‘Syrië kan alleen één worden door macht af te geven aan lokale besturen’

Salem Shanina

21 januari 2026
Opinie

Welk bestuursmodel voor Syrië?

‘Syrië kan alleen één worden door macht af te geven aan lokale besturen’

Tijdens het Koerdische nieuwjaarsfeest (Newroz) in maart 2025 in de regio Afrin waren zowel Koerdische vlaggen als nieuwe Syrische 'revolutievlaggen' zichtbaar. (c) Emiel Petrovitch

Tijdens het Koerdische nieuwjaarsfeest (Newroz) in maart 2025 in de regio Afrin waren zowel Koerdische vlaggen als nieuwe Syrische 'revolutievlaggen' zichtbaar.

Tijdens het Koerdische nieuwjaarsfeest (Newroz) in maart 2025 in de regio Afrin waren zowel Koerdische vlaggen als nieuwe Syrische 'revolutievlaggen' zichtbaar. (c) Emiel Petrovitch

Tijdens het Koerdische nieuwjaarsfeest (Newroz) in maart 2025 in de regio Afrin waren zowel Koerdische vlaggen als nieuwe Syrische 'revolutievlaggen' zichtbaar.

Nu er een einde lijkt te komen aan Koerdische autonomie in het noordoosten van Syrië, wil Salem Shanina het debat over autonomie in Syrië verleggen. ‘Het conflict dat zich nu aftekent, is geen strijd tussen gemeenschappen, maar tussen een gecentraliseerde staat en een samenleving die bestuurlijk nooit is verankerd.’

In het noordoosten van Syrië hebben de door Koerden geleide Syrian Democratic Forces (SDF) in korte tijd hun machtspositie verloren. In een veertienpuntenovereenkomst, die veel weg heeft van capitulatie, heeft Damascus de controle over Arabische gebieden herwonnen en is afgesproken dat lokaal bestuur in de Koerdische regio’s wordt geïntegreerd in de Syrische staat. Deze afspraken worden op dit moment uitgevoerd, terwijl het bestuurlijke kader waarin zij vorm moeten krijgen nog wordt uitgewerkt. “Het is een overwinning voor alle Syriërs, ongeacht hun achtergrond,” verklaarde president Ahmad al-Sharaa. De werkelijkheid is minder eenduidig.

Dit staat niet op zichzelf. Ook alawitische protesten en spanningen met Druzen in het zuiden maken duidelijk dat de verhoudingen in Syrië na Assad allesbehalve stabiel zijn. Tegelijkertijd wisten de nieuwe machthebbers in Damascus internationaal snel erkenning te verkrijgen voor het ‘nieuwe Syrië’. Die erkenning maskeert een bestuurlijke realiteit die fragieler is dan vaak wordt aangenomen. Het vertrouwen in de centrale staat blijft na veertien jaar oorlog en sektarisch bestuur broos.

Het conflict dat zich nu aftekent, is geen strijd tussen gemeenschappen, maar tussen een gecentraliseerde staat en een samenleving die bestuurlijk nooit is verankerd.

Centralisatie zonder vertrouwen

Toch blijft Damascus inzetten op bestuurlijke centralisatie als weg naar nationale eenheid. Dat lijkt logisch na jaren van fragmentatie, maar het is precies deze keuze die voor veel Syriërs herinneringen oproept aan dwang en uitsluiting. Het probleem is geen gebrek aan nationale eenheid, maar diepgeworteld wantrouwen tegenover een sterk gecentraliseerde staat.

Tijdens recente bezoeken aan Syrië werd dit spanningsveld zichtbaar in gesprekken met vertegenwoordigers van verschillende gemeenschappen. Vrijwel overal werd het belang van een verenigd Syrië benadrukt en identificeerden mensen zich nadrukkelijk als Syriër, terwijl het vertrouwen in de centrale overheid minimaal bleef. Religieuze en etnische groepen leven in veel steden en dorpen nog steeds naast elkaar en delen het dagelijks leven.

Wantrouwen als bestuurlijk probleem

Dat patroon is ook structureel zichtbaar in cijfers. Uit onderzoek van de Arab Barometer in december 2025 blijkt dat in provincies waar minderheden wonen slechts 36 procent vertrouwen heeft in de centrale overheid, tegenover 80 procent landelijk. Ook formele instituties worden zwak gewaardeerd: slechts 40 procent vindt dat het parlementaire verkiezingsproces helder en eerlijk verloopt. Die afstand tot de staat beperkt zich niet tot minderheden, maar is breed verankerd in de Syrische samenleving.

De spanningen tussen Damascus en verschillende regio’s worden vaak gepresenteerd als een conflict tussen minderheden en een soennitische meerderheid. Dat frame is begrijpelijk, maar uiteindelijk misleidend. Het wantrouwen in Syrië loopt niet primair langs religieuze of etnische lijnen, maar langs institutionele: tussen een sterk gecentraliseerde staat en een samenleving die zich politiek onvoldoende ingebed voelt.

Duurzame stabiliteit ontstaat pas wanneer Syriërs zich vertegenwoordigd voelen door hun staat.

Die afstand is geen toeval. Zij is het directe gevolg van de manier waarop de Syrische staat onder Assad is vormgegeven. Het militaire centralisme liet geen ruimte voor politieke dialoog; de schijnbare stabiliteit was geen resultaat van vertrouwen, maar van dwang. Na de val van Assad is formeel gebroken met dit systeem, maar het centralistische staatsdenken is niet verdwenen. De nieuwe machthebbers hebben een bestuursmodel geërfd waarin macht, middelen en besluitvorming geconcentreerd zijn in Damascus.

Dat model is aantrekkelijk voor internationale partners, omdat het bestuurlijke eenvoud suggereert en politieke aanspreekbaarheid centraliseert. Voor veel Syriërs roept diezelfde centrale staat vooral herinneringen op aan onderdrukking en militaire controle. Zonder een breed gedragen koers blijft dit centralistische model doorwerken, ook als de machthebbers zijn veranderd

Dit verklaart waarom regionale spanningen blijven terugkeren: niet omdat deze gemeenschappen de nationale eenheid verwerpen, maar omdat zij zich onvoldoende vertegenwoordigd voelen door de centrale staat. Centralisatie zonder politieke inbedding leidt niet tot integratie, maar tot afstand. De kernvraag is daarom niet of Syrië één staat moet blijven, maar hoe politieke macht opnieuw betekenis krijgt voor burgers buiten Damascus.

Hoewel sommige groepen pleiten voor verregaand pluralisme of de facto autonomie, zijn de ervaringen met sektarisch pluralisme in de regio negatief. Irak en Libanon laten zien dat staatsvorming langs etnische en religieuze lijnen leidt tot bestuurlijke verlamming en nieuwe conflicten.

Een andere bestuurlijke logica

Die toekomst vraagt geen nieuw regime, maar een andere bestuurlijke logica. Maar wat betekent institutionele erkenning concreet in een land waar vertrouwen in centrale macht structureel is uitgehold?

Institutionele erkenning van verschil betekent niet dat verschillen worden vastgezet of geformaliseerd langs etnische of religieuze lijnen, maar dat zij bestuurlijk worden ingebed binnen nationale kaders. Dat kan door lokaal gekozen raden formele bevoegdheden te geven over beleidsterreinen die direct het dagelijks leven raken, zoals onderwijs, infrastructuur en economische ontwikkeling, terwijl kernfuncties van de staat zoals defensie, buitenlands beleid en monetaire stabiliteit, nadrukkelijk nationaal blijven.

Een dergelijk gelaagd bestuursmodel erkent lokale realiteiten zonder de territoriale eenheid van de staat te ondermijnen, zonder te vervallen in sektarisch federalisme en bestuurlijke chaos.

Nu Syrië probeert een nieuwe staat op te bouwen, ligt een hardnekkige denkfout op de loer: het idee dat nationale eenheid vanzelf ontstaat door macht en besluitvorming in Damascus te concentreren. Die aanpak kan tijdelijk rust brengen, maar vergroot het wantrouwen bij groepen die zich al decennia niet gehoord voelen. Wat Syrië nodig heeft, is geen opsplitsing langs religieuze lijnen of verregaande autonomie, maar een staatsmodel waarin lokaal bestuur echte politieke betekenis krijgt binnen één land.

Internationale erkenning van het ‘nieuwe Syrië’ is noodzakelijk om het land uit zijn isolement te halen, maar mag niet worden verward met binnenlandse legitimiteit. Duurzame stabiliteit ontstaat pas wanneer Syriërs zich vertegenwoordigd voelen door hun staat. Dáár zal blijken of het nieuwe Syrische staatsproject werkelijk breekt met het verleden, of oude patronen slechts in een nieuw jasje voortzet.

Salem Shanina is een Syrisch-Nederlandse ingenieur en ondernemer die de ontwikkelingen in Syrië volgt vanuit een persoonlijke betrokkenheid. Hij schreef eerder ook al een opiniebijdrage voor de Nederlandse krant Trouw.

De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.