Dossier: 

Deradicalisering van Syriëstrijders

Uittredend minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet trok in februari naar Jordanië om te bestuderen hoe dat land omgaat met teruggekeerde Syriëstrijders. Pieter Stockmans en Montasser AlDe’emeh reisden haar achterna en leggen de valkuilen in het Jordaanse en Belgische beleid bloot: hoe repressie en preventie de reële dreiging voor onze staatsveiligheid beïnvloeden.

© Xander Stockmans

Ahmad verloor zijn beste vriend in Syrië

Uitlaatgassen blakeren de gevels van de gebouwen zwart in de Jordaanse stad Russeifah. Achter één van de gevels leiden de trappen tot aan het kantoor van advocaat Taher Nassar. In zijn praktijk op de lege bovenverdieping aan het einde van een donkere, verlaten gang, wachten cliënten in zijn oubollig jarenzeventig-interieur. We nemen plaats op de zitbank voor zijn bureau, waar honderden jihadisten ons voorgingen.

‘Sinds de staat begin 2014 honderden rechtszaken tegen kandidaat-Syriëstrijders en terugkeerders begon, heb ik mijn handen vol’, zegt Nassar. ‘Tot voor kort hield de inlichtingendienst de meesten hoogstens een paar dagen vast om informatie te verzamelen.’

© Xander Stockmans

Advocaat Taher Nassar verdedigde al tientallen salafi-jihadi’s.

Maar de bondgenoten van vandaag zijn de vijanden van morgen, moeten de inlichtingendiensten hebben gedacht toen zij de grenzen sloten en Jordaanse Syriëstrijders juridisch begonnen te vervolgen.

Inlichtingendiensten houden de touwtjes van de jihadbeweging in handen.

De Saoedische inlichtingendienst gaf aan jihadistische milities in Syrië instructies en wapens om tegen de andere jihadisten van de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS) te vechten. ISIS zorgde immers niet enkel voor een gewenste verzwakking van het Assad-regime, maar ook voor een ongewenste bedreiging tegen Jordanië en het Saoedische koningshuis zelf.

Deradicaliseringscentra

Inlichtingendiensten houden de touwtjes van de jihadbeweging in handen. Religieuze geestdrift is een wapen tegen hun vijand Bashar al-Assad, de president van Syrië.

‘De meeste jihadisten zijn eenvoudige mensen, ze beseffen niet dat ze marionetten zijn. Het kan hen ook niet deren’, zegt advocaat Nassar. Samen met hun moeders en de Syriërs die sterven in hun terreuraanslagen zijn ze slachtoffer van dit tijdsgewricht, waarin de War on Terror leidde tot de groei van jihadistische bewegingen.

‘Niet de veiligheid van de Jordaanse bevolking, maar de belangen van het regime drijven het beleid’, zegt Nassar. Hij kijkt ons dan ook vol ongeloof aan als we vertellen dat België het Jordaanse deradicaliseringsprogramma als voorbeeld beschouwt. Volgens hem is het een preventieve druppel op een hete plaat van repressie.

‘Ze kunnen in de gevangenis islamitische les volgen om te “deradicaliseren”. Maar de schending van het recht op een eerlijk proces draagt net bij tot radicalisering. Sommige van mijn cliënten werden gemarteld. De rechter behoort tot dezelfde instelling als de aanklager. Zelfs tijdens mijn gesprekken met cliënten is de inlichtingendienst aanwezig.’

Volgens Binnenlandse Zaken zou het onlogisch zijn om niet met Jordanië samen te werken: het is een buurland van Syrië en ze hebben een zeer performante inlichtingendienst. Voor inlichtingen- en politiediensten kan informatie over deradicalisering in de gevangenis nuttig zijn, omdat België nog zwak staat op dat vlak.

‘De schending van het recht op een eerlijk proces draagt net bij tot radicalisering.’

De Groep van Elf

Als David tegen Goliath ging Nassar de strijd aan met de staat in het grote proces tegen de “Groep van Elf”, dat nog steeds de Jordaanse media beroert. De beklaagden, bijna allemaal afkomstig uit Russeifah, worden beschuldigd van het plannen van een aanslag op de Amerikaanse ambassade.

‘Deze mannen zijn zondebokken voor een falende inlichtingendienst die een terreurzaak nodig had om het vertrouwen van de bevolking terug te winnen. Kort daarvoor zijn twee van hun informanten immers voor de rechter verschenen wegens corruptie’, zegt Nassar.

Als we na ons gesprek weer buiten voor de zwartgeblakerde gevel van het gebouw staan, kruist een wat stuurse twintiger met lange baard en kaki-legerbroek ons pad. We ontmoetten hem een paar dagen geleden al eens in een “verborgen kamer” in één van de steegjes van het Palestijnse vluchtelingenkamp van Zarqa, waar hij met zijn kompanen van ISIS nasheed (religieuze gezangen, nvdr) zong.

‘Ik kom de zaken van een aantal broeders bespreken met onze advocaat’, zegt Abu Walid.

© Xander Stockmans

Abu Walid probeerde naar Syrië te gaan, maar werd tegengehouden en vrijgelaten

In zijn busje maken we kennis met drie andere jongens. De meesten hebben baarden en dragen militaire kledij. Uit de luidsprekers kraakt een toespraak van al-Qaedaleider Abu Musab al-Zarqawi, afgewisseld met nasheed. Na een tussenstop aan de moskee trakteren de jongens ons op frieten in een snelwegrestaurant.

‘De elf? Dat zijn goede vrienden van me. Natuurlijk willen ze naar Syrië, maar een aanslag op de Amerikaanse ambassade? Daar heb je een leger voor nodig’, lacht Abu Walid cynisch.

Op 28 mei veroordeelde de rechtbank twee van de elf mannen tot twintig jaar gevangenisstraf, drie kregen vijftien jaar, vijf kregen tien jaar en twee kregen vier jaar.

‘Waarom laat jij je baard groeien?’

‘Misschien zijn jullie wel spionnen voor Jabhat Al-Nusra’, aldus de Jordaanse inlichtingendienst tegen twee MO*journalisten.

Van het hol van de ene leeuw trekken we naar dat van de andere: het kantoor van de Jordaanse inlichtingendienst. Daar wekken Montassers (co-auteur van dit artikel, nvdr) baard en geboorteplaats – het Palestijnse vluchtelingenkamp Russeifah – geen vertrouwen maar wantrouwen op.

Aan de voet van de heuvel waarop de versterkte burcht is gelegen, krioelen onderdanen door elkaar op de drukke markt van Zarqa. Op elke straathoek het portret van Koning Abdullah II. Onder zijn alziend oog ettert onrecht en frustratie verder.

Aan de poort van de burcht staat een wachter. Hij laat ons door omdat we een persoonlijk contact hebben binnen de inlichtingendienst. In een kantoor wachten drie mannen in kostuum ons op, gezeten onder de portretten van de koning, vader en zoon.

‘Misschien zijn jullie wel spionnen voor Jabhat Al-Nusra’, zegt de man in het midden vriendelijk, maar in zijn blik schuilt wantrouwen. Zonder veel boe of ba neemt hij Montasser apart.

Van zodra het spervuur van vragen begint, begrijpen we dat de rollen zijn omgedraaid: 
Vertel je levensverhaal. 
Woon jij nog in het vluchtelingenkamp? 
Welke groepering steun je? De Moslimbroeders? 
Hoeveel strijders zijn uit België vertrokken? Bij welke groeperingen vechten ze? 
Wat weet je over Sharia4Belgium? 
Waarom laat jij je baard groeien? 
Heb je contacten met Jordaniërs die in Syrië vechten? 
Waarom onderzoek je niet de lokale eetgewoonten in plaats van jihad?

Vooral die laatste vraag is lachwekkend, maar de man is bloedserieus.

‘Als je nog één keer lacht, voeren we je af’, snauwt hij. 

© Xander Stockmans

Het gebouw van de inlichtingendienst in Zarqa.

Na een half uur mogen (fotograaf) Xander en (co-auteur) Pieter er weer bijkomen.

‘Je mag niet zomaar mensen op straat interviewen. Je had eerst naar ons moeten komen’, zegt de man nu poeslief.

‘Ken je Abu Musab Al-Zarqawi? Hij was van hier, een bloeddorstig man. Zulke mensen lopen hier nog altijd rond. Wij zijn verantwoordelijk voor jullie veiligheid.’

We werpen tegen dat we onafhankelijke onderzoekers zijn en dat we toch hoorden dat Jordanië een vrij land is.

‘De terrorist Abu Qatada was ook een onderzoeker’, zegt de man al wat meer geïrriteerd.

In het hart van de Jordaanse macht

In de kamer zijn nog twee andere heren aanwezig. De ene kijkt zwijgend toe, de andere noteert elk woord dat over onze lippen gaat. Deze mannen zijn getraind om informatie op te sporen, niet om informatie te geven. Maar als de ondervrager de ruimte verlaat, kunnen we toch wat informatie van zijn handlangers ontfutselen.

‘We controleren de grenzen, maar het kan zijn dat sommigen Syrië binnengesmokkeld worden. We kunnen niet dulden dat al-Qaeda aan de grens met Jordanië groot wordt.’

De ondervrager scheept ons kordaat maar vriendelijk af. Aan de poort laat de directeur van de inlichtingendienst het geblindeerde raam van zijn wagen zakken. Hij garandeert ons dat we met onze vragen bij de centrale inlichtingendienst in de Jordaanse hoofdstad Amman terecht kunnen.

De aanhouder wint, denken we.

Drie journalisten te voet aan de ingang van een uitgestrekt militair domein omringd door wachttorens, soldaten en controleposten: verdacht. De echte macht in dit land bevindt zich hier. Een soldaat leidt ons binnen. Montasser krijgt regelmatig telefoontjes, ook van de grote baas.

Afgescheept

‘We weten dat jullie met jihadisten hebben gesproken.’

Twee mannen beginnen Montasser zwaar onder druk te zetten: ‘We weten dat jullie in Hayy Rashid, Hayy Ja’far en het vluchtelingenkamp van Zarqa met jihadisten hebben gesproken.’ De toon is intimiderend en agressief. Is het bluf? Of hebben ze onze telefoon afgeluisterd?

Dat Montassers neef, die voor het leger werkt, ons had gevraagd om zijn telefoon niet meer te gebruiken, kan daarop wijzen. Wanneer Montasser een paar weken later naar Jordanië terugkeert, neemt de inlichtingendienst hem zijn paspoort af en laten ze hem tot drie keer toe naar het kantoor in Amman terugkeren. 

Uiteindelijk worden we afgescheept. ‘Stuur een e-mail naar het kabinet van de minister’, zegt de agent. Dat doen we, maar we krijgen nooit antwoord.

We hadden de Jordaanse overheid aan de tand willen voelen over deze tragische dynamiek: de salafi-jihadi’s bereikten hun doel dankzij de onderdrukking van hun protest in Zarqa omdat ze zo net aan invloed wonnen. Ook de inlichtingendienst bereikte haar doel: zij hebben nu een sterke vijand die ze kunnen opvoeren om de bevolking bang te maken.

Het tragische aan deze symbiose tussen vijanden is dat er nooit zoveel jongeren uit Jordanië naar Syrië waren vertrokken als de overheid de salafi-jihadi beweging niet zo hardhandig had aangepakt.

© Xander Stockmans

Mahmud, een jihadist met sympathie voor ISIS, in het Palestijnse vluchtelingenkamp van Zarqa.

België: selectieve repressie?

België kan leren van deze dynamieken, want in ons land gebeurt iets gelijkaardig. De jihadistische leider Fouad Belkacem alias Abu Imran werd opgepakt en zijn beweging Sharia4Belgium opgedoekt. Vanuit een slachtofferrol en met een martelaarsdiscours begonnen zijn sympathisanten andere moslims aan te trekken.

Twee jaar later worden twee Antwerpse moslimmeisjes gearresteerd en is Sharia4Belgium terug onder de naam The Way of Life.

Op sociale media en in straatprotesten grijpen ze de arrestatie aan om hun beweging te doen groeien, en Belkacem en de meisjes te bombarderen tot symbolen van een heldhaftige strijd.

Door misdrijven te vervolgen, zoals dat hoort in een rechtsstaat, krijgt de jihadbeweging een nieuwe adem.

De overheid balanceert op een slappe koord: door misdrijven te vervolgen, zoals dat hoort in een rechtsstaat, krijgt de jihadbeweging een nieuwe adem. Sommige moslims die anders nooit met de gewapende jihad zouden bezig zijn, voelen bewust of onbewust sympathie voor de jihadisten die opkomen voor de “onderdrukte broeders en zusters”.

Een greep uit een post op de Facebook-pagina “Free Aseer Abu Imran”, inmiddels offline gehaald:

‘Lazen jullie wat de ongelovigen met onze broeders en zuster doen? Moge Allah hun de kanker geven en hun ruggen breken. Het hart van onze geliefde broeder Abu Imran brak vandaag in miljoenen stukken toen hij in de gevangenis van Antwerpen moest toezien hoe zijn geliefde zuster Umm Haneefa werd uitgekleed voor zijn ogen!’

‘Onze edele zuster is onteerd, ze werd verplicht haar bedekkende kledij af te geven. Hoe kunnen onze tranen stoppen met stromen, als we weten welke gruwel onze zuivere parel moet meemaken op enkele kilometers hier vandaan? Ongelovigen: voor ons is Antwerpen een stad van onderdrukking en geweld tegen moslims. Moslims: als jullie harten niet bewegen bij het lezen van deze tekst, vraag jezelf dan af wat er mis is met jouw geloof.’

‘Hoe kunnen onze tranen stoppen met stromen, als we weten welke gruwel onze zuivere parel moet meemaken op enkele kilometers hier vandaan?’ 

Ook door censuur laten ze zich niet afschrikken. Toch kwamen alle Europese binnenlandministers overeen om propaganda meer te censureren. ‘België sloot al vrij veel websites in vergelijking met andere landen. Binnenkort zitten we samen met de Amerikaanse internetproviders om te bekijken hoe we daarin nog verder kunnen gaan’, laat Binnenlandse Zaken weten.

Dat de staat minder daadkrachtig optreedt tegen extreemrechts racisme dan tegen moslimextremisme, is een extra bron van frustratie. Het is duidelijk makkelijker om een zwakke daderfiguur aan te pakken, dan een politiek sterke daderfiguur. En het is makkelijker om op te komen voor een politiek sterk georganiseerd slachtoffer, dan voor een zwak slachtoffer.

Volgens Binnenlandse Zaken is het inderdaad moeilijker om racisme en islamofobie te veroordelen omdat het veel breder verspreid is dan moslimextremisme. ‘We erkennen dat het belangrijk is om racisme én moslimextremisme te bestrijden, twee vijanden van de Belgische moslimgemeenschap omdat ze elkaar versterken. Een beleid tegen gewelddadige radicalisering, dat sommige oproepen tot haat wel en anderen niet bestrijdt, kan in bepaalde gevallen zelf polarisatie en geweld voeden.’

Een beleid dat vreedzame salafisten op eenzelfde manier viseert als jihadisten, gooit ook olie op het vuur. Niet enkel Jordanië maar ook België bezondigde zich daaraan: De Koepel, één van de meest progressieve moskeeën in Vlaanderen, werd aangepakt. Door zulke actoren te viseren, versterk je net de jihadisten.

Onrecht bestrijden

Ook het onrecht in Syrië doet jongeren radicaliseren. Op de markt van Zarqa ontmoetten we Amir Al-Hujuj, een 18-jarige jongere die net zoals de gearresteerde Belgische moslimmeisjes bewogen werd door onrecht en op de luchthaven werd tegengehouden. Eén van de Belgische meisjes wordt strafrechtelijk vervolgd, de Palestijnse jongen uit Zarqa kwam na drie weken vrij.

‘Ik wist niet dat die jongen met die gedachten rondliep’, zegt Amirs vader met een brede glimlach, achter de fruitstand die hij samen met zijn zoon op de markt uitbaat. ‘We wisten het pas toen we een telefoon kregen dat hij was opgepakt. Dat was best een schok. Gelukkig begrijpt de inlichtingendienst dat mijn zoon jong en naïef is en dat hij geen lid is van een organisatie.’

De Belgische meisjes worden wel beschuldigd van “deelname aan de activiteiten van een terroristische organisatie”.

© Xander Stockmans

Amir en zijn vader onder een kader met het woord ‘Palestina’ in de woonkamer van hun huis

‘Bij zijn familie is hij beter dan in de gevangenis’, zegt Amirs vader. ‘Wij weten precies hoe we met Amir moeten omgaan. Door hem streng te behandelen, zou hij alleen maar verder weg glippen, dus behandelen we hem met begrip en liefde.’

‘Komaan Amir, ze gaan in België zeggen dat je een grote geleerde van Jabhat Al-Nusra bent’, grapt zijn oom zelfs als onze fotograaf een foto wil nemen.

‘Amir is diep geraakt door het onrecht in Syrië. Ik begrijp dat, maar ons land is Palestina. Hij mag zich niet laten gebruiken door mensen met een politiek project in Syrië. Hij zal tot inzicht komen.’

Deradicaliseren, depolitiseren?

De woorden verdrinken in Amirs lege blik, die nog niet de inzichten verraadt waar zijn familie op hoopt. Amir wil deel uitmaken van de geschiedenis die zich op een paar kilometers hiervandaan voltrekt. Er zijn grootsere, belangrijkere plichten te vervullen dan fruit verkopen. Dag in, dag uit zien we hem achter zijn fruitstand in militaire salafi-jihadi kledij, alsof hij in gedachten al in Syrië is.

Moslimgeleerden in de gevangenis probeerden op Amir in te praten met een andere islamitische ideologie. Maar als deze jongeren geen ander politiek platform – vreedzaam maar voldoende krachtig – wordt aangereikt, riskeren de pogingen verloren moeite te zijn.

Het Belgische preventieplan spreekt van een “heroriëntatie” van onrechtvaardigheidsgevoelens naar “exclusief humanitaire projecten”, maar lijkt zo net de honger naar politiek activisme bij vele jongeren te onderschatten.

Amir is een onstuimige jongen met een gouden hart, een rechtvaardigheidsgevoel en een hoofd op hol gebracht met extreme ideeën.

‘Zoek hem zo snel mogelijk een vrouw om te trouwen’, grappen we tegen Amirs vader om te peilen of depolitiseren een optie is.

‘Ik wil niet denken aan een vrouw en kinderen. Ik wil strijden’, komt Amir snel tussen. ‘Als ik een vrouw zou vinden, zou ik ze toch moeten achterlaten. Ik laat al het materiële achter. Ik vast elke maandag en donderdag om mijn wil te sterken.’

We nemen afscheid van een gezin met een probleem: een onstuimige jongen met een gouden hart, een rechtvaardigheidsgevoel en een hoofd op hol gebracht met extreme ideeën.

Als de wereld de oorlog in Syrië niet had laten voortduren, was Amirs geweten dan ook in opstand gekomen en hadden de salafi-jihadi’s hem dan ook in hun rangen kunnen sluiten? Het politieke onrecht in het Midden-Oosten en de diepgewortelde frustraties van vele jongeren zijn enorm mobiliserend.

Amir wil strijden voor Syrië, Mahmud Abdallah voor Palestina. Deze Palestijnse jongeman uit Zarqa toont ons het piepkleine bidmatje waarop zijn driejarig dochtertje nu al bidt. Hij leert haar alles over jihad en soms kleedt hij haar zelfs in militaire jihad-kledij.

Het meisje wordt gemaakt, maar ook haar vader werd gevormd door de omstandigheden waarin hij opgroeide. Deze jongens zijn levende voorbeelden van het citaat van de Keniaanse jihadistische sjeik Makaburi:

‘Jihad is een boom: hoe meer bloedvergieten, hoe sneller de boom groeit.’

Dreiging van terugkerende Syriëstrijders

Jongemannen als Amir en Mahmud radicaliseren, maar zijn voorlopig geen gevaar voor hun eigen land. ‘Een jihad in Jordanië is niet aan de orde’, zei Amir tegen mensen die hem op de markt waarschuwden. ‘Ik erken de diversiteit in dit land: mijn eigen broer is soldaat in het leger en ik noem hem geen ongelovige. Maar in Syrië is het onrecht tegen moslims overduidelijk. Bashar (al-Assad, de president, nvdr) is een ongelovige, zonder twijfel. Hij keert zich tegen zijn eigen volk.’

De eerste Belgen vertrokken in augustus 2012 naar Syrië. 

De dreiging van terugkeerders is reëler voor Jordanië dan voor Europa. Het gaat de jihadisten vooral om wat zich in de hele islamitische wereld afspeelt. Belgische én Jordaanse Syriëstrijders vertelden ons dat hun focus op Syrië ligt. Toch zijn Europese inlichtingendiensten bezorgd dat Syriëstrijders geradicaliseerd terugkeren en dat ze in Syrië leerden hoe ze moesten omgaan met explosieven en automatische wapens.

De eerste Belgen vertrokken in augustus 2012 naar Syrië. Beleidsmaatregelen volgden pas zeven maanden later, nadat de problematiek in de media was gekomen. Sinds kort volgt de Belgische overheid terugkeerders veel strikter op. ‘Maar dat betekent niet dat ze allemaal worden opgesloten’, klinkt het bij Binnenlandse Zaken. Er zouden ongeveer zestig terugkeerders zijn, waarvan slechts een vijftiental zouden zijn opgesloten.

Het federaal parket bekijkt eerst alle elementen in het dossier om te beslissen of het overgaat tot vervolging. Dat zal het geval zijn als er aanwijzingen zijn van effectieve inbreuken op de wetgeving, als de persoon bijvoorbeeld bij een terroristische organisatie heeft gevochten.

De Belgische politie- en inlichtingendiensten volgen nauwgezet op wie de terugkeerders zijn, wat zij doen, en hoe ermee om te gaan. Per dossier bespreken ze samen met het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD) de meest aangewezen aanpak.

‘Sommige jongeren zochten een nieuw avontuur en zijn niet helemaal doordrongen van de religieuze ideologie. Bij zulke jongeren is een aanpak van sociale re-integratie misschien beter dan strafrechtelijke vervolging. Andere terugkeerders werden aangehouden, maar vrijgelaten onder voorwaarden. Zij moeten regelmatig op gesprek bij de politie’, aldus Binnenlandse Zaken. 

Bij het bezoek van minister Milquet, de Staatsveiligheid en het antiterreurorgaan OCAD aan Jordanië, op uitnodiging van de Jordaanse koning, vertelden hun Jordaanse collega’s dat Jordanië naast repressie ook aan preventie doet, bijvoorbeeld via hulp aan “ontspoorde” jongeren, samenwerking met imams en educatieve programma’s in de gevangenissen. Milquet had er oor naar.

Jihad met jihad bestrijden

‘Wat is de rol van een imam en van de religieuze gemeenschap om de zaken anders voor te stellen als de strijder geradicaliseerd terugkeert? Wat plaatsen we in de gevangenis naast de straf om ervoor te zorgen dat de persoon evolueert?’, aldus minister Milquet in een interview met RTL. Inlichtingendiensten vrezen immers niet enkel geweld, maar ook de ideologische invloed van terugkerende jihadisten op de vreedzame salafistische moslims en op gewone moslims.

Aan het begin van de oorlog in Syrië werd in België veel verwacht van de imams, maar al snel bleek dat ze weinig vat hebben op de jongeren. Radicalisering gebeurt veelal buiten de moskee en via de sociale media. De cel preventie van Binnenlandse Zaken ontwikkelde in elke betrokken gemeente een multidisciplinaire aanpak met vormingen voor politie, straathoekwerkers, scholen en preventiediensten. Het doel was het versterken van een maximum aantal contactpunten die met de jongeren werken.

De minister ontving begin 2013 verschillende imams. ‘Dat had heel wat voeten in de aarde’, klinkt het bij Binnenlandse Zaken. ‘De Belgische moslimgemeenschap bleek het niet gewoon te zijn om publiek te communiceren. Uiteindelijk gingen zestig imams akkoord om op een pro-actieve manier jongeren aan te spreken. Ze kwamen een jaar geleden tot een gezamenlijk standpunt over jihad.’

Dat de media dit unieke initiatief amper aandacht gaven, kan ertoe leiden dat de imams ontmoedigd raken.

Binnenlandse Zaken hoopt dat het dossier na de vorming van een nieuwe regering een goede opvolging krijgt, zodat het voor zo weinig mogelijk jongeren hoeft te komen tot een strafrechtelijke vervolging.

Minister Milquet lanceerde het eerste federale preventieplan tegen gewelddadige radicalisering in ons land. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een tegendiscours. MO* kreeg een primeur: binnenkort zal er een vereniging worden aangeduid die actief zal worden op internet, raad zal geven aan de getroffen ouders, de politiek in de Arabische wereld zal opvolgen, brochures zal uitgeven over jihad, enzovoort. De betrokken islamoloog werkt aan de verspreiding van een islam die is ingebed in de maatschappelijke context van Europa.

Het opzet is positief, maar de vraag is of het bestaande middenveld niet beter versterkt zou kunnen worden, in plaats van een nieuwe speler te lanceren. Nog-niet-geradicaliseerde jongeren moeten kunnen kiezen tussen verschillende informatiebronnen en bewegingen, die dan ook een platform moeten krijgen om hun alternatief discours te verspreiden.

En ook jongeren die al wel doordrongen zijn van de jihad-ideologie, zouden de brede schakeringen en nuances binnen die ideologie moeten kunnen leren kennen, zodat zij een geïnformeerde keuze kunnen maken. Daar is niet alleen een kenniscentrum voor nodig met deskundigen die de jihad-ideologie perfect beheersen, maar ook een religieuze tegenbeweging die evenzeer door onrecht wordt bewogen. 

Uitweg voor frustratie en verdriet

Ook in Jordanië is de kans reëel dat de voortdurende oorlog in Syrië en de terugkeerders zorgen voor een verspreiding van de jihad-ideologie onder vreedzame, apolitieke salafisten. Aan de moskee van Hayy Ja’far ontmoeten we Ahmad, een apolitieke salafist. We wandelen door de donkere straten van deze verwaarloosde wijk. Enkel het licht van de volle maan schijnt op de huizen en door de ramen van de woonkamers waar achtergelaten moeders en weduwen wachten.

Vanuit deze ene wijk vertrok een honderdtal jongeren naar Syrië. Velen werden blootgesteld aan een cocktail van uitzichtloosheid, onrecht en de jihadistische ideologie. Niet toevallig is de wereldberoemde Palestijnse jihad-ideoloog Abu Muhammad al-Maqdisi van Hayy Ja’far.

Ahmad volgt zijn leer niet. ‘Veel jongens uit de wijk zijn met zijn leer bezig. Maar ik lees vooral sjeik Al-Albani, één van de grootste moslimgeleerden ter wereld. En die zegt dat strikte voorwaarden zijn verbonden aan een opstand tegen de machthebber. Niemand heeft het recht om bijvoorbeeld de koning als ongelovige te verklaren en om die reden een opstand tegen hem te ontketenen.’

Veel geleerden trekken de legitimiteit van de jihad in Syrië in twijfel, ze vinden dat de voorwaarden voor jihad in Syrië niet vervuld zijn. ‘Maar onze jongeren zijn niet standvastig’, zegt Ahmad. ‘Mijn beste vriend brandde vanbinnen bij het zien van de gruwel in Syrië. Hij was eigenlijk niet zo bezig met salafi-jihadisme, maar werd ongeduldig en trok naar Syrië. Hij sneuvelde samen met tientallen anderen uit onze wijk in een verrassingsaanval.’

In één klap werden de achtergebleven vrouwen weduwe en kinderen vaderloos. De man heeft zijn pasgeboren zoon nooit gezien.

Ook Ahmad barst van frustratie en verdriet. Tijdens ons gesprek moest hij zijn tranen bedwingen. Toch vindt hij een andere uitweg dan zich bij de jihadisten aan te sluiten: ‘Ik wil een organisatie oprichten voor de weduwes van gesneuvelde strijders. Onze broeders in de wijk storten maandelijks geld om hen te onderhouden. De solidariteit is hartverwarmend, niemand had dat verwacht.’

Bekijk hier een fotoreportage over Hayy Ja’far. Klik op de foto’s voor de uitleg. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur