Al acht jaar voeren dorpsbewoners koppig protest tegen zilvermijn in Zuid-Marokko

Reportage

De berg Alebban in het Atlasgebergte is het decor van de langste sit-in ter wereld

Al acht jaar voeren dorpsbewoners koppig protest tegen zilvermijn in Zuid-Marokko

Al acht jaar voeren dorpsbewoners koppig protest tegen zilvermijn in Zuid-Marokko
Al acht jaar voeren dorpsbewoners koppig protest tegen zilvermijn in Zuid-Marokko

Imider is ternauwernood terug te vinden op landkaarten, maar op dit piepkleine stipje op de aardbol wordt een wereldrecord gevestigd. Hier, in het Zuid-Marokkaanse Atlasgebergte, onder een kleurige berbervlag op een berg, is de langste sit-in ter wereld aan de gang.

© Filip Claus

Toen in 2011 de bergbezetting begon, hadden de problemen zich opgestapeld tot onhoudbaar onrecht waar de Marokkaanse overheid blind voor bleef. ‘De maat was vol toen de mijn weigerde om jonge mensen uit de streek werk te geven.’

© Filip Claus

Een windstoot rukt aan de vlag, die met een harde mep terugslaat. Dan valt het spel tussen de nog frisse bergwind en de vlag terug in het patroon van een regelmatig roffelen dat oren en ogen naar de berg lijkt te lokken. De volgehouden duur van de langste sit-in ter wereld eist haar tol, de aandacht van de buitenwereld blijft tegenwoordig met grotere tussenpozen weg.

Acht jaar bezetten activisten en dorpsbewoners, onder een kleurige berbervlag, de berg Alebban in het Atlasgebergte van Zuid-Marokko. Het is een nauwelijks bekend, klein maar koppig protest tegen een gigantische mijn die als een uitdijende grijze inktvlek in de verte ligt. David tegen de reus Goliath. De mijn van Imider, in handen van de Marokkaanse Managem-groep, is de grootste zilvermijn van Afrika en geldt als de zevende zilverproducent in de wereld.

Die mijn is al lang een doorn in het oog van zijn kleine buren: de omliggende dorpen. Al decennia legt de mijn voor het reinigen van zilvererts de gronden van Imider droog en vervuilt ze lucht en bodem. De eerste protesten tegen de mijn vonden al in 1986 plaats. Ze waren een reactie op de plannen van het mijnbedrijf om op een cruciale waterbevoorradingsplaats een bron aan te boren. Die bron kwam er niet. De demonstranten van het eerste uur werden echter – het waren nog de loden jaren onder Hassan II, de beenharde vorige koning – in de gevangenis gegooid en de mijn boorde tal van andere waterbronnen aan.

Omliggende dorpen zagen hun watervoorraad opnieuw aangetast, drastisch deze keer.

In 1996 volgde een nieuw protest, een sit-in van “slechts” 45 dagen, die opnieuw met harde hand werd neergeslagen. De mijn bleef uitbreiden, water aanboren, de bodem vervuilen. Nadat het mijnbedrijf in 2004 een nieuwe waterader had ingepikt, zagen omliggende dorpen hun watervoorraad opnieuw aangetast, drastisch deze keer.

Geïnspireerd en gesterkt door de Arabische Lente begonnen jongeren uit Imider in 2011 met protestacties. Ze protesteerden niet alleen tegen de funeste ecologische impact van de mijn maar ijverden ook voor werkgelegenheid bij het mijnbedrijf, dat de deur dichthield voor lokale arbeiders. De kraan van een van de grootste waterputten van Managem werd dichtgedraaid, een kamp opgezet en de bezetting begon. Onder de naam Beweging Route 96, ontleend aan de protestactie van 1996, begonnen jongeren, onder berbervlag, een sociale beweging die opkomt voor het recht op water, land en waardig leven.

Er is maar één vervuiler in de buurt

Dwars door het kamp loopt de waterpijplijn van de mijn die de bergbezetters in 2011 afsloten, een langgerekt uitroepteken dat de kampbewoners elke dag herinnert aan het waarom van hun actie. Na acht jaar is het kamp op de afgeplatte berg een minidorp geworden, met een tiental kleine stenen hutten.

De dag bereidt zich voor op de avond. De vrouwen die zich rond de steun voor hun dorpszonen verzamelden, zijn de berg weer afgedaald, in de verte smelten een man en een ezel samen tot een kleine stip. Het dagelijkse kampleven toont zich nu in de kleine dingen: de wapperende was, het halfgevulde theeglaasje, het groenten- en kruidentuintje, de sigarettenrook die de wind achter een hut wegblaast. En er is het duivenhok, een knus tempeltje, dat vertrek- en aankomsthaven is van een zwerm huisduiven die boven de slapende kamphonden aan en af vliegt.

Moha Tawja bereidt de groenten voor het avondeten, een bijna rituele handeling, traag en precies. Op de berg is er tijd in overvloed. Toen Moha zich in 2011 bij de bezetting aansloot, was hij 21, nu gaat hij naar de dertig. Hij is moe, zijn familie die hem altijd heeft gesteund, roept hem terug. Andere kampbewoners hebben intussen ruzie met hun ouders, die het gehad hebben met de ellenlange bezetting die weinig lijkt te veranderen. Nee, hij wijkt niet, zegt Moha, de eisen blijven op tafel liggen.

‘De maat was vol toen de mijn ook nog eens weigerde om jonge mensen uit de streek werk te geven.’

Dat laatste zegt ook de 75-jarige Mohamed, wiens boerderij onder aan de berg ligt. Hij herinnert zich de protesten uit 1986, tegen de illegale waterboring van de mijn, nog goed. ‘Een jaar later hadden we daarover een klacht ingediend bij het tribunaal. Nog een jaar later beloofde de minister van Landbouw iets te doen. Hij richtte een commissie op, er kwam een onderzoek waarin werd vastgesteld “dat er problemen waren” en met die vaststelling moesten we het doen.’ De boeren dienden tal van andere klachten in, zegt Mohamed, maar ze bleven onbeantwoord. ‘We werden totaal genegeerd. Gevolg: veel boeren hebben de landbouw opgegeven en zijn weggetrokken.’

Toen in 2011 de bergbezetting begon, hadden de problemen zich opgestapeld tot onhoudbaar onrecht waar de Marokkaanse overheid blind voor bleef. ‘De maat was vol toen de mijn weigerde om jonge mensen uit de streek werk te geven. Het was de druppel boven op de problemen die er al zo lang waren: de drooglegging van onze dorpen en landbouwgronden, de vervuiling, de onverklaarbare nieuwe ziekten. Er waren de herders die geen voedzame grond meer vonden voor hun dieren, er was de aanhoudende werkloosheid in een achtergestelde streek.’

‘Mensen van buiten de regio geven niet om de vervuiling van een woonomgeving die niet de hunne is.’

Wat exact de impact is van de vervuilende stofwolken die de mijn de lucht inblaast en het vervuilde water dat de grond indringt, weet niemand. Wetenschappelijk onderzoek ontbreekt. ‘Het viel op hoeveel mensen ademhalingsproblemen hebben, en verder huid- en oogziekten die vroeger niet voorkwamen. We hebben geen bewijzen dat er een direct verband is met de mijn, en geld voor goede en onafhankelijke analyses hebben we niet. Maar er is hier maar één vervuiler in de buurt. Dat is de mijn.’

Omar Moujane, een trekker van de Beweging Route 96 komt erbij zitten. Waarom het mijnbedrijf geen lokale mensen aantrekt, vraagt hij. ‘Het is eenvoudig. Mensen van buiten de regio geven niet om de vervuiling van een woonomgeving die niet de hunne is.’

© Filip Claus

Dwars door het kamp loopt symbolisch de waterpijplijn

© Filip Claus

Mijnen gaan voor mensen

‘Ik was arbeider in de mijn van Imider’, zegt Mustafa Ouchttoubane. ‘Ik was er ook actief in een groep die zich ontfermde over de ontwikkeling en omgeving van de mijn. Daar moesten we mee stoppen, de directie wilde dat niet. Daarna sloot ik me in augustus aan bij de Beweging Route 96. In oktober werd ik gearresteerd. De aanklacht: diefstal.’

Het was doorgestoken kaart, vertelt Ouchttoubane. ‘Ik kreeg de opdracht van mijn baas om iets op te pikken met de wagen. Toen ik aan het checkpoint werd tegengehouden, werd mijn wagen doorzocht en vonden ze een klomp zilver. Ik had dat nooit in mijn handen gehad, laat staan in de auto gelegd.’ Ouchttoubane ontkende alles, maar ondertekende zonder dat hij het wist een bekentenis, zijn eigen veroordeling. Hij kreeg vier jaar celstraf, zonder proces.

Naar de berg keerde hij niet terug, vier jaar Marokkaanse cel tekenen een mens, wel naar zijn nabijgelegen geboortedorp Ait Mhand. Hij begon er aan een levenswerk: de renovatie van een vervallen traditionele kasba die generaties lang bezit van zijn familie was. ‘Ik wil tradities herstellen, onze rijke culturele Amazigh-erfenis eren. De kasba staat voor mij symbool voor ons als volk, voor onze geschiedenis.’ Het plan is om hier een coöperatie te beginnen, met producten van lokale producenten, en een ontmoetingsplaats te bieden. Investeren in lokale productie en in mensen is Mustafa’s antwoord op het sociale onrecht en de ontvolking van de streek. Op die manier blijft hij de bergbezetters indirect steunen.

Het protest gaat om meer dan de mijn, zegt Moha. ‘We verzetten ons ook tegen het decennialange beleid van marginalisering van de Amazighregio’s, tegen de ongelofelijke hebzucht van de Makhzen (de heersende elite van Marokko, td).’ Toen de huidige koning Mohamed VI in 1999 zijn vader opvolgde, herademde Marokko. Aanvankelijk. De nieuwe koning voerde sociale en economische hervormingen in, beloofde de structurele armoede aan te pakken, richtte een verzoeningscommissie op om de misdaden uit de loden jaren van zijn vader aan de kaak te stellen. Al gauw hielden de Marokkanen hun adem opnieuw in toen duidelijk werd dat Mohamed VI niet echt moest onderdoen voor zijn vader. Van de sociale hervormingen zag Marokko, ook Imider, weinig terug.

De Marokkaanse koning, de belangrijkste en machtigste investeerder van het land, heeft belangen in het mijnbedrijf.

‘We hebben eigenlijk dezelfde eisen als de Riffijnse Hirakbeweging. Ook hier zijn te weinig scholen of investeert men niet in betaalbare, laat staan gratis, schoolbussen. Voor een fatsoenlijk ziekenhuis moet je een halve dag rijden naar Marrakesh. We zijn niet tegen de mijn, we eisen gewoon dat die ecologisch èn sociaal ontgonnen wordt, dat we mee kunnen genieten van het arbeidsaanbod. We willen als omgeving meegenieten van de opbrengst die de mijn uit onze grond haalt. Dat gebeurt nu niet.’

Dat het Marokkaanse koningshuis belangen heeft in het mijnbedrijf Managem helpt de bergbezetters ook al niet erg, integendeel. Mohamed VI heeft politiek en economisch de touwtjes stevig in handen. ‘Hij is en blijft de belangrijkste en machtigste kapitalistische investeerder van het land’, zegt Koen Bogaert, die voor de universiteit van Gent de politieke ontwikkelingen in Marokko en de Arabische wereld onderzoekt. Dat blijkt vooral uit de expansiedrang van ONA (Omnium Nord Africain), dat door de vorige koning Hassan II van het Franse protectoraat was overgenomen. ‘De huidige koning heeft dat consortium verder uitgebouwd tot belangrijkste industrieel en financieel conglomeraat op de Marokkaanse binnenlandse markt. ONA had participaties in zowat alle belangrijke economische sectoren.’ In 2010 fuseerde ONA met een andere Marokkaanse economische reus, SNI (Société Nationale d’Investissement). Vandaag is het SNI dat de plak zwaait, ook in de mijnbouw, en dus ook, via het mijnbedrijf Managem, in Imider.

U wordt gezien

Naar verhouding is de Imider-actie de beweging die de voorbije jaren de meeste politieke gevangenen in Marokko heeft geteld.

‘Zie je die motorrijder daar?’ Omar wijst naar een bewegende stip op de hoofdweg die een scheidingslijn trekt tussen de berg en de mijn. ‘Dat is één van de sjeiks die zijn wachtronde doet. De sjeiks lossen elkaar af en houden alles en iedereen nauwlettend in de gaten.’ Het dient gezegd: de Marokkaanse overheid geeft zijn ogen de kost, openlijk. Daarvoor gebruikt ze de eigen bevolking als informant.

Marokkaanse hotelhouders dienen de staat op de hoogte te houden van het reilen en zeilen van hun hotelgasten. ‘Waarom schreef u als bestemming Ouarzazate terwijl u verder reist?’ ‘Waar gaat u werkelijk naartoe?’ ‘Wat gaat u bezoeken?’ ‘Heeft u daar met iemand afgesproken?’ ‘Wat wil dat zeggen: bediende als beroep?’ De vragen die een buitenlandse journalist en fotograaf krijgen bij het invullen van de documenten, in elk hotel opnieuw, laten weinig over aan de verbeelding. De staat is op zijn hoede voor potentiële pottenkijkers.

Nabij de afslag naar de berg Alebban is er een mobiele politiecontrolepost, maar dan wel eentje die iedereen door laat rijden. De controle lijkt de laatste tijd minder geworden, zegt Moha. De kleine protestbeweging van Imider betaalde intussen een zeer zware tol. Tientallen activisten werden, zoals Mustafa Ouchttoubane, gevangen genomen. De laatste politieke gevangene van Imider werd in 2017 vrijgelaten.

Volgens de Marokkaanse sociologe Soraya El Kahlaoui is het de beweging die in de voorbije jaren relatief de meeste politieke gevangenen in Marokko heeft gehad. ‘Dertig politieke gevangenen, met elk een tot vier jaar celstraf, dat is enorm. Het zegt vooral veel over hoe Marokko niet in staat is om te gaan met de eisen die de mensen stellen, zoals bij de Hirakbeweging, waar activisten tot twintig jaar zijn veroordeeld. De staat heeft geen antwoord, hij heeft geen oplossing. Het toont de impasse waar de Makhzen in zit: het is zeer moeilijk om de economische carrousel en de grondroof te stoppen, de maffia tegen te gaan, de rijkdom te herverdelen.’

De politieke druk is intussen – tijdelijk – wat lichter geworden, ervaren de activisten van Imider. Het is een andere strategie van de staat, klinkt het: na de zware repressie volgt de negatie, het stilzwijgen. ‘Een staat heeft meer tijd dan een mensenleven,’ zegt Soraya El Kahlaoui, ‘zeven jaar in het leven van een jong mens is enorm, zeven jaar voor een staat is niets.’

© Filip Claus

Elke dag komen sympathisanten van het dorp naar de berg.

© Filip Claus

Antikoloniale eisen

‘We horen er nauwelijks over, maar in Marokko vinden dagelijks tientallen protesten plaats’, zegt Koen Bogaert. ‘Al jaren komen mensen op straat voor een betere herverdeling van de welvaart, voor meer investeringen in onderwijs en gezondheidszorg, meer lokale politieke inspraak, betere infrastructuur, noem maar op. Vaak vinden die plaats in kleinere dorpen en steden en worden ze niet gezien, want doodgezwegen door overheid en media.’

De sociaal-economische protesten zijn een gevolg van het vrijemarktbeleid dat Marokko in de jaren tachtig invoerde. Door de wereldwijde oliecrisis, droogtes en mislukte landbouwoogsten, en door het conflict in de Westelijke Sahara, had Marokko zware overheidstekorten. Toen het ging aankloppen voor leningen bij onder meer het Internationaal Muntfonds, kreeg het als voorwaarde zware bezuinigingen opgelegd. De Marokkaanse overheid moest privatiseren en massaal mensen ontslaan uit de publieke sector, dè werkgever voor de middenklasse.

Daar ontstonden de sociaaleconomische protesten. Het verschil met protesten als die in Imider en de Riffijnse protestbeweging Hirak, is het ideologische of politieke karakter ervan. Dat ligt gevoelig, zegt Koen Bogaert. ‘De leider van de Hirakbeweging, Zafzafi, wilde met de koning praten, niet met zijn lakeien. “De koning is de enige die iets te zeggen heeft in dit land”, zei hij.’ En daar ging het mis. Aan de Marokkaanse koning kom je niet.

‘Men heeft bij de onafhankelijkheid de grond niet teruggegeven aan de bevolking. We worden gekoloniseerd door onze eigen broeders.’

Dat zowel de bergbezetters van Imider als de Hirakbeweging opereren onder Amazigh-vlag werkt als een rode lap op een stier. Beide bewegingen hekelen behalve de gebrekkige grondstofrechten ook de kolonisatiepolitiek van de Marokkaanse overheid. ‘Een verband tussen beide is er zeker’, zegt Soraya El Kahlaoui. ‘Men heeft de neiging om dat Amazigh-aspect weg te laten uit de verhalen. Je ziet nochtans duidelijk één vlag bij de bewegingen en het is niet de Marokkaanse. Je kunt daar niet blind voor blijven, het is bijna even ideologisch om de ideologie en de vlag achter deze bewegingen niet te zien.’

Voor velen is het wennen: identitaire uitgangspunten verbinden met sociaal-economische kwesties. ‘Maar het zijn bewegingen die sterk verbonden zijn met de bodem waarop ze wonen. Ze eisen die bodem op, net als het recht op de toegang tot grondstoffen. Hun antikoloniale eisen worden door heel veel mensen genegeerd, terwijl ze juist heel belangrijk zijn.’

Het terugeisen van grond klinkt voor een westerling misschien eigenaardig, maar het is gerechtvaardigd, zeggen de actievoerders. Marokko heeft bij de onafhankelijkheid de kolonisering nooit verworpen, klinkt het. ‘De koning heeft destijds de koloniale wetten gewoon overgenomen. Men heeft de grond niet teruggegeven aan de bevolking, de wetten niet afgeschaft. We worden gekoloniseerd door onze eigen broeders.’

Ook al heeft Moha vragen over de invulling van zijn leven en of de strijd de moeite waard is, hij heeft geen andere keuze. ‘Hoe langer ik hier op de berg zit, hoe dichter ik bij mijn grond, onze geschiedenis, onze rechten sta. En hoe verder ik weg wil blijven van de neoliberale wetmatigheid die alles vernietigt.’

Deze reportage werd mede mogelijk gemaakt door de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek

Dit artikel werd geschreven voor het zomernummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!