Het water dat we delen

Commentaar

Voorwoord MO*161

Het water dat we delen

Luchtbeeld van het Verdronken Land van Saeftinghe
Luchtbeeld van het Verdronken Land van Saeftinghe

We zullen volop moeten blijven inzetten op waterdiplomatie en samenwerking, schrijft Tom Claes in het voorwoord van de herfsteditie van MO*. Anders gaan we vroeg of laat allemaal kopje-onder.

In 2018 stond ik in Khartoem aan de oever van de Nijl. De Soedanese hoofdstad was nog niet de aan flarden geschoten woestenij die ze vandaag is en baadde in het licht. Onder mij stroomde het loodgrijze water, krachtig en ontembaar.

De Nijl – mogelijk de langste, maar zeker de bekendste rivier ter wereld – is al eeuwenlang een bron van mythen en verhalen. Voor het Egypte van de farao’s was ze de levensader, verbonden met de eeuwige cyclus van dood en wedergeboorte. Mozes zou er als vondeling in een rieten mandje op hebben gedreven. En aan dezelfde oever als waar ik stond, had president Gaafar al-Nimeiry dertig jaar eerder duizenden flessen whisky in de rivier laten gieten, om duidelijk te maken dat Soedan voortaan een islamitische staat was.

Soedan is een van de elf landen die het water van het Nijlbekken delen. Die verdeling leidt van oudsher tot spanningen, die tijdens de koloniale periode nog werden opgepookt. Zo sloot Groot-Brittannië (namens zijn Oost-Afrikaanse koloniën) in 1929 een verdrag met Egypte. Dat kreeg het grootste deel van het Nijlwater toebedeeld en een vetorecht over waterprojecten in stroomopwaartse landen als Ethiopië, Oeganda en Kenia. In 1959 volgde een overeenkomst tussen Egypte en het intussen onafhankelijke Soedan. Daarbij verdeelden ze zowat het volledige water van de Nijl onder elkaar.

Na hun onafhankelijkheid begonnen de stroomopwaartse landen te pleiten voor een eerlijkere verdeling, vooral tot ergernis van Egypte. Dat bleef zich beroepen op zijn ‘historische rechten’ en wees op zijn grote afhankelijkheid van de rivier. President Anwar al-Sadat maakte in 1979 duidelijk hoe ver de Egyptische aanspraak ging: aan iedereen die zich ook maar een druppel van de Nijl toe-eigende, zou hij de oorlog verklaren.

Toen Ethiopië in 2011 de bouw aankondigde van een gigantische dam langs de Blauwe Nijl, doemde het beeld van een grote wateroorlog opnieuw op. Egypte vreesde voor zijn watervoorziening, in die mate zelfs dat president Abdel Fatah al-Sisi ermee dreigde de dam op te blazen. Maar ondanks die forse retoriek bleef een gewapend conflict uit.

Dat sluit aan bij wat onderzoekers als Susanne Schmeier (IHE Delft) al jaren zeggen: landen voeren zelden uitsluitend om water oorlog. Dat betekent niet dat het aantal watergerelateerde conflicten niet in de lift zit. Een spraakmakend VN-rapport van januari stelt dat die de voorbije vijftien jaar zelfs met een factor tien zijn toegenomen. Maar die escaleren zelden tot een geweldssituatie, omdat de meeste landen de afweging maken dat het verstandiger is om samen te werken dan ten strijde te trekken.

Alleen: hoelang nog? De voorbije zomer volgde de ene hittegolf de andere op. Door de klimaatopwarming neemt de druk op drinkbaar water wereldwijd toe. Tegelijk verandert de wereld in razend tempo en vertoont de internationale veiligheidsomgeving steeds meer barsten. Autoritaire regimes winnen overal terrein, landen kiezen vaker voor eigenbelang en het multilateralisme verliest aan kracht. Deze uitdagingen kunnen bestaande waterakkoorden onder druk zetten.

De opschorting van het Indus-waterverdrag tussen Pakistan en India is in dat opzicht een veeg teken. In 1960 sloten de twee buurlanden, met de Wereldbank als medeondertekenaar, een akkoord over de verdeling van zes rivieren van het stroomgebied van de Indus. Het verdrag doorstond verschillende oorlogen en decennia van openlijke vijandigheid. Tot de Indiase regering in 2025 aankondigde het eenzijdig op te schorten, als reactie op een dodelijke aanval in het door India gecontroleerde deel van Kasjmir.

Gelukkig zijn er naast waterakkoorden ook heel wat andere manieren om conflicten over water te voorkomen of te ontmijnen. Zo kan het helpen om het recht op water beter te waarborgen en problemen met ecosystemen aan te pakken. Ook zou je een rivier rechtspersoonlijkheid kunnen geven, zoals in Peru gebeurde. Ook voor de Schelde gaan daar intussen stemmen voor op. Maar welke juridische status een rivier ook krijgt, één ding staat vast: we zullen volop moeten blijven inzetten op waterdiplomatie en samenwerking. Anders gaan we vroeg of laat allemaal kopje-onder.

Deze tekst verscheen als voorwoord in de herfsteditie van MO*magazine. Vind je onze journalistiek waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.

MO161

Wie bezit het water?

Tags