Er wonen mensen in bommenstad Bagdad

Samen met de Iraaks-Belgische fotograaf Karim Abraheem bezocht Tine Danckaers Bagdad, de conflictstad van duizend en één nachten. Ze zochten niet de bommen, maar de mensen die ernaast leven. Een exclusieve reportage.

  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Abraheem © Karim Abraheem
  • © Karim Ibraheem © Karim Ibraheem
© Karim Abraheem

De deur lokte het ochtendlicht aan. Het lichtspel ving naast de minuscule stofdeeltjes ook de droge woestijnkorrels die rondwarrelden in Bagdad, waar de straten al maanden geen regen hadden gezien. Het beeld was bijna te perfect om zelfs uniek te zijn. Alsof het opgelichte oude krakende houtsnijwerk van de deur lonkte en verleidde om de sleutel om te draaien.

Het verhaal van de deur, in de oude stad van Bagdad, lag aan de overkant van de straat.

Het is het verhaal van Aaron.

Aaron was, volgens de buurtlegende, de laatste Jood in deze oude stadswijk van Bagdad. Hij werd geboren in de Iraakse hoofdstad in 1942, zes jaar voor de oprichting van de staat Israël, zes jaar voor de Iraakse Joden wegtrokken omdat ze, na politieke intimidaties en vervolgingen, hun thuisplek niet meer veilig achtten. Zijn moeder besloot te blijven, samen met haar jonge zoon. De familie vertrok, de synagogen liepen leeg. En ook het kapitaal vloeide langzaam weg uit deze oude stad, die altijd het rijke commerciële hart van Bagdad was geweest.

Terwijl ezel en kar voorbij zijn winkelmagazijn sloffen, vertelt buurman Ibrahim anekdotes over zijn vriend Aaron en de tijd van toen.

© Karim Abraheem

De gerespecteerde joodse ingenieur was ooit nog medetekenaar van de plannen van een Bagdadse metro. De metro kwam er niet. En dus bleven de rode London-Style-dubbeldekker bussen rijden tot maart 2003, maand en jaar die de Amerikaans-Britse invasie in Irak op de mondiale tijdlijn krasten. In de geweldperiode die volgde, werden de bussen gestolen, gemolesteerd, of vielen ze gewoon uit elkaar door verwaarlozing.

Aaron was bang voor het geweld, dat niet alleen gericht was op sjiitisch-soennitische breuklijnen. Het richtte zich ook op minderheden.

Aaron was bang voor het geweld, dat niet alleen gericht was op sjiitisch-soennitische breuklijnen. Het richtte zich ook op minderheden. Dat vertelt een andere buurman, veel jonger nog. De buren verzekerden hem echter dat hij veilig was. Zij zelf zouden hem beschermen, uit respect, en, gewoon, omdat Iraakse buren dat doen voor elkaar. Aaron, zo klinkt het, was ‘één van ons’, ‘zo Irakees als Bagdad’.

Toen kwam de dag dat hij wegbleef, en na die dag volgde nog een dag, ergens in 2006. Van de politie kregen de ongeruste buren te horen dat Aaron een auto-ongeluk had gehad. Hij was overleden. Zijn lichaam en de begrafenis op een Iraaks joods kerkhof werden overgedragen aan een joods agentschap in Irak, dat zijn bezittingen naar zijn familie in Israël stuurde.

© Karim Abraheem

‘Het was het jaar 2006. Vind je dat niet verdacht?’ Rageeb, fotograaf en onze gids in het oude Bagdad, buigt zich naar me toe en fluistert de vraag in mijn oor.

‘Hoezo? Suggereer je … ?’ En dan schudt hij vertwijfeld neen, haalt zijn schouders op, en zegt dat ‘er misschien “iets” is. Iets dat niet is gezegd’. Ik kijk hem na terwijl hij verder stapt, camera in de aanslag, klaar om nog meer verhalen van deze oude stadswijk in nieuwe beelden te vangen.

Heb ik dingen gemist die erop kunnen wijzen dat Aaron in 2006, samen met 2007 geagendeerd als de jaren waarin het sektarische geweld in Irak een bijzonder triest hoogtepunt beleefde, toch niet stierf in een auto-ongeval? ‘Laat vallen’, reageert Abu Hassan, medegids en metgezel. ‘Ingebakken wantrouwen, meer is het niet. Wij Irakezen hebben het zo moeilijk om in mooie verhalen te geloven.’

‘Het Iraakse wantrouwen steekt op’, zegt Abu Hassan, ‘wanneer een te mooie anekdote niet strookt met nog te verse herinneringen van de kapotte stad’.

De gebarsten herinnering is alvast één van de paradoxen van Bagdad, de conflictstad die zichzelf dagelijks overleeft.

Stad van duizend en één contrasten

‘Aangezien alles paradoxaal is, bestaat de tegenstelling niet.’ De zegswijze, die ik leerde toen ik nog jong was, is op de maat van Bagdad gemaakt. Deze conflictstad van duizend en één nachten biedt een waaier aan tegendraadse beelden die elkaar niet per se tegenspreken. Ik zoek ze, die tegenstellingen. Maar ik zal ze ook tegenkomen zonder dat ik erom vroeg.

In Bagdad knaagt de tijd harder aan zijn eigen rijke verleden. Cultureel erfgoed en schoonheid dreigen hier weg te glijden in de gaten die met elke nieuwe aanslag worden geslagen. En toch delen ook in Bagdad, zoals in veel wereldsteden, een oude en een jonge ziel dezelfde ruimte.

© Karim Abraheem

Al-Mutanabbi is een straat die conflict en vrijheid verenigt. De beroemde boekenstraat is de meest liberale plek van Bagdad, de vrijstaat van de andersdenkenden die er hun weekend op een halve vrijdag komen celebreren. Is het omdat cultuur de ziel kan redden dat men deze straat drie keer wilde wegvagen met bommen?

De Tigris is de religieuze levensader voor de wonderlijke gebedsrituelen van de waterminnende Mandaeërs. Deze gelovigen, volgers van Johannes De Doper, vestigden zich naast de rivier nadat ze, tijdens de burgeroorlog van tien jaar geleden, verjaagd werden uit de zuiderse moerassen van Irak.

De afgesloten Amerikaanse enclave in Bagdad is het grootste fossiel van de Irak-invasie en daaropvolgende bezetting.

Ze moesten ver lopen om de oever te vinden waarlangs ze nu de rivier kunnen betreden. In centraal Bagdad is de rivier immers grotendeels tot no-go-zone uitgeroepen. Het is ‘een zaak van veiligheid’, letterlijk omgevormd in de Groene Zone. De afgesloten Amerikaanse enclave in Bagdad is het grootste fossiel van de Irak-invasie en daaropvolgende bezetting.

Vandaag biedt deze zwaar beveiligde “gated community” een plaats voor buitenlandse ambassades, regeringsgebouwen, pinautomaten, restaurants, cafés, zwembaden en dies meer. De Bagdadi’s zonder toegangspasje — geloof me, ze zijn met heel veel — noemen het de Zwarte Zone.

Bagdad verenigt een seculier en religieus karakter: baas over eigen onbedekt haar of de zwarte biermarkt worden hier gecombineerd met — het tijdens mijn bezoek onontkoombare — religieuze feest als Moeharram, de sjiitische rouwmaand om imam Hoessein.

En er zijn de geheimen van de oorlog, gedeeld door daders en nabestaanden, die vandaag nog steeds elkaars buren zijn. Niet uit te spreken verdriet leunt aan tegen de open en warme cultuur van straten en huizen, waar het gevulde theeglaasje, zelfs in de armste wijken, een continu teken van welkom is.

Wat de politiek verzaakt, moeten de burgers doen

Ik ben hier maar twee weken, genoeg tijd om te weten dat de beelden van deze stad, in mijn hoofd opgeslagen nog voor ik ze had gezien, vals waren. Wat ontbrak was de warme ontmoeting met Bagdad en zijn bewoners, die voorbijgaan aan de naakte politieke analyses en feitelijke nieuwsberichten over aanslagen en sektarische breuklijnen.

Ik vraag niet wat met zijn verlamde hand is gebeurd. De verhalen zijn nog te vers en onze vriendschap is nog te pril.

Maar ik besef hoe er tijdens mijn reis “maar” één aanslag plaatsvindt, ver buiten het centrum, op een militair doelwit, en die ik dan nog via een Belgische collega moest vernemen. En ik weet ook dat mijn verblijf kort is. De kans is klein om de verhalen tot de bodem te doorgronden en om getuigenissen in hun diepe en volle beleving te horen.

Ik leer dat Abu Hassan zelf twee broers verloor in een mortieraanval op hun woonwijk. Het was 2006, toen het sektarisch geweld samen met de aanslag door soennitische extremisten, op de sjiitische al-Askari-moskee ontvlamde, om door te gaan tot 2007. Hij vertelde het me, omdat ik ernaar vroeg. Ze waren gaan helpen bij een eerdere ontploffing. En toen ontplofte de tweede bom, intussen een beproefde tactiek in andere vuile oorlogen.

Meer vertelt hij niet, meer vraag ik niet. Ik vraag niet wat met zijn verlamde hand is gebeurd. De verhalen zijn nog te vers en onze vriendschap is nog te pril.

© Karim Abraheem

Wat Abu Hassan wel zegt, is dat ‘ze verder moeten’. Wat de politiek niet kan, kunnen de burgers misschien beter, denkt hij, hoopt hij. Op straatniveau hoeven ze alvast het hoofd niet te breken over cliëntelisme, postenpakkerij en geldverdeling langs sektarische lijnen, zaken die op het Iraakse politieke niveau wel grote invloed schijnen te hebben.

In de samenleving moet geleefd worden, en liefst op het horizontale niveau. Straten, tussenmuren en lucht dienen te worden gedeeld. ‘In onze straat is bloed gevloeid, tussen buren: soennieten, sjiieten. We wonen nog steeds naast elkaar, ondanks de gruwelen die zijn gebeurd. We moeten verder.’

Stad van boeken en bommen

Elke vrijdag verandert al-Mutanabbi in de Facebookpagina van liberaal Bagdad. Dit is de straat van selfies en ussies. Wie gezien wil worden, komt er naar de cafés of naar een poëzielezing in het culturele centrum.

Cultuur en boeken worden hier bewaakt door volhardende boekenverkopers, lezers, culturo’s, checkpoints en wegblokkades. Cultuur, zo toont het verleden, is een gegeerd doelwit voor bomaanslagen.

© Karim Abraheem

En dus vormt de eettafel in Bagdadse huiskamers de enige noemenswaardige culturele concurrentie voor al-Mutanabbi. Bagdad heeft in 2015, twaalf jaar nadat het nationaal museum werd leeggeroofd, de deuren van het museum terug geopend, maar het blijft een luxeding in tijden van een niet aflatende oorlogssituatie en de daaraan gekoppelde armoede. Het moest een statement zijn: we zijn terug, met “teruggevonden” gestolen goed. De museumcollectie is indrukwekkend. Het bezoekersaantal is dat echter allerminst, wanneer we er zijn. Het blijft ook een vraagteken hoe en vanwaar die gestolen kunstgoederen dan terugkwamen.

Daarnaast blijft het algemene cultuuraanbod mager, met één nationaal theater en een verdoken bioskoop. Die laatste zou soms open zijn, dan weer niet. Het aanbod zou te wensen overlaten. Maar eigenlijk weet niemand het echt heel goed, en dus blijven veel Bagdadi’s thuis van de cinema die ze niet eens weten liggen.

Tussen frivoliteit en kunstarmoede

© Karim Abraheem

Tussen de boulevard en de Tigris, heft Abu Nuwas zijn glas op Bagdad. De beroemde Arabische dichter, die van wijn en mooie jongens hield, is het zinnebeeld van het pluralisme, culturele vrijheden en de frivoliteit van Bagdad.

Aan de overkant, verscholen in het groen en in de schaduw van de bezette buurt rond de Franse ambassade, eerder uitzonderlijk buiten de Groene Zone gevestigd, ligt het culturele centrum Burj Babel for Media Development. Hier, tussen hedendaagse kunstinstallaties van Bagdadse artiesten, wordt het glas geheven op de culturele vrijheid. En die wordt door adjunct-directeur Dhikra Sarsam ook vertaald als het principe van het vrije woord: geen omwegen en tussenregels.

Zo vindt Dhikra Sarsam het verlangen dat veel Irakezen hebben naar de “stabiliteit” onder Saddam Hoessein vals. ‘De bewindsjaren van Saddam vormden een tijdsperiode van een geblinddoekt en gemuilkorfd volk dat van niets wist’, zegt ze.

© Karim Abraheem

Dhikra Sarsam

Onder Saddam Hoessein, die van 1979 tot 2003 via een coup aan de presidentsmacht kwam, werd meteen een derde van de Revolutionaire Commandoraad van zijn eigen Baath-partij geëxecuteerd en werd de Iraakse communististische partij een doelwit. Saddam leidde Irak naar een achtjarige oorlog met Iran, naar de golfoorlogen in de jaren negentig die naar de Amerikaanse invasie leidden en voerde een massazuiveringsactie uit in het Koerdische Halabja.

‘Er werd ons een rad voor de ogen gedraaid. We kregen het slechte nieuws niet te horen. Onder Saddam verdwenen mensen zonder dat we het wisten. Het klinkt cynischer dan bedoeld, maar vandaag weten we tenminste wanneer mensen verdwijnen.’

‘En we houden protestacties. Omdat we meer weten. En omdat het kan, ook al is het niet altijd evident. Hoe beperkt ook, we demonstreren ’s vrijdags op ons Tahrirplein.’

Sarsam wijst op de enorme armoede en ongeletterdheid in het Irak van vandaag, een doorn in het oog van de vooruitgang en een blok voor de ontwikkeling van het land. ‘Velen schrijven dat toe aan de Amerikaanse invasie en de chaos die erop volgde. Dat is onjuist of minstens onvolledig. Het zijn erfenissen van het Saddamtijdperk.’

Politieke crisis

Toch is de verzuchting naar de stabiliteit van de voormalige dictatuur, vals of niet, begrijpelijk. Irak kampt met enorme uitdagingen. Het land kent, naast de gevolgen van een dictatoriaal verleden en intussen zesentwintig jaar oorlog, sektarische conflicten die in stand worden gehouden door geopolitieke belangen. Zo is er het soennitische terreurfenomeen IS in Mosoel, talloze vluchtelingenstromen uit bijvoorbeeld het Sinjargebergte, Mosoel en uit Fallujah waar conflicten bloedig werden uitgevochten met de bevolking als oorlogsschild en -munitie tegelijk.

De bodemlage olieprijzen hebben de staatskas die al onder druk stond door de enorme militaire uitgaven nog extra onder druk gezet.

Een mens zou dus voor minder goed bestuur willen. Helaas staat Irak mondiaal opgelijst als een onverbeterlijke kleptocratie. De verdwenen geldstromen en de kapitaalvlucht van de politieke elite zijn zelfs onder Iraakse kinderen een publiek geheim. De rechtsstaat is een lachertje. En het land heeft een dodelijk sektarisch bestuursmodel geërfd tijdens de invasie.

De politiek invloedrijke sjiitische sheikh Abbas Chamsedine noemt het Iraakse sektarisme een politiek product dat ingaat tegen de natuur van de Irakezen, maar zegt er wel bij dat er geen soennitische partners zijn.

© Karim Abraheem

Khalib Shabander, eveneens sjiiet, vindt dit onzin. Dit voormalig parlementslid stapte uit het politieke establishment uit protest tegen het wanbestuur van zijn partijgenoot van Dawa en voormalig premier van Irak, Nouri al-Maliki.

Naast criticus op ‘de tribale leider’ al-Maliki ‘die van Dawa een stam maakte’, is hij voorzichtig voorstander van diens opvolger Haider al-Abadi. Een man met wereldvisie, bourgeois of niet. ‘En neen, hij is niet de sterke leider die de steun geniet van de clans of van Iran, dat hem te westers vindt. Maar hij heeft het Iraakse leger opgewaardeerd, respecteert de Iraakse staat, en krijgt de steun van de religieuze leiders.’

Culturele armoede

De voortdurende crisissituatie heeft de positie van de kunsten in deze cultuurstad, een titel waarmee Bagdad dweepte, op een laag pitje gezet. Onder de Amerikaanse militaire bezetting van Irak kreeg de culturele elite te maken een zware repressie, ook bekend als cultural cleansing. Cultuur werd nadien gereduceerd tot onbetaalbaar luxegoed.

En toch zijn de Iraakse kunsten niet dood. ‘Alle artiesten die ik ken, blijven kunst produceren. Alleen hebben ze geen forum en heeft het ministerie van Cultuur geen budget’, zegt Sarsam. ‘Acteurs hebben geen podium, beeldend kunstenaars geen overaanbod aan exporuimte, maar vooral muzikanten hebben het moeilijk.’

© Karim Abraheem

Muziek werd in Irak aan religieuze banden gelegd. Gevolg: bekende muzikanten weken uit naar Jordanië, golflanden of de Koerdische Autonome Regio in Noord-Irak. Sommige zangers reciteren nu religieuze teksten omdat veel muziek haram wordt bevonden.

Over de staat van culturele en in het verlengde daarvan – burgerlijke — vrijheden in de Iraakse straten zijn de meningen verdeeld. Muqdad Abdul Kdal noemt de nieuwe culturele codes, zoals de omgangsnormen tussen mannen en vrouwen absoluut een achteruitgang. Deze bekende acteur-op-rust, filmmaker en boekenverkoper, gelooft in schoonheid, wat hij zelf hopeloos noemt.

‘Maar ach, wat moet hij, buiten hopeloos geloven, anders in dit apenland?’ Kdal rouwt om de verdwenen vrijheden, hekelt de religieuze dogma’s die de dictatuur van Saddam hebben vervangen. ‘We zaten “in een embargo”, maar we waren wel open mensen. Vandaag zitten we gevangen in een kooi vol nieuwe rode lijnen en culturele codes die ik niet ken en dus ook niet begrijp.’

© Karim Abraheem

Wat Kdal zegt, stemt overeen met de verzuchting van de veel jongere Sajeed, een eind-twintiger. Hij zou de liefde zo graag in een meer ontspannen en open sfeer zoeken, niet achter de hoeken.

Waar de sprankel hoop nu dan zit? ‘De situatie in Irak is relaxter na het vertrek van Nouri al-Maliki’, zegt Dhikra Sarsam. ‘Zijn opvolger al-Abadi is niet erg goed, te zwak, maar hij is beter en democratischer.’ En, ze zei het al eerder, de Iraakse kunstenaars produceren.

Achter de sluiers

Bagdad is een mannenstad. Ik merk het een paar keer op, een vaststelling die met verwondering wordt onthaald in mijn – mannelijke – gezelschap. De vrouwen zijn dan ‘net thuis’ of ‘naar het werk’ of ‘bij familie’. De winkels in en rond de oude Ottomaanse al-Rashid Straat zijn het tegengestelde van de Europese winkelcultuur die vrouwen eerder dan mannen bedient. Natuurlijk kent het Bagdadse straatbeeld ook vrouwen. In al-Mutanabbi of in sommige straten van de middenklassewijk Karada zijn ze met meer, kleuriger gekleed en minder gesluierd. Maar zelfs in de meer liberale theehuizen vormen vrouwen toch een opvallende minderheid.

© Karim Abraheem

Enas al-Badran zet weinig stappen zonder haar man, haar vaste chauffeur en chaperon. Het is een kwestie van bescherming in een stad die haar na zesentwintig jaar oorlog in een constante staat van waakzaamheid heeft gebracht. Afspreken doet ze in een club – sterk beveiligd – waar een ledenprijskaartje aan vasthangt dat alleen de elite kan betalen.

‘Ik ben moe’, zegt de voormalige journaliste en schrijfster van kortverhalen. Ze vertelt dat ze het liefst haar zonen naar het buitenland volgde. Maar één zoon wou niet aarden in Turkije, een land waar ze kort woonde en dat ze koestert, want minstens beschermd door een sterke leider. En dus kwam ze terug en blijft ze, bij haar zoon en schoondochter.

Nee, verlangen naar de dictator heeft Enas al-Badran niet. Ze betreurt wel dat vrouwenrechten in de post-Saddam-periode in de verdomhoek werden geplaatst. Voor 2003 hadden de Iraakse vrouwen, in vergelijking met andere vrouwen in de regio, goede sociaal-economische rechten en een sterke maatschappelijke participatie. Nadien ging het bergafwaarts met de wettelijke bescherming van de vrouw.

In 2003 lanceerde de Iraakse interimregering resolutie 137, die de sharia introduceerde in de bestaande seculiere wetgeving, die sinds einde jaren vijftig burgerlijke rechten en vrijheden voor Iraakse vrouwen vastlegde. De resolutie werd overruled door de Amerikaanse Paul Bremer, bestuurder van de Coalition Provisional Authority, maar daarna kwamen herhaaldelijke wetsaanpassingen.

Onder het regime van de vorige premier al-Maliki werd duidelijk dat de gelijkheid van mannen en vrouwen niet langer van tel was. Vrouwen kregen ongelijke rechten, opgelegd volgens religieuze lijnen. ‘Natuurlijk was onze oude wetgeving ook voor veel verbetering vatbaar’, zegt Enas al-Badran. ‘maar vrouwen stonden sterker dan vandaag. Laat ons vooral geen stappen terug zetten.’

© Karim Abraheem

Toch kunnen we de kleine stapjes vooruit niet ontkennen, zegt Enas. ‘Vrouwen komen, anders dan twee jaar geleden, opnieuw veel meer buiten.’

Vrouwen rijden in Bagdad opnieuw met de auto, wordt me ook elders gezegd. En er wordt actie gevoerd, op allerlei manieren, via het parlement of via ludieke campagnes. Ongesluierd en zelfs op de fiets kwamen vrouwen in 2016 op straat om hun rechten te claimen.

De ondraaglijke lichtheid van onveiligheid

Aan de verre overkant van de Tigris, de kwetsbare levensader van Irak en deze stad, landt een vogel op een watervlek die de avondzon weerspiegelt. De natuur gaat zijn gangen en trekt zich weinig aan van de dictaten van de mens. Hier is de prachtige stroom voor de meeste Bagdadi’s verboden terrein, aan de overkant ligt de omwalling van de “Zwarte Zone”.

Het brede wandelpad naast de rivier deed nog niet zo lang geleden wat alle rivieroevers doen: massa’s mensen aantrekken die gezelschap, horizon en lucht opzoeken. Vandaag, zelfs op een vrijdag, tref je hier in veel mindere mate wandelende families of vrienden aan.

Maar ze zijn er, en ook hier duikt de selfiescultuur op. Voorbijgangers komen – vaak ietwat schuchter – vragen om samen met op de foto te mogen, Belgen zijn hier zeldzaam. Maar het gaat niet alleen om de curiositeit. ‘Dat Europeanen hier wandelen, geeft op de een of andere manier hoop’, zegt een jongeman. Het is een stap naar normalisering, meer veiligheid, of minstens het gevoel dat het er een is.

Veiligheid is ongrijpbaar en het kan bedrieglijk zijn in een conflictstad als Bagdad. Pas op de dag dat ik naar huis ga, hoor ik dat het hotel waar ik logeerde zwaar bewaakt was, met veiligheidsmedewerkers tot in de andere straat.

Ik zie de zwarte littekens in het liberale hart van Bagdad, Karada, drie holle winkelcentra waar in juli 2016 meer dan driehonderd mensen stikten en levend verbrand werden bij een aanslag, opge-eist door IS. De terreuraanslag was de zwaarste in Irak sinds 2003. Ik staar naar de nutteloze brandweerwagens ervoor, de al even nutteloze checkpoints om de volgende aanslag te voorkomen. Normaal is het hier koppenlopen, maar sinds de aanslag blijft het hier veel leger dan anders. De aanslag heeft nog maar eens bevestigd dat het gevaar van overal kan komen.

© Karim Abraheem

Nochtans werd de veiligheid extra aangeschroefd na de zware bomaanslag in het liberale centrum van Bagdad, de zwaarste sinds 2003 in Irak. De minister van Binnenlandse Zaken nam ontslag, terroristen werden geëxecuteerd, al-Abadi beloofde de veiligheidssituatie te reconstrueren. 80.000 Irakezen tekenden een petitie, een hulpkreet aan de VN voor een echt onafhankelijk onderzoek.

De petitie schreeuwt de vragen en het wantrouwen van de Irakezen in hun regering van het dak. Wat was het extreem ontvlambare materiaal dat door IS werd gebruikt, en waar kwam het vandaan? Had het misschien te maken met de diefstal van radioactief materiaal uit een bunker van het Amerikaanse bedrijf Weatherford eerder in 2016. Hoe kon de volgeladen auto voorbij de strenge veiligheidspunten tot bij de voetgangerszone komen? Wat doet de regering om zijn burgers te beschermen?

Alles went, ook onveiligheid, vinden sommigen.

Ook de petitie zal geen potten breken, de aanslagen op openbare plekken zullen blijven komen. Een dikke maand na mijn bezoek in Irak, vinden verschillende aanslagen plaats in Bagdad, waaronder een IS-zelfmoordaanslag op een gezellige, levendige marktplaatsen die ik bezocht. 27 doden erbij, zoveel gewonden meer. Bij volgende aanslagen vallen minstens elf doden.

Alles went, ook onveiligheid, vinden sommigen. In de groene strook van het Abu Nuwaspark, tussen de Tigris en de stad, wordt een barbecue aangestoken, spelen tieners voetbal en betaalt een vader een ezelritje voor zijn dochter.

De verboden driehoek

Een interview met de afgevaardigde van de Iraakse beroepsfederatie van journalisten is er eentje voor de schone schijn. Dat er totale vrije meningsuiting is, censuur of rode lijnen bestaan niet in de media, zegt de man. Het staat haaks op wat anderen zeggen.

In Irak hoor ik het eerst van de term ‘Fobia al-Horria’, vrij vertaald, ‘vrijheidsfobie’. En daaruit komt zelfcensuur voort. Het is voor velen de gouden raad in het publieke debat, klinkt het. In Irak spreek je beter in stevig verdekte termen over de verboden driehoek: seks, religie en politiek.

© Karim Abraheem

Over dat laatste lijken de meeste Bagdadi’s het eens te zijn: ’s lands bestuur sucks. De stelling ‘er is geen wet of bestuur in Irak’, is zowat de meest gehoorde hier in de hoofdstad.

Terwijl op politiek niveau gestreden wordt over de verboden driehoek, lijkt het op burgerniveau gemoedelijker te gaan.

Moslims bidden in Bagdadse kerken, mannen schudden handen van vrouwen en politici die de eer aan zichzelf willen houden, stappen uit de politiek en worden opnieuw burger. Zoals Khalib Shabander deed.

Verdeeld land, gemengd bloed

Vandaag blijven de sjiitische milities in Irak een groot probleem. De milities, onder meer de invloedrijke Badr-brigade, voerden tijdens de Amerikaanse bezetting ware doodseskaders aan tegen de soennieten. Ze werden gesteund door zowel de VS als Iran, en zijn vandaag nog steeds niet ontbonden. Sommige ex-leden van de vroegere soennitische Sahwa-milities, sloten zich uit verzet aan bij IS. Gevolg: soennieten in het noorden van Irak zijn nu dubbele slachtoffers, zowel van IS zelf als van de sjiitische bevolking die hen vereenzelvigt met IS. Wraakcultuur langs twee kanten dus.

De eenentwintigjarige kunstenaar en gelegenheidstolk tijdens een workshop over burgerschap voor jongeren, Sary Hussam, is soenniet. Hij fluistert het, niet uit angst of schaamte. ‘Ik heb gewoon niets met dat stempel. Jij bent het die me de vraag stelt. Het maakt me geen zier uit. Kijk, wij zijn jongeren die bestempeld worden als de verloren generatie. Geloof me dat dit ons veel meer bezighoudt dan religie.’

© Karim Ibraheem

Burgerschap is vanuit politiek oogpunt een vreemd begrip in het verdeelde Irak. Er moet nog veel water de zee worden gedragen. Maar sommigen zijn het erover eens dat IS vandaag de Irakezen eerder verenigt, volgens de wetmatigheid van de gemeenschappelijke vijand.

De verzoeningspolitiek is nooit ingevoerd in Irak. Een gemiste kans, voelen velen.

Kwestie van die gemeenschappelijke band te houden, zegt Ibtisam Latif wiens organsiatie Kulluna Muwatinin met minderheden en rond burgerschap werkt. De versnippering in Irak is een grote uitdaging, vooral in afgelegen gebieden waar de clangeest sterker is dan de nood aan een Iraakse identiteit.

De verzoeningspolitiek is nooit ingevoerd in Irak. Een gemiste kans, voelen velen.

Maar er is ook de zucht naar eenheid. De meerderheid van de Irakezen wil eenheid, verlangt naar burgerschap, gelooft Ibtisam Latif. Ondanks tegengestelde berichten of een tegenstrijdige realiteit. De verdeeldheid komt van buitenaf. Ik hoor het vaak.

‘Het Iraaks bloed is gemengd, kijk naar mij’, zegt Enas al-Badras. ‘Mijn vader was soenniet, mijn moeder sjiiet, mijn broer is getrouwd met een Koerd en ik, een gelovige vrouw, draag de trouwring van een socialist.’

‘We shall overcome. Nog een thee om af te sluiten?’

LEES OOK

Jan Sefti (CC BY-SA 2.0)
Ondanks tegenkanting van de Iraakse regering, buurstaten, regionale machten en de internationale gemeenschap is de bevolking van Iraaks Koerdistan massaal gaan stemmen over zelfbestuur, en heeft ze
Journaliste Tine Danckaers en fotograaf Karim Abraheem trokken op citytrip naar centraal Bagdad, een tocht langs mensen, vergane glorie, kabelsteegjes en kleine, grote verhalen.
© Karim Ibraheem
​Beste meneer al-Kashali, wat u vertelde, toen in uw café, kwam binnen.

Meest recent van Tine Danckaers

© Tine Danckaers
Europa laat gedeporteerde Afghanen aan hun lot over
Afghaanse jongens die Noorwegen repatrieerde naar Kaboel, werden door Iraanse troepen ingelijfd, tweette de Afghaanse blogger Abdul Ghafoor. Niet verwonderlijk, zegt hij tegen MO*.
© Reuters
Heeft Turkije internationale betweters nodig?
Voor PEN Vlaanderen woonde MO*-journaliste Tine Danckaers het Cumhuriyetproces bij in Istanboel. Een schertsvertoning waar de hoofden zijn gevallen nog voor de uitspraak, zo leek.
Hilmi Hacaloğlu (CC0)
Geeft Turkije de doodsteek aan de persvrijheid?
Op maandag 11 september werd in Turkije een nieuw hoofdstuk geschreven in het Cumhuriyet-proces, een politieke rechtszaak die nog meer dan andere symbool staat voor het monddood maken van de kritis
© Reuters / Khaled Abdullah
Wie wil de oorlog in Jemen nu (niet) stoppen?
Volgens VN-experten faalt de vernietigende oorlogsstrategie van Saoedi-Arabië en zijn coalitiepartners in Jemen.