politieke kar te spannen. ‘Opgravingen hebben meer te maken met het heden dan met het verleden.’

Ging het om een misser of een voltreffer van de Azerbeidzjaanse luchtmacht? Het was 8 oktober 2020, week twee van het Azerbeidzjaanse offensief tegen de zelfverklaarde autonome Armeense republiek Artsakh, beter bekend als Nagorno-Karabach. Twee raketten scheerden rakelings over de kathedraal van Christus de Verlosser in Shushi, de derde boorde zich in het dak, met verwoestende gevolgen.

De Azerbeidzjaanse president Ilham Alijev sprak achteraf van een vergissing, maar het vervolg van de aanval laat ruimte voor scepsis. Enkele uren later immers werd het negentiende-eeuwse monument, een van de belangrijkste gebedshuizen van de Armeense Apostolische Kerk, opnieuw onder vuur genomen. Bij die aanval vielen verschillende gewonden, onder wie twee Russische journalisten die zich van de eerste impact waren komen vergewissen.

Azerbeidzjan zou archeologische sites bestookt hebben met clustermunitie, als opmaat van een sinister plan om alle sporen van de Armeense geschiedenis uit te wissen in de betwiste regio.

Een onafhankelijk onderzoek door Human Rights Watch bracht in december meer duidelijkheid: het gebruikte type precisiegeleide munitie maakt een dubbel abuis hoogst onwaarschijnlijk.

Lang heeft de oorlog tussen Azerbeidzjan en Armenië niet geduurd. Op 10 november, zes weken nadat Bakoe het heroveringsoffensief tegen de afgescheurde regio had gelanceerd, sloten de oorlogvoerende staten onder Russische bemiddeling een bestand.

Voor de Armeniërs werd het een bittere pil, want ze verloren de controle over de meeste gebieden die ze tijdens de vorige oorlog om Nagorno-Karabach, begin jaren ’90, hadden veroverd. De replay was kort maar dodelijk: naast 147 burgers verloren beide kampen
elk meer dan 2000 militairen.

Maar niet alleen de menselijke tol liep hoog op, ook het cultureel erfgoed heeft zwaar geleden. De aanval op de kathedraal van Shushi is immers geen alleenstaand geval, zo blijkt uit een open brief waarin de Armeense erfgoedorganisatie AGBU de alarmklok luidt.

Azerbeidzjan zou archeologische sites bestookt hebben met clustermunitie, als opmaat van een sinister plan om alle sporen van de Armeense geschiedenis uit te wissen in de betwiste regio. Duizenden sites en artefacten, soms daterend uit de vijfde eeuw na Christus, zijn bedreigd.

Het document werd ondertekend door tientallen, vooral Amerikaanse, academici en roept de Unesco en andere internationale erfgoedorganisaties op tot actie.

© Belgaimage / Aram Nersesyan

De gebombardeerde kathedraal van Jezus de Verlosser in Shushi, Nagorno-Karabach.

Varkensstal

De geschiedenis wordt door de winnaars geschreven, maar niet noodzakelijk in dit conflict. Zeker in het Westen kunnen de christelijke Armeniërs, nazaten van de slachtoffers van de eerste genocide in moderne tijden, op meer publiekssympathie en welwillende media-aandacht rekenen dan de Azerbeidzjanen.

Jarl van der Ploeg, buitenlandredacteur van De Volkskrant, is een van de weinige westerse journalisten die het conflictgebied recent door een Azerbeidzjaanse bril kon bekijken. Halfweg december bezocht hij als embedded reporter A˘gdam, een stad die tijdens de eerste oorlog dertig jaar geleden volledig verwoest werd. ‘Omdat ze zo dicht bij de frontlinie lag, hebben de Armeniërs de stad nooit heropgebouwd’, zegt hij. ‘A˘gdam bleef goeddeels onbewoond. Veel panden werden ontmanteld voor herstellingen in de hoofdstad Stepanakert.’

Toch kregen sommige gebouwen een nieuwe bestemming, zo kon Van der Ploeg constateren tijdens zijn geleid bezoek. ‘Ik werd meegenomen naar de grote moskee’, vertelt hij. ‘Die was een puinhoop. Blijkbaar hebben de Armeniërs de moskee jarenlang als varkensstal gebruikt.

Er lag nog stro op de vloer en de muren wasemden een penetrante mestgeur uit. Volgens mijn militaire begeleiders was dat ook in vele dorpen het geval. Dat heb ik niet kunnen verifiëren, maar afgaande op wat ik in A˘gdam heb gezien, lijkt het me niet onwaarschijnlijk.’

Leuven en Afghanistan

Cultureel erfgoed, materieel en immaterieel, heeft altijd een politieke lading. Gemeenschappen, etnisch zowel als religieus of taalkundig, palen er hun identiteit mee af. Wat zou Vlaanderen zijn zonder belforten en abdijen, zonder Vlaamse Primitieven of zonder Van den Vos Reynaerde?

In tijden van oorlog of conflict kan cultureel erfgoed een geducht wapen worden. De Duitse bezetter wist goed wat hij deed toen hij op 26 augustus 1914 uitgerekend de universiteitsbibliotheek van Leuven platbrandde, als vergelding voor de onverwacht hevige tegenstand bij de opmars door België. Het fusilleren van tientallen burgers volstond niet; om de woede echt te koelen, moest een monument met 300.000 boeken en manuscripten eraan geloven.

‘Zowel Griekenland als Macedonië sturen archeologen het veld in om sporen van Alexander de Grote te vinden waarmee ze hun gelijk hopen te bewijzen’

De neiging om naar het erfgoedwapen te grijpen is nog groter als een conflict religieus getint is. De Beeldenstorm tijdens de reformatie in de zestiende eeuw is een bekend voorbeeld. Verser in het geheugen ligt het opblazen van de reusachtige boeddhabeelden in Bamiyan door de Afghaanse Taliban.

De vernietiging, die precies twintig jaar geleden een golf van afgrijzen door de wereld joeg, was niet alleen een poging van extremistische mollahs om alle sporen van een pre-islamitisch verleden te wissen. Het was evenzeer een opgestoken middenvinger, zij het niet naar de boeddhistische gemeenschap, die zowat duizend jaar eerder uit Afghanistan was verdwenen. De Taliban-leiders waren zich zeer goed bewust van de symbolische waarde die de beelden voor het vijandige Westen vertegenwoordigden.

© Reuters / Muzammil Pasha

Precies twintig jaar geleden vernietigde de Afghaanse Taliban de reusachtige, 1800 jaar oude boeddhabeelden in Bamiyan (foto: 1997). Voor de Taliban-leiders was het een opgestoken vinger naar het Westen.

Nog een sprekend voorbeeld is de vernietiging in 1992 van de Babri Masjid-moskee in Ayodhya, India, door een opgehitste massa fanatieke hindoes die een historisch onrecht meenden recht te zetten. Volgens de mythe, ijverig verspreid door de huidige, hindoenationalistische regeringspartij BJP, werd de moskee in de zeventiende eeuw gebouwd op de geboorteplaats van de hindoegod Ram. De chaotische afbraak was destijds het startsein voor sektarisch geweld dat in India, Pakistan en Bangladesh meer dan 2000 doden eiste.

Alexander de Grote

Volkskrant-redacteur Jarl van der Ploeg had in Nagorno-Karabach een déjà-vu. Hij bracht eerder al verslag uit over het dispuut tussen Griekenland en de Republiek Noord-Macedonië. Inzet daarvan is het recht op de naam Macedonië, maar onderliggend speelt de vrees voor territoriale aanspraken.

‘Beide partijen sturen archeologen het veld in om sporen van Alexander de Grote te vinden waarmee ze hun gelijk hopen te bewijzen’, zegt Van der Ploeg. Hij bezocht zowel in Thessaloniki als in Skopje het Museum van de Macedonische Strijd, twee instellingen die, ondanks hun identieke naam, narratieven serveren die diametraal tegenover elkaar staan.

Als één wetenschap vatbaar is voor politieke recuperatie, dan is het wel de archeologie. Het verre verleden laat zich zelden ontcijferen aan de hand van geschreven bronnen. Potscherven, munten, vuistbijlen, verkleuringen in aardlagen: ziedaar het alfabet waarmee archeologen het verhaal van lang vervlogen gemeenschappen en beschavingen schrijven.

‘Natuurlijk genieten we als academici vrijheid van meningsuiting. Maar opgravingen zijn duur, zonder privésponsoring kom je in dit vak niet ver.’

Wetenschappelijke nieuwsgierigheid naar het verleden gaat evenwel vaak gepaard met andere, zeer hedendaagse motieven. ‘Archeologen kunnen zich niet boven en buiten het conflictproces plaatsen. We zijn geen neutrale waarnemers maar hoofdrolspelers: medeplichtig en partijdig.’

Het citaat is geplukt uit The Politics and Practice of Archaeology in Conflict, een uitstekend essay van Dominic Perring en Sjoerd van der Linden uit 2009. Niet toevallig is het Israëlisch-Palestijns conflict een van de aangehaalde voorbeelden. Een casus die niets aan relevantie heeft ingeboet, zo zal Rafi Greenberg betogen tijdens een lang videogesprek.

De professor archeologie aan Tel Aviv University staat bekend als een criticus van het Israëlische erfgoedbeleid. Greenberg is ook een van de oprichters van Emek Shaveh, een club die zich geregeld de woede op de hals haalde van rechts Israël, in het bijzonder van de machtige lobby van Joodse kolonisten.

‘Archeologie is ontstaan samen met kolonialisme en modernisme’, steekt hij met een algemene observatie van wal. ‘De eerste archeologen in het Midden-Oosten waren Duitsers, Fransen en Engelsen die vooral interesse hadden voor Bijbels erfgoed, zowel oud- als nieuwtestamentisch. Ook sporen van kruisvaarders vonden ze interessant, maar voor de Byzantijnse periode hadden ze merkwaardig genoeg nauwelijks aandacht.’

‘Byzantium behoorde weliswaar tot de christelijke wereld, maar dan wel tot de als minderwaardig beschouwde oosterse traditie. Vanuit datzelfde vooroordeel legden die eerste archeologen totaal geen belangstelling aan de dag voor de islamitische periode, Arabisch, mammeluks noch Ottomaans. Die houding is niet onschuldig, want ze spoort met het idee dat de zionisten later hebben gepropageerd: in Palestina leefden wel Arabieren, maar die hadden geen echte verbinding met hun leefgebied.’

City of David

Na de gewelddadige geboorte van de staat Israël in 1948 werd archeologie een staatsaangelegenheid. Greenbergs voorgangers werden uitgezonden om de Joodse staat met historische fundamenten te stutten. Bijzondere aandacht ging naar regio’s nabij de bedreigde grenzen. Zo werd onder meer het beroemde Masada-bolwerk bij de Dode Zee opgegraven.

‘In feite waren de zionisten amper geïnteresseerd in archeologie als wetenschap’, zegt Greenberg. ‘Dat sloeg pas om na de Zesdaagse Oorlog in 1967, toen Israël in één klap de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem, Gaza, de Sinaï-woestijn en de Golanhoogten onder controle kreeg.’

‘De echte schok kwam toen ik het systeem doorgrondde en inzag dat archeologie in Israël altijd meer met het heden dan met het verleden te maken heeft.’

Dat Israël opgravingen gebruikt als alibi om in de bezette gebieden nederzettingen te bouwen, moet Greenberg tegenspreken.

‘Die nederzettingen zijn er gekomen zonder archeologie’, zegt hij. ‘De relatie werkt anders: kolonisten zien archeologie als een instrument om een wetenschappelijk stempel te geven aan hun territoriale claims. Archeologen worden met een missie uitgestuurd, ze moeten bewijzen opgraven die het narratief van bakermat van de Joodse geschiedenis onderbouwen.’

Greenberg kwam tot dat inzicht toen hij in 1984 als doctoraatsstudent meewerkte aan een project in de omgeving van Nablus, op de Westelijke Jordaanoever. Op de site, gelegen op de top van de 940 meter hoge berg Ebal, werden eerder potscherven uit 1200 voor Christus ontdekt.

‘Op zich dus een interessante plek’, zegt Greenberg. ‘Maar na een poosje begon het me te dagen dat mijn wetenschappelijk onderzoek geen doel op zich was. De opgraving werd gesponsord door kolonisten die op zoek waren naar sporen van het altaar van Joshua, dat door sommige Bijbelteksten aan de Ebal wordt gelinkt.

Ik hoefde daar niet zwaar aan te tillen, mijn opdracht beperkte zich tot het leveren van wetenschappelijke en technische expertise. Toch voelde ik me gebruikt toen ik besefte dat mijn werk een verborgen agenda diende. Maar de echte schok kwam achteraf, toen ik het systeem doorgrondde en inzag dat archeologie in Israël altijd meer met het heden dan met het verleden te maken heeft.’

© Reuters / Ammar Awad

Controversieel is de City of David, een Israëlisch tunnelproject en topattractie in Jeruzalem, onder de Palestijnse wijk Silwan. ‘Vele huizen zijn al beschadigd door de tunnelwerken.’

Greenberg stelt met de lede ogen vast dat de meeste Israëlische archeologen, ook collega’s van zijn eigen universiteit, zich gewillig voor de rechtsnationalistische kar laten spannen. ‘Kritiek op het archeologisch beleid is moeilijk’, zegt hij. ‘Natuurlijk genieten we als academici vrijheid van meningsuiting. Maar opgravingen zijn duur, zonder privésponsoring kom je in dit vak niet ver.’

‘Een Joodse meerderheid is niet haalbaar, maar door hun huizen te ondergraven laten we de Palestijnen letterlijk voelen op wiens land ze in feite wonen.’

‘De lobby van kolonisten heeft macht en geld. Ze heeft ook een grote invloed op de Israël Antiquities Authority, die toeziet op de vrijwaring en ontsluiting van erfgoed. De instelling hanteert een identitair uitgangspunt: veel opgravingen dienen de zaak van de kolonisten of passen in een toeristisch project om fundamentalistische christenen naar Bijbelse vindplaatsen te lokken. Emek Shaveh protesteert daar wel tegen, maar we vormen helaas slechts een klein clubje.’

Vaak zijn Palestijnen de klos, zoals bij de opgraving van de Tal Rumeida-site, het graf der aartsvaderen in Hebron. Tientallen Palestijnen verloren hun woning bij dat archeologisch project, gul gesponsord door Amerikaanse donateurs, net zoals de bijhorende nederzetting van extremistische kolonisten. Even controversieel is de City of David, al was het maar vanwege de ligging: vlak bij Oud-Jeruzalem, in de schaduw van de Al Aqsa-moskee.

Het is een labyrintisch tunnelproject, een toeristische topattractie verbonden met de Tempelberg, en loopt grotendeels onder de aanpalende Palestijnse wijk Silwan. ‘Vele huizen zijn al beschadigd door de tunnelwerken’, zegt Greenberg. Hij wijst op de symboliek: ‘Silwan staat ook bovengronds onder druk van strenggelovige kolonisten die zo dicht mogelijk bij de Tempelberg willen wonen. Een Joodse meerderheid is niet haalbaar, maar door hun huizen te ondergraven laten we de Palestijnen letterlijk voelen op wiens land ze in feite wonen.’

Cilicisch-Armenië

Dweezil Vandekerckhove, een Belgische archeoloog die aan de Cardiff University promoveerde op werk over middeleeuwse bolwerken in Zuid-Oost-Turkije, kent de politieke gevoeligheden van zijn discipline. Voor zijn onderzoek ging hij tussen 2011 en 2013 tientallen sites opmeten, vaak in afgelegen bergstreken, soms bij de kust. Zonder officiële toelating, want die zou hij van de Turkse autoriteiten nooit gekregen hebben.

Vandekerckhove was geïnteresseerd in Cilicisch-Armenië, een koninkrijk dat zijn bloei kende in de dertiende eeuw. ‘Boven alle bekende sites wapperde een Turkse vlag’, zegt hij. ‘Soms stond er een bordje met uitleg over de sporen uit de verschillende periodes, Romeins, Byzantijns, mammeluks of Ottomaans. Maar de Armeense periode werd doodgezwegen of als Byzantijns geduid.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Het doodzwijgen werd georkestreerd vanuit Ankara, kon Vandekerckhove vaststellen. ‘In de regio was er veel openheid over het Armeense verleden, zelfs over de genocide. Kozan heette vroeger Sis en was de hoofdstad van het koninkrijk Armenië. De burgemeester was erg trots op het rijke Armeense patrimonium. In 2013 vertelde hij me over grootse plannen voor een festival over het Armeense verleden. Voor de organisatie ervan zou hij samenwerken met een professor archeologie uit Istanbul.’

‘Ik heb zelf met die professor gecorrespondeerd, in de hoop mijn onderzoek in Turkije verder te zetten. Helaas, na de mislukte staatgreep van juli 2016 ben ik zijn spoor bijster geraakt. Niet alleen de professor maar zijn hele vakgroep leek wel van de aardbodem verdwenen. Best griezelig.’

Het Armeens festival in Kozan heeft nooit plaatsgevonden.

Deze analyse werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift