Dossier: 

De omgekeerde Balkanroute

De Balkan kwam vorig jaar in beeld als de bedding waardoor een ongeziene vluchtelingenstroom zich noordwaarts beweegt. Nauwelijks twintig jaar geleden dreven de Joegoslavische oorlogen in de regio miljoenen mensen op de vlucht. Terugkeren naar de plek van herkomst gaat moeizaam, zelfs twee decennia later. Zeker in Bosnië, waar de oorlog diepe wonden sloeg.

  • © ICRC/Rene Clement Het Britse Rode Kruis hielp tussen 1991 en 1995 vluchtelingen in voormalig Joegoslavië. Deze foto werd genomen in het Tuzla vluchtelingenkamp. © ICRC/Rene Clement

De bel rinkelt, en dan breekt de hel los. Kinderen rennen van het ene lokaal naar het andere in een explosie van energie die zich tijdens een lesuur stilzitten heeft opgestapeld.

Een scène die zich op iedere school had kunnen afspelen. Toch is het gebouw aan het dorpsplein van Nova Kasaba geen officiële school, maar een “educatief centrum”.

Drie jaar geleden besloten de ouders van het dorp – allemaal Bosniakken, Bosnische moslims – de officiële school te boycotten uit onvrede met het beleid van de verantwoordelijke overheid, de Servische Republiek, een van de twee deelstaten van Bosnië. Sindsdien werd de school in Nova Kasaba een symbooldossier in de terugkeerkwestie.

Meer dan tien jaar na hun terugkeer blijven ze vluchtelingen voor de overheid.

‘Een tweede etnische zuivering.’ Dat zijn beladen woorden, zeker hier in het oosten van Bosnië. Maar Jasmin Pavica, leraar Engels in Nova Kasaba, wil er niet omheen draaien. ‘Als onderwijs je taal en je identiteit ontkent, dan komt het daar op neer. Het onderwijscurriculum van de Servische Republiek ontkent het bestaan van de Bosnische taal en geeft een lezing van aardrijkskunde en geschiedenis waarmee wij niet akkoord kunnen gaan. Maar het grootste probleem was de totale verwaarlozing van de vroegere school. De oudste leerlingen kunnen soms zelfs nauwelijks schrijven, ondanks het feit dat ze altijd goede cijfers haalden.’

‘In Bratunac en vele andere dorpen in de Servische Republiek hebben we hetzelfde probleem. Maar omdat Bosnische moslims daar in de minderheid zijn, kunnen we daar niets doen. De lokale overheid maakt er geen probleem van dat we onze eigen school hebben opgericht. Dat scheelt weer in hun budget’, aldus Pavica. Zijn salaris en dat van zijn collega’s wordt betaald door het ministerie voor de Vluchtelingen. Veelzeggend, want de ouders van de leerlingen keerden al meer dan een decennium geleden terug naar hun dorpen waar ze voor de oorlog woonden. Toch blijven ze vluchtelingen voor de overheid.

Duistere herinneringen

Nova Kasaba, Konjevic Polje, Kamenice en de andere dorpen rond het stadje Bratunac hebben een moslimmeerderheid, maar liggen in de Servische Republiek. Het was hier, in de vallei van de rivier de Drina, dat de ergste etnische zuiveringen hebben plaatsgevonden. In april 1992 trok de beruchte Servische oorlogsmisdadiger Arkan de stad Bratunac binnen. Zijn milities begonnen de moslimdorpen in de regio plat te branden. De bewoners sloegen op de vlucht, richting Srebrenica, nauwelijks tien kilometer verderop. Drie jaar later werd ook die enclave onder de voet gelopen, wat resulteerde in de massamoord op meer dan 8000 Bosniakken.

De vredesakkoorden van Dayton maakten in 1995 een einde aan de slepende burgeroorlog in Bosnië. In een delicaat evenwicht is de macht verdeeld over de drie etnische groepen. Het land werd opgedeeld in een Bosnisch-Kroatische Federatie en de Servische Republiek, die samen het land Bosnië en Hercegovina vormen. Annex 7 van het akkoord voorziet in de terugkeer van alle vluchtelingen naar hun plek van herkomst. Maar slechts een minderheid van de interne vluchtelingen keerde ook echt terug, ondanks inspanningen van de nieuwe staten en de internationale gemeenschap. De nieuwe samenstelling van de bevolking is een feit.

Mihret Omarovic, een potige kerel in een blauwe overall, komt net van het land. De grond moet klaar worden gemaakt voor de aanplant van frambozen. Hij herinnert zich de rampzalige lente van 1992 maar al te goed, net als zijn vlucht uit Srebrenica drie jaar later. ‘Ik vluchtte met mijn gezin naar Tuzla, later hebben we een tijdje in Sarajevo gewoond. In 2003 zijn we teruggekeerd. Een lastige beslissing, maar ik zag geen toekomst als vluchteling. Ik hoor hier thuis.’

Hier, dat is Kamenice, een klein dorpje niet ver van Bratunac. Het is moeilijk voor te stellen vandaag, maar toen Omarovic terugkeerde, bleef er van Kamenice niets anders meer over dan overgroeide ruïnes. Alles moest worden herbouwd. ‘Hier voelde ik me veilig, in Bratunac was het een andere zaak. Als men wist dat je moslim was, werd je er in sommige winkels gewoon uitgetrapt.’

Nu gaat het beter tussen hen en de Serviërs, zegt hij. Alleen de overheidsinstanties maken problemen. Al zijn er nog wel incidenten. ‘Vorig jaar nog, na een voetbalwedstrijd, werd er uit een auto op enkele huizen geschoten. Zoiets brengt bijzonder kwalijke herinneringen naar boven. Alle toenadering die je in tien jaar opbouwt, kan in één keer weggeveegd worden door zulke dingen.’

Terugkeer als antwoord

Was het een goede beslissing om terug te keren naar zijn dorp? ‘Hier ben ik thuis. Maar er is altijd een zekere ongerustheid. Ik voel me onbeschermd, mocht er iets gebeuren, dan weet ik niet tot wie me te richten. De mensen die in de Federatie zijn gebleven of naar het buitenland vertrokken begrijpen onze problemen niet. Het zou beter zijn als er meer mensen waren teruggekeerd. Slechts twaalf van de 36 huizen van vroeger zijn herbouwd. We zouden onze stem kunnen laten horen als we met meer waren. Als ik de politici van de Servische Republiek hoor spreken over referenda en aansluiting bij Servië, dan vrees ik voor de toekomst.’

‘Voor de Serviërs was het een schok toen we naar onze dorpen begonnen terug te keren.’

Even later komt Muhizin Omarovic aangereden, dezelfde naam, maar geen familie. Hij was een van de ouders die de schoolboycot van Nova Kasaba in gang zetten. De man woonde veertien jaar in Zwitserland, maar ook hij keerde naar Bosnië terug. ‘Een eerste keer in 2001, maar dat was een ramp. Overal zag je nog platgebrande huizen, de spanning tussen ons en de Serviërs was te snijden. Het was absoluut niet veilig hier. Vier jaar later was het al heel wat rustiger en ben ik definitief teruggekomen.’

‘Voor de Serviërs was het een schok toen we naar onze dorpen begonnen terug te keren’, zegt Muhizin. ‘Hun leiders hadden hun verzekerd dat dat niet zou gebeuren, en dat bleek een leugen. Nu nog hoor je geruchten dat het de Arabieren zijn die ons betalen om opnieuw hier te komen wonen.’ Maar tussen de gewone mensen vlot het weer, benadrukt Muhizin, zij het stapje voor stapje.

Muhizin heeft de Zwitserse nationaliteit en spreek vloeiend Frans. Zijn kinderen zijn ginder geboren. Hij deelt niet in de economische problemen waar interne vluchtelingen in Bosnië mee zitten. ‘Maar terugkeren was mijn antwoord op de oorlog. Er zijn hier hele families vermoord, mijn huis werd platgebrand, en ik moest mijn land verlaten. Als je dat zo laat en wegblijft, rechtvaardig je wat er is gebeurd, en dat wil ik niet. Tegelijk ben ik een optimist. Ik geloof in een gezamenlijke toekomst voor Bosnië.’

Dit artikel werd geschreven voor het winternummer van MO*magazine. Voor slechts €20 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2945   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift