Drie persoonlijke verhalen uit de Venezolaanse vluchtelingencrisis

Colombia heeft er een nieuwe onderklasse bij: Venezolaanse vluchtelingen

Arne Gillis ging in Colombia op zoek naar de gevolgen van de politieke en humanitaire crisis in buurland Venezuela. In dit deel van zijn reportage portretteert hij drie heel verschillende types vluchtelingen, maar ze hebben allemaal gemeen dat ze hun land en hun toekomst verloren, en dat ze in hun nieuwe omgeving zonder veel rechten en zeker zonder ondersteuning een nieuw heden moeten proberen opbouwen. Drie persoonlijke verhalen van mensen die elk op hun eigen manier een hoofdrol spelen in het drama van een escalerende crisis.

Jeser Zambrano, de rappende ex-militair: ‘Ik kan nog steeds drie dagen zonder eten.’

(c) Arne Gillis

Jeser Zambrano

‘Ik leefde in een land dat haar eigen cultuur doodt, waar je eet, of gegeten wordt…’, improviseert Jeser in dat staccato Spaans, zo typisch aan het land dat hij moest verlaten. Jeser gebruikt hiphop om zijn zorgen te vergeten. Hiphop, en marihuana. ‘Af en toe moet ik m’n brein uitschakelen’, grijnst hij. Wie naar zijn verhaal luistert, begrijpt waar die drang vandaan komt. De wereld waarover hij vertelt, lijkt haast buitenaards naast het idyllische Caraïbische strand waarop we zitten.

Tijdens een donkere nacht, een jaar geleden, ontsnapte Jeser, tweede sergeant in het Venezolaanse leger, aan een zeker doodvonnis. Na de zoveelste fysieke vernedering greep hij, rammelend van de honger, zijn commandant en sloeg hem bewusteloos. Panisch verborg hij even later zijn uniform en wapen in de struiken en vluchtte in zijn onderbroek weg van de militaire kazerne, recht door de jungle, richting bewoonde wereld.

Op de feiten staan in Venezuela gevangenisstraffen van twaalf jaar, vertelt Jeser. ‘Maar de kans dat je die moet uitzitten is klein – waarschijnlijk bezwijk je eerder aan aan foltering of ontbering.’

Maar ‘zijn’ La Vega was een woestijn van honger en geweld geworden.

Dagen later kwam Jeser aan in La Vega, een wijk in de hoofdstad Caracas waar hij opgroeide. Hij trok in bij zijn tante en vond werk als bewakingsagent van een bioscoop. Maar ‘zijn’ La Vega was een woestijn van honger en geweld geworden. ‘Ik verdiende het minimumloon. Daarmee kon ik één kilo kip kopen. Per maand. Welke familie kan daarvan leven? Werken is contradproductief. Niet alleen omdat het toch niets oplevert. Huizen waar niemand thuis is, worden op klaarlichte dag overvallen.’

Met weemoed begon hij terug te denken aan het leger. ‘Daar kregen we nog af en toe vis met rijst. De vis was dan wel meestal rot, het was tenminste eten.’ Om de ergste honger te bekampen, schakelde de familie Zambrano hun neefjes in. Ze werden van school gehaald, zodat ze konden bedelen.

Toen één van de neefjes bezweek van de honger, brachten ze hem naar het ziekenhuis Perez Carreño. ‘We moesten onze eigen medicijnen meebrengen – in het ziekenhuis hadden ze alleen aspirines. Beeld je in, in de gang lag iemand te creperen met schotwonden.’

Na een korte, maar mentaal onbevredigende carrière als gauwdief op de metro maakte Jeser de keuze die sinds 2015 al drie miljoen Venezolanen maakten: wég hier. Met de opbrengst van een laatste diefstal kocht hij een busticket van La Vega naar San Antonio. Hij stak illegaal de grens over, en wandelde en liftte heel Colombia door. In de streek rond Manizales plukte hij maanden aan een stuk koffie aan 500 peso per kilo. Vandaag werkt hij als nachtopzichter in een hotel aan de Caraïbische kust. Het grootste deel van zijn inkomen stuurt hij op naar La Vega.

‘Er zijn drie manieren om te overleven in Venezuela. Geld krijgen uit het buitenland, banditisme, of een hoge post bekleden in leger of regering. En die laatste twee zijn eigenlijk hetzelfde’, grijnst hij.

‘Ik ken de limieten van het menselijke lichaam. Honger executeert in slow motion. Ik kan nog steeds drie dagen zonder eten, zonder problemen. Maar mijn familie wilde ik dat besparen. De dag dat ik mijn verantwoordelijkheid tegenover hen opnam, ben ik een man geworden.’ In maart wordt Jeser 23.

Dionicio Finol, het zwijgzame Yukpa-opperhoofd: ‘In Venezuela was er niets meer. Geen eten, geen drinken, geen medicijnen, niets.’

(c) Arne Gillis

Enkele Yukpa voor hun tent

Ver weg van de internationale media-aandacht aan de Simón Bolívar-brug speelt er zich in de wijk Nuevo Escobal van Cúcuta nog een andere, tragische verhaallijn van de migratiecrisis af. Hier wonen de Yukpa – een inheems volk waarvan het oorspronkelijke territorium in de Perijá-bergketen ligt. Dat ligt grotendeels in Venezuela, maar heeft uitlopers tot in Colombia.

Het volk dat cultureel gezien de grens tussen Colombia en Venezuela niet erkent, wordt er vandaag cynisch genoeg midscheeps door getroffen.

Op het einde van de hoofdweg van de Nuevo Escobal wonen zo’n 120 Yukpa. Hun met afval omzoomd terreintje ligt pal aan de Táchira-rivier die de grens met Venezuela vormt. Blote kinderen rennen heen en weer tussen de plastieken schuilnetten. Ze zijn in de weer met kartonnen borden en zakken vol lege plastieken flessen.

De meesten van hen zijn in Venezuela geboren en verhuisden naar eigen zeggen een tweetal jaar geleden naar dit terreintje in Colombia. ‘In Venezuela was er niets meer. Geen eten, geen drinken, geen medicijnen, niets’, zegt Dionicio Finol, leider van de groep, in eenvoudig Spaans. ‘Daarom staken we de rivier over, naar Colombia.’

Maar aan deze kant van de grens liggen de oplossingen ook niet dik gezaaid. De Colombiaanse overheid deporteerde de verschillende Yukpa-gemeenschappen al twee keer. Telkens wandelden ze terug de grens over – vluchtend voor de honger.

Tussen de deportaties door worden de Yukpa vooral genegeerd door de Colombiaanse overheid.

Tussen de deportaties door worden ze vooral genegeerd door de Colombiaanse overheid. Hoewel ze in theorie als binationale stam erkend worden, zien ze in de praktijk maar heel weinig van de rechten die daarmee samenhangen.

Ze hebben hun reputatie tegen: de Yukpa zouden smokkelaars zijn, veedieven en bandieten.

Maar naar eigen zeggen overleeft de groep van de verkoop van afval. Ze verzamelen lege blikjes en plastieken flessen om te verkopen aan inkopers in Nuevo Escobal.

Spraakzaam is het Yukpa-opperhoofd niet – het wantrouwen is groot. De enige instantie die hij vertrouwt, zo zegt hij, is het Rode Kruis. Die organisatie blijkt de enige te zijn die zich iets van hun lot aantrekt. Hij heeft honger, maar ook het Rode Kruis heeft hij intussen al weken niet meer over de vloer gekregen.

In het lokale Rode Kruis-kantoor in Cúcuta voert Jillian Durán het woord. ‘In 2018 hebben we verschillende medische dagen georganiseerd – er was onlangs een grote uitbraak van schurft. En geregeld komen we ook langs met voedsel’, verklaart ze.

Het is voldoende om het respect te winnen van Finol, maar het lijkt erop dat de noden van deze Yukpa-gemeenschap een stuk groter zijn.

Inheems. Onwaardig. In het Spaans is er maar één letter verschil.

José Cañas, de katholieke voedselbankbeheerder: ‘Steun van de overheid? Voorlopig hebben ze ons nog niet gedwongen om te sluiten. Als je dat steun kunt noemen?’

(c) Arne Gillis

Padre Cañas

Negeren lijkt het sleutelwoord te zijn in het Colombiaanse beleid inzake de vluchtelingencrisis.

Dat hoeft niet per se een bewuste strategie te zijn. De internationale instellingen zijn het erover eens dat Colombia simpelweg niet voorbereid is op een dergelijke toestroom van hulpbehoevende vluchtelingen. Het land krabbelt zelf maar net recht na een decennialange burgeroorlog die honderdduizenden mensen tot vluchteling maakte. Tot enkele jaren geleden waren het vooral Colombianen die naar Venezuela vluchtten.

Maar vandaag zijn die rollen omgekeerd. De realiteit is dat de Venezolaanse vluchtelingen vooral op zichzelf aangewezen zijn. Een handvol ngo’s, meestal met katholieke inslag, doen wat ze kunnen.

‘Steun van de overheid? Voorlopig hebben ze ons nog niet gedwongen om te sluiten. Andere voedselbanken hebben meer pech gehad. Ze kregen dan bijvoorbeeld aangesmeerd dat ze niet in orde waren met de voedselveiligheid. Dat is bij ons nog niet gebeurd. Maar of je dat ‘steun’ kunt noemen?’, vraagt oprichter José Caña Pérez van voedselbank Casa de Paso Divina Providencia in La Parada.

De Venezolanen zwermen intussen uit over het hele land. Niet zelden worden ze veroordeeld tot jobs in de marge van de samenleving: koffie en snoep verkopen aan verkeerslichten, bedelarij, prostitutie. Nochtans staan Venezolanen in heel Latijns-Amerika bekend om hun relatief hoog opleidingsniveau.

Hij denkt eraan om naar Peru te trekken, waar de kaarten naar hij hoopt gunstiger liggen.

Zo ook Jorge, die met een bordkarton automobilisten tot een zoetigheid probeert te verleiden in de chique El Retiro-wijk. ‘Ik had vroeger mijn eigen zaak in bouwmaterialen in Caracas, en nu sta ik hier snoep te verkopen op een kruispunt’, zegt hij. ‘Het is niet gemakkelijk om hier een leven op te bouwen.’

Hij denkt eraan om naar Peru te trekken, waar de kaarten naar hij hoopt gunstiger liggen.

(c) Arne Gillis

Jorge verkoopt snoep op een kruispunt

Intussen werd het enige officiële vluchtelingenkamp dat Colombia telt, ontruimd op 15 januari. Het kamp werd bewoond door vluchtelingen die in de buurt van het busstation van Bogotá een geïmproviseerd kamp hadden opgericht. Na klachten van buurtbewoners werden ze overgebracht naar een terreintje vlakbij de Botanische Tuin.

Enkele dagen voor de sluiting spreek ik een familie die het kamp moet verlaten. Ze zitten in zak en as. ‘We moeten hier vertrekken, maar we kunnen nergens terecht. De medewerkers zeggen dat we maar in het parkje hiernaast moeten slapen’, zegt de moeder. Moedeloos sloft de familie de avond in – op zoek naar eten.

Valse borsten in een strak korset wijzen op een fortuinlijker verleden.

Even verderop groet de moeder een jong meisje dat op een kruispunt staat te paraderen. Valse borsten in een strak korset wijzen op een fortuinlijker verleden.

Colombia heeft er een nieuwe onderklasse bij: Venezolaanse vluchtelingen.

Dit artikel werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur