Kinderen met een stigma hebben een speciale plek op school nodig

© Nelleke Broeze

© Nelleke Broeze
Bij haar terugkeer in België werd Syriëganger Zaynab van haar drie jonge kinderen gescheiden. Het gezin werd vier jaar op pauze gezet. De kinderen rebelleerden op school en in de jeugdinstelling tot ze herenigd werden. Het had anders gekund, zeggen psycholoog Gerrit Loots en Zaynab.
Als ze binnenwandelt, in zwarte jogging en witte T-shirt, flitst een teken van herkenning door mijn hoofd. Maar Zaynab*, besef ik meteen, is ouder dan het vroegere schoolvriendinnetje van mijn dochter met wie ik haar wellicht verwar. Ze oogt jonger dan de dertig die ze nog moet worden. Toch heeft ze al aan vier kinderen het leven geschonken. Aan het parcours dat ze met drie ervan heeft afgelegd, kleven gebeurtenissen die loodzware, grillige groeven trokken in hun gezinsleven.
Zaynab vertrok in 2013 naar Syrië. Ze was 16 en maakte deel uit van de naar schatting 420 tot 500 personen die vanuit België naar Syrië trokken om zich aan te sluiten bij Islamitische Staat. Later, tussen 2019 en 2023, werden Zaynab, 19 andere moeders en 49 kinderen gerepatrieerd naar België. Zaynabs verhaal en dat van 15 andere vrouwen en hun kinderen werd opgetekend door Gerrit Loots en Hannan Jamaï in het recent verschenen boek Voor onze kinderen.
Zaynab werd als enige door het hof van beroep vrijgesproken van deelname aan activiteiten van een terroristische groep. Ze verbleef maar drie maanden in de gevangenis. Het weerhield de overheid en jeugdzorg er niet van om Zaynab 56 maanden lang te beletten om zich met haar drie kinderen te herenigen. Alsof een ontmijningsdienst werd ingeschakeld om de kinderen, publiek bestempeld als “tikkende tijdbommen van IS”, te neutraliseren.
Die lange scheiding was de grootste fout die kon gebeuren, zegt Gerrit Loots. Ik ontmoet hem samen met Zaynab in Mechelen voor een twee uur durend gesprek. Het verhaal van Zaynab en haar kinderen is, zoals elk verhaal, uniek, zegt de familietherapeut en emeritus professor psychologie aan de VUB. ‘Tegelijk is het exemplarisch voor hoe we als samenleving omgaan met gedetineerden en hun kinderen.’
Ontmoedering
Gerrit Loots, los zwart shirt en donkergrijze jeans, grijze haren nonchalant bijeengebonden, staat voor de deur te wachten. Ik herken hem meteen van zijn tv-optredens in 2018, toen hij samen met VRT-journalist Rudi Vranckx kinderen van Syriëgangers in de onleefbare Koerdische detentiekampen bezocht.
Bij hun terugkeer ijverden Loots en Vranckx voor een zo snel mogelijke repatriëring van de kinderen, en voor nuance in het publieke en politieke debat. Dat werd onmogelijk gemaakt door een hardnekkig polariserend discours waarbij de moeders als staatsgevaarlijke terroristen golden en als “broedmachines voor terreurkinderen” werden afgeschilderd.
‘Er vond een proces van ontmenselijking plaats’, zegt Loots. Daardoor duurde het erg lang voor de Belgische overheid overging tot de repatriëring van de gezinnen uit de loodzware detentiekampen. Ook na de terugkeer van de moeders bleef het discours hardnekkig één richting uitgaan. ‘Er werd niet geluisterd naar de verhalen van de moeders’, vertelt Loots.
Met de ontmenselijking kwam ook de ontmoedering. Wie dader is, kan geen moeder zijn. En wie kind is van een dader, draagt het DNA van de dader, een stigma dat geen kind verdient. Het diepe onrecht in die redenering is de drijfveer geweest om, samen met klinisch psycholoog Hannan Jamaï, het boek Voor onze kinderen te schrijven, vertelt Loots. Dat boek is niet alleen een aanklacht tegen de polarisering en ontmenselijking, het is ook een pleidooi voor relationele ethiek in de zorg, de jeugdhulp en het onderwijs.

De breuk
Op 15 oktober 2020 keerde Zaynab samen met haar drie jonge kinderen terug, niet vanuit Syrië maar vanuit Turkije. Toen haar zoontje van nog geen jaar vanuit het Syrische detentiekamp Al Hol in het ziekenhuis belandde, zag Zaynab haar kans schoon om met haar drie kinderen te ontsnappen en naar Turkije te vluchten. Het jaar voor ze in België aankwam, bracht ze door in Istanboel, waar ze werkte en de kinderen naar school gingen. De overlevingsmodus van de kampen verdween, de trauma’s kwamen in de plaats.
‘In Turkije was ik volledig alleen met mijn kinderen’, vertelt Zaynab. ‘De trauma’s van de oorlog en de kampen nestelden zich in mij. Ik leed aan posttraumatische stress, het ging almaar slechter met me. Ik besefte dat ik tijd nodig had om verder te kunnen, en ik begreep dat mijn kinderen verder moesten en nood hadden om zich te ontwikkelen in een normale omgeving. Terugkeren naar België zou zwaar worden, maar het moest.’
Bij aankomst in België werd Zaynab onmiddellijk aangehouden. ‘We werden opgewacht door een team van de speciale eenheden van de politie. Dat bracht ons na controle naar een aparte ruimte waar we afscheid moesten nemen van elkaar.’ Ze hadden zich erop voorbereid, vertelt Zaynab. ‘Ik had in Turkije mijn tijd genomen om de kinderen uit te leggen wat er zou gebeuren. Ik had hun verteld dat ze vertrouwen moesten hebben, ook in de mensen die hen opwachtten en meenamen. Mijn ouders zouden hen opvangen zolang ik in de gevangenis zat en hadden hun huis helemaal aangepast. Alles zou loslopen, drukte ik hen op het hart. Daarna ben ik naar de gevangenis van Hasselt gebracht.’
Het draaide anders uit; er liep niets los. Het contact tussen Zaynab en haar kinderen werd verbroken. Haar kinderen kwamen niet terecht bij de grootouders, maar werden elders ondergebracht. Noch Zaynab, noch haar ouders wisten waar de kinderen waren.
Pas na een aantal weken kwam een brief. De jeugdrechter had beslist dat de kinderen in een jeugdzorginstelling zouden worden ondergebracht. Het was dezelfde jeugdrechter die Zaynabs jeugddossier had behandeld en wist dat de thuissituatie haar als tiener niet uit de psychiatrie en de jeugdzorg had kunnen houden. Integendeel. ‘Ik denk dat mijn kinderen werden afgeschermd om elk risico te vermijden en te voorkomen dat ze bij mijn ouders opnieuw in een verkeerde entourage zouden terechtkomen.’
De opstand
‘Jij zat toen heel diep’, zegt Gerrit Loots voorzichtig. Hij zocht Zaynab op in de gevangenis nadat haar vader hem gecontacteerd had. Zaynab knikt. De isolatiecel hielp niet. Haar wil om te leven zonk weg. Enkel het verlangen naar haar kinderen hielp om te blijven ademen. Ze vertelt dat ze zich in Istanboel mentaal had voorbereid op het stigma dat op haar gekleefd zou worden, maar niet op deze strikte scheiding van haar kinderen.
‘In Turkije volgde ik het Belgische nieuws, ik wist met welke haat gesproken werd over IS-vrouwen. Ik begreep ook wel waar dat discours vandaan kwam. Ik had nu eenmaal in het IS-kalifaat gezeten, en hoe jong ik ook was en hoe moeilijk mijn jeugd ook was, ik heb er wel degelijk voor gekozen.’
Maar dat haar kinderen de dupe werden van dat stigma en de familieband doorbroken werd, snapt ze tot vandaag niet. ‘De staat hanteert een veiligheidslogica, dat begrijp ik. Maar veiligheid geldt ook voor een kind. De kinderen hadden het echt moeilijk. Ze dachten dat ik hen in de steek had gelaten, wisten niet waar ik was, of ik zelfs nog leefde. Ze vroegen zich af wat ze me hadden misdaan?’
Ze vertelt hoe haar twee dochtertjes en zoontje, hoe klein ook, afwijkend gedrag begonnen te vertonen. ‘Ze wilden niet meer slapen, rebelleerden, luisterden niet meer naar de begeleiders en sloegen tegen de muren. Ze kregen er een nieuw trauma bovenop. Wat ze meemaakten was niet menselijk. Het duurde heel lang voor ze een foto kregen waarop hun mama levend stond afgebeeld. Welke logica hanteer je hier dan?’

‘Weg mama’
Meer dan drie maanden duurde het voor Zaynab en de kinderen elkaar terugzagen, maar dan slechts via de pixels van een computerscherm. ‘Drie maanden in een volwassen leven zijn overbrugbaar, voor een jong kind voelt het aan als een eeuwigheid’, zegt Loots, die erbij was. ‘Het eerste gesprek werd getimed. Na 20 minuten viel het scherm uit: weg mama.’ Eenzelfde scenario twee weken later: alweer een hap uit een kinderleven.
De gevolgde procedure bij de teruggekeerde moeders en hun kinderen druist in tegen de basisprincipes van de jeugdhulp, legt Loots uit. ‘Die basis is om te werken aan een zo snel mogelijk herstel van de band tussen moeders en kinderen, ook als er problemen zijn. Dat is het zogenaamde subsidiariteitsprincipe. Een kind in een instelling plaatsen is de allerlaatste stap. Maar dat principe is compleet overboord gegooid. Bij alle teruggekeerde vrouwen uit Syrië was plaatsing de regel.’
Nochtans zat geen enkel kind van de vrouwen van wie hij en Jamaï de verhalen optekenden in een verontrustende opvoedingssituatie, verzekert Loots. Hij beseft hoe moeilijk het is om dit uitgelegd te krijgen aan de samenleving. ‘Ik had zelf, voor ik vertrok naar de kampen, ook geen zin om te investeren in die moeders, de daders. Ik ging voor de kinderen, de slachtoffers. Maar het stigma dat op deze moeders kleefde, stond haaks op wat we zagen en hoorden in de kampen en tijdens hun getuigenissen. Deze moeders deden alles om hun kinderen zo goed mogelijk te beschermen in de gruwel van de kampen.’
De voorbeelden staan opgetekend in Voor onze kinderen: de moeders die overal spelletjes van maakten, de vrouw die zich uithongerde tot skelet om haar dochtertje te kunnen voeden, zij die letterlijk speelse nesten bouwden in hun brakke tenten …
‘Het is cruciaal,’ zegt Loots, ‘om dat te willen erkennen.’
Hereniging
Het duurde maar liefst vier jaar vooraleer Zaynab en de kinderen herenigd waren. Maar ook vandaag is het juridische getouwtrek rond de kinderen nog niet voorbij. Zaynab heeft intussen een nieuwe relatie en werd opnieuw mama. Haar andere kinderen zijn 9, 10 en bijna 12. De rust is, althans gedeeltelijk, teruggekeerd.
Ondanks de zware rugzak die ze dragen doen de kinderen het goed op school en Zaynab ervaart er een grote openheid. ‘De directie en de leerkrachten zijn heel betrokken. Ismaël* hoort tot de bollebozen van de klas maar is geen doorsnee leerling die binnen de lijntjes kleurt. De ene leerkracht kan daar al beter mee om dan de andere.’ Op een ADHD-test scoorde Ismaël negatief. Eerder is zijn trauma de oorzaak van zijn pittige gedrag. Intussen wordt hij opgevolgd door het Centrum voor Leerlingenbegeleiding, en, net als zijn zussen, door een psycholoog. Maar het traject dat hij aflegde is enorm, glundert Zaynab trots. ‘Van een kind dat zichzelf in een graf tekende tot een enthousiast en leergierig kind.’
De hereniging met hun mama maakte een wereld van verschil, verzekert Gerrit Loots. Zaynab knikt. ‘We zagen dat ook bij de kinderen die heel goed opgevangen werden: de hereniging met hun moeder was een keerpunt. Het leek het startschot om de draad van hun leven opnieuw op te pakken, om uit de wachtmodus te stappen.’

Het verhaal van de kinderen
Veel kinderen worstelden met de taal en de gewoonten die ze niet kenden – een detentiekamp in het kapotgeschoten Syrië is een melkweg ver verwijderd van een Vlaamse stad. Loots maakt een bruggetje naar vluchtelingenkinderen uit conflictlanden die instromen in het Vlaamse onderwijs. ‘Wat die kinderen nodig hebben als ze van een gruwelcontext op een veilige maar voor hen vreemde plaats als Vlaanderen terechtkomen, is een speciale groei- en leerruimte, een veilige plek waar ze hun verhaal kwijt kunnen, om te kunnen landen. Van daaruit kunnen ze beginnen te leren.’
In hun boek verwijzen Loots en Hannan Jamaï naar de Israëlische psycholoog Reuven Feuerstein, die midden vorige eeuw lesgaf aan kinderen die de gruwelen van de Holocaust hadden overleefd. ‘Belangrijker dan hen schoolse kennis en vaardigheden bij te brengen, was hen een context aan te bieden om zelfstandig te leren leren.’
Loots bezocht de provincie Caldas in Colombia, waar hij kennismaakte met La Casa Imaginante of het huis van de verbeelding. In Caldas wonen heel wat binnenlandse vluchtelingen die het geweld van de Colombiaanse burgeroorlog ontvluchtten. Een aantal klinisch psychologen vonden geen aansluiting bij de kinderen via opgelegde behandelmodellen, waarop ze de praatstok aan de kinderen gaven.
Zij leerden hun verhaal in creatieve ruimtes uitspreken via muziek, theater en beeldende kunst. Vanuit die gedeelde verhalen werd met succes een leertraject opgestart. ‘Kinderen krijgen in deze veilige leerruimtes het gevoel dat ze niet alleen gehoord worden, maar ook dat hun leven betekenis heeft’, verklaart Loots.
Hij blijft hameren op de aandacht voor relationele ethiek, ook in het Vlaamse onderwijs. ‘De modificatietheorie van Reuven Feuerstein uit de jaren 70 stelt dat intelligentie niet vaststaat, maar dat ieder mens door de juiste begeleiding in staat is zijn of haar cognitieve structuur blijvend te veranderen en te ontwikkelen. Maar als je kinderen wil laten leren, zei Feuerstein, moeten kinderen er wel zin in hebben, net als de leerkrachten.’
Daarover zijn Loots en Zaynab het eens: wie voor een klas staat, moet kinderen graag zien. Wie enkel kennisoverdracht vooropstelt, zoekt het best een andere job. ‘Ismaël vertelt me soms dat hij het niet kan helpen om een antwoord te geven voor hij zijn vinger opsteekt. Of dat hij aan zijn toets begint voor het startsein is gegeven’, zegt Zaynab. ‘Dat vertrekt, denk ik, vanuit zijn enorme nood aan contact. Hij wil gezien, geliefd en gehoord worden. Een leerkracht die dat ziet en begrijpt, en hem dus gewoon graag ziet, wint en krijgt hem mee.’
*fictieve naam omwille van privacy
Deze analyse werd geschreven voor de MO*special over onderwijs. Dit extra nummer kwam er in opdracht van de VVOB - education for development.
Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.




:format(png))