Dak’ART 2026: een spanningsveld van kunst, macht en de publieke ruimte

Reportage

Wie spreekt, wie kijkt en wie blijft buiten beeld tijdens de biënnale van Dakar?

Dak’ART 2026: een spanningsveld van kunst, macht en de publieke ruimte

DakArt kunstwerk
DakArt kunstwerk

Sarah Agyemang

10 augustus 202612 min leestijd

In november wordt de Senegalese hoofdstad Dakar opnieuw het decor van Dak’Art, een van de belangrijkste biënnales voor hedendaagse Afrikaanse kunst. Wat zich tijdens die weken afspeelt, reikt verder dan een reeks tentoonstellingen. Het is een moment waarop de stad haar artistieke, politieke en sociale spanningen zichtbaar maakt.

Tijdens Dak’Art, de tweejaarlijkse biënnale voor hedendaagse Afrikaanse kunst van Dakar, richten kunstenaars een grote spot op hun werk dat doorgaans in de luwte verspreid ligt over ateliers, residenties en onafhankelijke kunstruimtes.

Maar Dak’Art is niet alleen een kunstplatform, het herschikt ook tijdelijk de stad zelf. Dan wordt zichtbaar wie spreekt, wie kijkt en wie buiten beeld blijft. Deze dynamiek speelt zich niet af in één uniforme ruimte, maar in een spanningsveld tussen het officiële, geïnstitutionaliseerde parcours en een meer diffuus, door de stedelingen gedragen OFF-parcours.

In Dakar hebben kunst en politiek altijd dicht bij elkaar gelegen. Sinds de onafhankelijkheid van Senegal in 1960 speelde cultuur een centrale rol in het publieke leven van het land. Kunstenaars, schrijvers en filmmakers namen actief deel aan discussies over identiteit, moderniteit en de toekomst van Afrika.

Binnen die geschiedenis neemt Dak’Art een bijzondere plaats in. Sinds de jaren ’90 is de biënnale uitgegroeid tot een belangrijk ontmoetingspunt voor hedendaagse Afrikaanse kunst en kunst uit de diaspora. Het is een platform waar artistieke verbeelding, politieke geschiedenis en internationale kunstcirculatie elkaar kruisen.

De editie van 2026, die loopt van 19 november tot 19 december, vindt plaats in een context van politieke en maatschappelijke veranderingen. In Senegal heersen hoge verwachtingen, budgettaire druk en groeiende sociale onrust.

De verkiezing van Bassirou Diomaye Faye tot president en die van Ousmane Sonko tot premier in april 2024 betekende voor velen een nieuw politiek momentum in een land met een bijzonder jonge samenleving. Volgens VN-cijfers is ongeveer 75% van de bevolking jonger dan 35 jaar. De economische onzekerheid en ongelijke toegang tot kansen wegen op het dagelijkse leven.

De voorbije jaren werden dan ook opnieuw spanningen zichtbaar tijdens studentenbijeenkomsten aan de Université Cheikh Anta Diop, historisch gezien een centrum van intellectueel en politiek verzet. Ook vandaag zijn de eisen herkenbaar: betere infrastructuur, uitbetaling van studiebeurzen, meer toekomstperspectief en meer politieke geloofwaardigheid.

Wanneer jongeren de straat op gaan, worden ze deel van een beweging waarin politiek bewustzijn, intellectueel debat en culturele expressie met elkaar verweven zijn. Protest is hier niet gewoon verzet, maar ook een vorm van participatie en historisch geheugen.

Tegen die achtergrond krijgt Dak’Art een bijzondere lading, want de biënnale wordt zo een publieke ruimte waarin de spanningen, verwachtingen en verbeelding van de Senegalese samenleving zichtbaar worden. Het gaat daarbij niet alleen over wat er getoond wordt, maar ook voor wie en vanuit welke positie.

Achille Adonon Visages

Het kunstwerk Visages van Achille Adonon was in 2022 een van de blikvangers.

De paradox van Senghor

De culturele infrastructuur van de stad is nauw verbonden met Léopold Sédar Senghor, dichter, eerste president van Senegal en medegrondlegger van de Négritude-beweging. Voor Senghor was culturele soevereiniteit even essentieel als politieke onafhankelijkheid. Kunst en cultuur moesten een centrale rol spelen in het vormgeven van een nieuwe Afrikaanse moderniteit.

Vanaf de onafhankelijkheid investeerde Senghor in een netwerk van culturele instellingen. De École nationale des arts, het Théâtre national Daniel-Sorano en de Manufactures Sénégalaises des Arts Décoratifs in Thiès zijn slechts enkele voorbeelden. Met het Festival Mondial des Arts Nègres van 1966 kreeg dit project internationale uitstraling en positioneerde Dakar zich als centrum van artistieke en intellectuele uitwisseling.

In de jaren ’70 ontstond een kritische artistieke scène die zich niet volledig in dat staatsproject herkende. Het collectief Laboratoire Agit’Art, met onder meer beeldhouwer Issa Samb, cineast Djibril Diop Mambéty en dramaturg Youssoupha Dione, ontwikkelde met performances en interventies in de publieke ruimte alternatieve vormen van een artistieke praktijk.

Kunst werd er opgevat als iets dat zich niet laat beperken tot institutionele kaders, maar dat ontstaat in directe relatie tot het sociale en stedelijke leven. ‘Ze plaatsten kunst opnieuw in het hart van wat de stad is, in het hart van de politiek, in het hart van wat het volk is’, zegt Fatima Bintou Rassoul Sy daarover. Zij is programmadirecteur van RAW Materials Company, een kunstenkenniscentrum in hartje Dakar dat kunsteducatie organiseert en residenties voorziet. Als curator is ze nauw betrokken bij de biënnale.

Fatima Bintou Rassoul Sy Januari 2024

Fatima Bintou Rassoul Sy

Het culturele project van Senghor droeg van bij het begin een belangrijke paradox in zich. Hoewel hij indrukwekkende culturele infrastructuur opbouwde en kunstenaars actief stimuleerde, werd zijn culturele visie nauwelijks juridisch verankerd. Er ontstond geen duurzaam wettelijk kader dat het culturele beleid structureel beschermde of organiseerde. Veel instellingen werden opgericht met presidentiële besluiten of persoonlijke initiatieven, eerder dan door wetgeving.

Het voortbestaan van deze infrastructuren bleef daardoor sterk afhankelijk van politieke wil. Toen economische crisissen en structurele aanpassingsprogramma’s in de jaren ’80 de overheidsbudgetten onder druk zetten, verdwenen veel middelen voor cultuur. Instellingen bleven bestaan, maar verloren vaak hun financiële en inhoudelijke ondersteuning. Kunstenaars erfden dan wel een indrukwekkend cultureel landschap, maar geen middelen om het duurzaam te onderhouden.

Die dubbele erfenis, een sterk uitgebouwde culturele infrastructuur enerzijds en een traditie van autonome, informele artistieke praktijken anderzijds, vormt de achtergrond waartegen Dak’Art zich ontwikkelde.

De eerste editie, in 1990, was gewijd aan literatuur en had de ambitie om afwisselend literatuur en hedendaagse kunst te programmeren. Ze vond plaats in aanwezigheid van zowel de voormalige president Senghor als zijn opvolger Abdou Diouf, wat de symbolische en politieke betekenis van het project benadrukte. Maar het beperkte succes leidde tot een heroriëntatie met een centralere rol voor beeldende en hedendaagse kunst.

In 1996 kreeg de biënnale haar huidige vorm als platform voor hedendaagse Afrikaanse kunst en positioneerde ze zich als een belangrijk knooppunt binnen het internationale kunstencircuit. Tegelijk bleef ze ingebed in een lokale artistieke dynamiek die zich niet volledig laat institutionaliseren. ‘De biënnale werd dan wel door de staat georganiseerd’, legt Rassoul Sy uit, ‘maar haar energie kwam uit de kunstenaarsgemeenschap van Dakar.’

Dakar Paviljoen, installatie op een rotonde in Dakar

Dakar Paviljoen, installatie op een rotonde in Dakar (Senegal). Ontwerp: Mamy Tall. Project ‘Doxantu’, Biënnale van Dakar 2022.

Drievoudige spanning

In theorie presenteert Dak’Art zich als een plek waar vragen rond identiteit, geschiedenis en dekolonisatie publiek kunnen worden besproken, maar in de praktijk blijkt die openheid ongelijk verdeeld.

‘We zouden kunnen stellen dat het functioneert als een publieke ruimte voor culturele expressie’, formuleert kunstonderzoeker in Dakar Delphine Buysse het voorzichtig. ‘Maar het is een beperkte publieke ruimte, geen volledig inclusieve.’

De toegang tot de biënnale wordt meebepaald door opleiding, taal – met een dominantie van het Frans en het Engels –, vertrouwdheid met hedendaagse kunstcodes en toegang tot culturele netwerken. Kunstenaars uit Dakar zonder toegang tot die netwerken, en praktijken die moeilijk binnen afgelijnde kaders passen, zoals ambachtelijke, informele of spirituele vormen, blijven vaak onderbelicht. ‘Zichtbaarheid’, stelt Buysse, ‘is het resultaat van structurele selectieprocessen.’

Dat maakt dat Dak’Art niet één homogene groep mensen aanspreekt, maar opereert in een veld van een overlappend en soms conflicterend publiek. ‘De biënnale kent een drievoudige spanning’, verduidelijkt Buysse. ‘Als Afrikaans platform, als knooppunt binnen het internationale kunstencircuit en als lokaal evenement dat een bijzonder dynamisch ecosysteem weerspiegelt.’

Die spanning tussen internationale zichtbaarheid en lokale toegankelijkheid uitte zich in incidenten met jongeren die schade aan werken aanrichtten. Een ongemakkelijke vraag werd zo blootgelegd. Als mensen zich niet herkennen in deze ruimtes, of het gevoel hebben er niet thuis te horen, hoe publiek zijn die ruimtes dan werkelijk?

De kwestie gaat niet alleen over veiligheid of respect voor de werken, maar ook over de betekenis en de toegankelijkheid ervan voor de inwoners van de stad zelf. Net in die spanning ontstaat ruimte voor alternatieve vormen van participatie en artistieke expressie, buiten de formele structuren van de biënnale.

Eerbetoon aan Anta Gérmaine Gaye

Eerbetoon aan Anta Gérmaine Gaye, Ancien Palais de Justice. Installatiezicht, 15de Biënnale van Dakar.

Het OFF-parcours

Dak’Art ontvouwt zich op twee parallelle niveaus. Er is enerzijds een officieel, geïnstitutionaliseerd parcours, maar anderzijds ook een door de stad gedragen OFF-parcours.

Het officiële parcours wordt georganiseerd door de Senegalese staat en opgebouwd rond een afgelijnd kader. Het functioneert binnen een internationale kunstlogica waarin selectie, representatie en legitimiteit centraal staan. Tentoonstellingen worden gepresenteerd in musea en culturele instellingen, met een duidelijke artistieke lijn en een publiek dat zich vaak al binnen de kunstwereld beweegt. In die zin speelt het officiële parcours een belangrijke rol in de internationale positionering van Dakar als centrum voor hedendaagse Afrikaanse kunst.

Daarnaast ontwikkelde zich in de afgelopen decennia het OFF-parcours, dat is uitgegroeid tot een essentieel onderdeel van de biënnale. Wat begon als een reactie op de beperkte ruimte binnen het officiële programma, groeide uit tot een parallelle infrastructuur van tentoonstellingen, initiatieven en ontmoetingen, verspreid over de stad en daarbuiten.

Het OFF-parcours wordt gedragen door kunstenaars, galeriehouders en onafhankelijke culturele organisaties zoals RAW Materials Company, Village des Arts en Atelier Céramiques Almadies. Ook steden buiten Dakar, zoals Thiès, Ziguinchor, Saint-Louis en Kaolack, organiseren vandaag eigen initiatieven.

In tegenstelling tot het officiële parcours volgt het OFF-circuit geen centraal selectieproces, maar ontstaat het vanuit netwerken, samenwerkingen en individuele trajecten.

Het OFF-parcours vormt zo een ruimte van grotere artistieke autonomie. Het laat zien hoe kunst in Dakar daadwerkelijk circuleert via informele netwerken, tijdelijke tentoonstellingsruimtes, private initiatieven en gesprekken die zich deels onttrekken aan institutionele kaders.

‘In de private sfeer van het OFF-programma kunnen de vragen gesteld worden, en gesprekken plaatsvinden, die niet in de internationale of officiële tentoonstelling kunnen bestaan, omdat ze niet door de staat gefinancierd worden’, legt Fatima Bintou Rassoul Sy uit.

Door zijn verspreide karakter en vaak lage drempels lijkt het OFF-parcours meer aansluiting te vinden bij een breder stedelijk publiek, maar ook deze ruimte is niet vrij van sociale en culturele codes. Dat kunst zich buiten institutionele structuren ontwikkelt, betekent niet automatisch dat zij voor iedereen even bereikbaar is.

Waar het officiële parcours inzet op representatie en internationale zichtbaarheid, toont het OFF-parcours hoe artistieke praktijken zich lokaal organiseren en betekenis krijgen. Samen vormen beide geen eenvoudige tegenstelling, maar een veld van onderhandeling waarin zichtbaar wordt wie deelneemt aan de biënnale en wie niet.

Deze reportage werd geschreven voor de MO*special over artistieke vrijheid en democratie.
Vind je dit artikel waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je tal van andere voordelen.

speciale editie artistieke vrijheid

MO*special over artistieke vrijheid en democratie

Word proMO*

MO* heeft geen betaalmuur en is er voor iederéén. Dat kan alleen dankzij de steun van proMO*s, want diepgravende journalistiek kost tijd en geld.

Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.

Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.

Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.

Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.

Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.

Per maand

€4,60

Betaal maandelijks via domiciliëring.

Meest gekozen

Per jaar

€60

Betaal jaarlijks via domiciliëring.

Voor één jaar

€65

Betaal voor één jaar.

Ben je al proMO*

Log dan hier in