Bedrijven langs Citarumrivier kiezen voor lage lonen, ver weg van controle op vervuiling

Textielfabrieken weg, vervuiling opgelost. Of niet?

© Sandra Mermans

Bij het verven van textiel wordt veel water gebruikt. Textielfabrieken lozen het sterk vervuilde afvalwater van dat verfproces in de Citarumrivier.

‘Pas op! Hati-hati! Het is hier pas overstroomd. Let op waar je je voeten zet.’ Aan waarschuwingen geen gebrek bij een bezoek aan waterzuiveringsinstallatie Mitra Citarum Air Biru (MCAB) in Pasawahan, Indonesië, ten zuiden van provinciehoofdstad Bandung. Chemisch laborant Bana leidt ons rond. ‘Zijn jullie wel zeker dat je wil binnenkijken? Het is eigenlijk echt geen goed moment.’

De overstromingen waar Bana zo voor waarschuwt, zijn het gevolg van een geblokkeerde pijp. Het leger (dat de schoonmaak van de extreem vervuilde Citarumrivier coördineert) betrapte een van de 24 fabrieken die gebruikmaken van de installatie op het illegaal lozen van afvalwater in de Citarum. Het metste de pijp daarop dicht.

‘Ik was het niet!’, reageert Pak Aan, manager van textielfabriek PT Candratex Sejati verderop in de straat. ‘Dat heb ik laten weten aan het leger, maar voorlopig blijft de pijp dicht. Sinds vorige week zitten we met de miserie. Wat kan ik doen? Ik moet het leger te vriend houden. Ik hoop snel een nieuwe vergadering te kunnen beleggen, om te onderhandelen over wanneer de pijp weer opengaat.’

Volgens de woordvoerder van het leger duurt dat gemiddeld drie tot vier maanden. ‘Zover zal het wel niet komen. Ik ben onschuldig’, zegt Aan.

Journalist Iqbal Kusumadirezza is onder de indruk van de ontmoeting. Niet omwille van de manier waarop de fabrieksbaas de schuld bij anderen legt, ‘want dat doen ze allemaal’, maar omdat het bezoek effectief heeft plaatsgevonden. ‘Meestal zijn textielfabrieken en waterzuiveringsinstallaties off limits voor journalisten. Managers willen niet laten zien wat er allemaal misloopt.’

Hinkelspel langs giftig gras

Tijdens de rondleiding van Bana door de waterzuiveringsinstallatie loopt er inderdaad wel een en ander mis. Zo waren we nog maar net de eerste trechter voorbij toen er vanuit de geblokkeerde pijp water alle kanten op spoot. ‘Sorry daarvoor. Gaan we verder met de tour?’

De wandeling langs de verschillende zuiveringsprocessen – fysisch, chemisch en biologisch – is drassig. Het water op de grond heeft geen neutrale kleur, maar ziet er indigo uit, de kleur van jeans.

© Sandra Mermans

 

Het gras kleurt naar afgebleekte spijkerbroeken. We moeten goed uitkijken waar we onze voeten zetten. Een hinkelspel op de lagere school is er niks tegen.

Bana neemt ons mee langs het biologische proces, een van de laatste stappen in het zuiveringssysteem. Het water ziet er nog even indigo uit als bij het begin. ‘Al het water dat hier gezuiverd wordt, had het proces al eens doorlopen. Maar door de overstromingen moesten we opnieuw beginnen. Voor de zekerheid.’

‘Dit is geen doen’, zucht fabriekseigenaar Pak Aan. ‘Nu het leger de industrie controleert, is het veel moeilijker werken geworden. Een aantal fabrieken zijn al verhuisd, weg van de Citarum. Sommige zelfs helemaal naar Centraal-Java (terwijl Pasawahan op West-Java ligt, red.). Vooral kledingfabrieken waar naaisters met de stoffen aan de slag gaan, hebben de sprong al gemaakt. Weefgetouwen in textielfabrieken zijn moeilijker te verhuizen. Ik zie ons hier nog niet snel wegtrekken.’

Een vrouw met een plan

Als het van de minister van Maritieme Zaken afhangt, is dat nochtans wel de bedoeling. Minister Susi Pudjiastuti, die off the record door verschillende bronnen de schaduwpremier van Indonesië wordt genoemd, heeft een plan.

Pudjiastuti gelooft niet helemaal in de belofte van president Joko Widodo om de Citarum binnen de zeven jaar schoon te krijgen. En ze gelooft ook de cijfers niet die leger-woordvoerder Felix Wellyanto (’40 procent van het afval is al geruimd!’) voorlegt. Tijdens een vergadering in mei, waarop ook de gouverneur van West-Java aanwezig was, zei ze vlakaf dat de schoonmaak minder vlot verloopt dan ze had gedacht.

‘Verhuizen kan een goed idee zijn. We willen wel dat de overheid dan goedkope grond, waterzuivering en goed getrainde arbeiders voorziet.’

Daarom stelt de minister een ommezwaai in het industriële landschap voor. ‘Waarom zouden we niet alle textielfabrieken verhuizen, weg van de Citarum?’ Pudjiastuti stelt drie concrete locaties voor: Subang, Majalengka en Cirebon, districten in West-Java waar momenteel minder industrie aanwezig is.

‘Waarom niet?’ De regionale woordvoerder van werkgeverskoepel Apindo, Rudi Martono, reageert opgetogen op het voorstel. ‘Het kan een goed idee zijn. We zijn momenteel in volle onderhandelingen met de gouverneur. Vanuit Apindo willen we dat de overheid al het nodige voorziet, aangezien het hun voorstel is.’

Martono neemt zijn eisenpakket door. ‘We hopen dat ze zelf de grond aankopen om nieuwe fabrieken op te bouwen, om die dan aan een lage prijs door te verkopen of te verhuren aan fabriekseigenaars. We veronderstellen dat ze zelf de waterzuiveringsinstallaties zullen voorzien.’

‘En we zijn natuurlijk ook op zoek naar nieuw personeel. Dat zal niet zomaar uit de lucht komen vallen. Dus stellen we voor dat de overheid trainingscentra voorziet om nieuwe arbeiders het klappen van de zweep te leren. Zo kunnen we ervaren arbeiders rekruteren vanaf het moment dat de nieuwe fabrieken er staan.’

© Sandra Mermans

De ziel van de textielindustrie

Wie niet opgezet is met dat idee, is provinciaal milieuambtenaar Prima Mayaningtias, die amper op de hoogte lijkt van de plannen van het ministerie van Maritieme Zaken. ‘Dat is toch gewoon de vervuiling verhuizen?’, reageert ze ontzet. ‘Al kan ik begrijpen dat de industrie de druk voelt, nu het leger de controles uitvoert. Ze willen deze hervestiging echt. Verhuizen is in hun eigen belang.’

Vakbondsafgevaardigde Agus Saefudin van GARTEKS, een van de grotere vakbonden in Indonesië, gaat ermee akkoord dat verhuizen in de kaarten van de industrie speelt. ‘Maar het heeft helemaal niks te maken met het milieu’, reageert hij.

© Sandra Mermans

Niet enkel vanuit Bandung, maar ook vanuit andere industriële gebieden in West-Java en hoofdstad Jakarta komen er volgens Saefudin signalen dat fabrieken dreigen met verhuizen, of dat ze al aan het verhuizen zijn. Zo heeft het bekende sportmerk Nike, een van de grootste afnemers van sportkledij in Indonesië, aangekondigd zijn productie te willen consolideren, onderbrengen in een lager aantal fabrieken. Toevallig is de fabriek in het “dure” Karawang er niet bij.

‘In de regio rond de rivier ligt het minimumloon hoog’, verklaart de regionale vakbondsleider. ‘In Bandung verdienen textielarbeiders 214 euro per maand. In Jakarta is het 250 euro, in Karawang zelfs 271 euro. Elders in West-Java is dat minder dan de helft.’ In Majalengka, waar de fabrieken dreigen naartoe te verhuizen, ligt het minimumloon bijvoorbeeld op 115 euro. ‘Dat zegt genoeg, nee?’

 

Maria João Vasquez, Pipit Savitri en Mohamed Anis van ILO Better Work Indonesia (een samenwerking tussen de IAO en een onderdeel van de Wereldbank) hebben evenmin weet van de plannen van het ministerie van Maritieme Zaken. Ook volgens hen zijn de minimumlonen de belangrijkste reden waarom fabrieken eraan denken hun biezen te pakken. ‘De lonen liggen erg hoog in sommige delen van West-Java. Soms zelfs zo hoog dat de vakbonden niet meer willen dat ze nog stijgen, uit schrik alle werkgelegenheid te verliezen.’

‘Er is veel druk om de prijzen laag te houden, onder andere omwille van concurrentie met Vietnam en Bangladesh’, zegt Wilco Van Bokhorst, die voor Fair Wear Foundation de Indonesische industrie opvolgt.

‘Nochtans is de kleding die hier geproduceerd wordt van een andere orde dan T-shirts uit Bangladesh’, weerlegt João Vasquez (ILO) dat gedeeltelijk. ‘Indonesië produceert vooral sportkledij, jassen, ondergoed. Stoffen en kledingstukken die niet zo simpel zijn om te maken.’

‘Textielbewerking is een traditioneel ambacht in dit deel van West-Java. Arbeiders hebben veel vaardigheden’, zegt Vasquez. ILO-collega Savitri vult aan: ‘Dat maakt een mogelijke verhuis, binnen of buiten Indonesië, zo dramatisch: het is de ziel van de industrie in Bandung.’

Eén provincie, één sector, 27 minimumlonen

Om de prijzenslag te begrijpen, is het belangrijk om eerst te weten hoe het minimumloon berekend wordt en hoe er over onderhandeld wordt.

Het systeem van minimumlonen in Indonesië is, op zijn zachtst gezegd, een ingewikkelde affaire. ‘Minimumlonen zijn niet nationaal bepaald, ook niet regionaal, maar per district’, legt João Vasquez uit. ‘En ze verschillen ook nog eens van sector tot sector.’ Zo zijn er in West-Java voor de textielsector maar liefst 27 verschillende minimumlonen.

‘Tot voor kort namen de vakbonden de leiding in de loononderhandelingen’, vult Van Bokhorst (Fair Wear) aan. ‘Sommige districten, waar de vakbonden sterk staan, waren heel goed in die onderhandelingen. Andere minder.’ Dat is de reden waarom in Karawang de lonen zoveel hoger zijn, zelfs hoger dan in hoofdstad Jakarta en provinciehoofdstad Bandung.

© Sandra Mermans

‘Als fabrieken verhuizen, staan wij erop dat werknemers mee mogen verhuizen. Maar dan moeten ze er wel mee akkoord gaan om hun hele hebben en houden mee te nemen naar een locatie waar minder te verdienen valt.’

‘Het verschil werd zo groot dat de overheid er, onder andere daarom, iets aan gedaan heeft. Sinds 2015 is een ministerieel decreet van kracht waardoor de lonen gradueel stijgen per district, afhankelijk van de economische groei en de inflatie.’

Dat ontneemt de vakbonden de mogelijkheid om in de toekomst verder te onderhandelen, ook in de gebieden waar ze zich nog moeten organiseren. ‘Toch zijn werkgevers niet altijd blij met deze formule. Zij vinden de loonsverhoging te hoog. Op basis van de inflatie komt er jaarlijks acht procent bij.’

Van Bokhorst denkt even na. ‘De vraag is hoe dit decreet de werkgelegenheid gaat beïnvloeden.’

‘Als fabrieken verhuizen, staan wij erop dat werknemers mee mogen verhuizen’, zegt lokale vakbondsleider Saefudin. ‘Maar dan moeten ze er wel akkoord mee gaan om hun hele hebben en houden mee te nemen naar een locatie waar minder te verdienen valt.’

Geblokkeerde pijpen, gesloten fabriek

© Sandra Mermans

Textielarbeider Ahmed Jusef (26) ziet opnieuw verhuizen niet zitten. Oorspronkelijk komt hij uit Subang, een van de districten waar de minister van Maritieme Zaken haar oog op heeft. Nu woont en werkt hij in Cimahi, ten westen van Bandung. ‘Rond mijn geboortedorp is helemaal geen industrie. Ik vertrouw er niet op dat die nu wel zal floreren.’

‘Ik wil het liefst gewoon hier blijven, mijn oude job opnieuw kunnen doen.’ Ahmed is recent ontslagen. De illegale pijpen van de fabriek waar hij werkte, PT Indo Putra Utama, zijn net als bij PT Candratex Sejati geblokkeerd door het leger. Sinds eind augustus moesten Jusef en zijn collega’s het werk noodgedwongen neerleggen. De fabriek kan niet meer functioneren zonder haar afvalwater te lozen.

Volgens werkgeversfederatie Apindo sloten er zo al een tiental fabrieken permanent de deuren. Het leger houdt de wacht, dus nieuwe pijpen plaatsen ligt moeilijk.

Lobbywerk heeft bij deze fabriek nog niet veel opgeleverd. Of de fabrieksbaas binnen vier maanden een beter waterzuiveringssysteem kan betalen, is volgens de collega’s twijfelachtig. De kans is groot dat de fabriek definitief gesloten blijft. ‘Iedereen geeft om het milieu, maar wie geeft er om ons?’, zucht een van hen.

© Sandra Mermans

Ari Septian (28) is een van de gedupeerden. Hij werkte vijf jaar bij de fabriek en verdiende zo’n 224 euro, bijna 40 euro meer dan het minimumloon, dankzij de overuren die hij maakte. Twee maanden na zijn ontslag kreeg hij een ontslagpremie van 900 euro. Met dat geld moet hij een zo lang mogelijke periode zien te overbruggen, tot hij een nieuwe job vindt.

‘Mijn vrouw Ayudira werkt niet. Wij hebben een zoontje van vier, Hafidz. Hij gaat al naar school. We zijn heel trots op hoe goed hij het doet in de klas. Helaas is onderwijs heel duur. Jaarlijks betalen we 100 euro voor boeken en zijn uniform. Per maand komt daar 25 euro schoolgeld bovenop.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
‘Ik weet niet hoe ik het ga bolwerken als ik geen nieuwe job binnen de textielindustrie vind’, zucht Ari. ‘Vroeger ben ik nog taxichauffeur geweest, na mijn uren in de fabriek. Ik reed mensen rond op mijn motorfiets.’ Gemiddeld kost zo’n ritje nog geen euro. ‘Als bijverdienste kwam er zo slechts 20 euro extra per maand in het laatje. Dat is minder dan het schoolgeld voor mijn zoon. Ik weet echt niet wat ik moet doen.’

Vakbondsleider Saefudin is aangedaan om dat te horen. ‘Het minimumloon in en rond Bandung mag dan rond de 200 euro bedragen, een leefbaar loon bedraagt minstens 320 euro. Arbeiders kunnen niet overleven op een peulenschil. Als alle fabrieken wegtrekken, is dat dramatisch voor de werkgelegenheid.’

Investeren in leefbaar loon

Wilco Van Bokhorst (Fair Wear) hoopt dat de merken die fabrieken in goedkopere regio’s verkiezen boven bijvoorbeeld het dure Karawang, rekening houden met het leefbaar loon.

Hij geeft het voorbeeld van de hoofdstad Jakarta, waar een leefbaar loon ook rond de 320 euro ligt. ‘Het minimumloon bedraagt daar 250 euro. Om als merk een leefbaar loon uit te betalen, en heel wat merken hebben die belofte gedaan, moeten ze “maar” een opstap van 70 euro maken.’

In Centraal-Java ligt dat anders. ‘Daar liggen de minimumlonen op 100 euro, maar is een leefbaar loon al snel 225 euro. 125 euro meer. Dan moet je nog flink investeren om tot leefbare omstandigheden te komen. Houden merken daar rekening mee als ze denken aan verhuizen?’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journalist met focus op eerlijke mode

    Sarah Vandoorne is freelance journalist, hispanoloog, Latijns-Amerika aficionada en – voor zover die term steek houdt – een rasechte Belgisch Britse Bengalees.