“Een voorkeursbehandeling voor de Minst Ontwikkelde Landen blijft nodig”

Interview met Cheick Sidi Diarra

In mei 2011 vindt in Istanbul de VN-Conferentie van Minst Ontwikkelde Landen (MOLs) plaats. Daar zal het Brussels Actieplan, dat tien jaar geleden in het leven werd geroepen, geëvalueerd worden en een nieuw actieplan gelanceerd worden. MO* sprak hierover met VN ondersecretaris- generaal Cheick Sidi Diarra. Deze Malinese diplomaat is de man naast Ban Ki Moon die sinds 2007 instaat voor de MOL’s.

  • Bobette Ngiedi Lelo Bobette Ngiedi Lelo

In mei komen de staats -en regeringsleiders nog eens samen voor de MOL’s. Wat zijn de meest opvallende vernieuwingen of accenten die op tafel zullen liggen?
 
Het Brussels Actieplan was te ruim. In Istanbul zullen we naar een kortere, meer gefocuste tekst gaan. De prioriteiten zijn de armoede tegen 2015 en het aantal MOL’s tegen 2020 halveren. De middelen om dit te bereiken blijven duurzame economische groei, een goede basisinfrastructuur en sociale opvangnetten. Hierdoor kunnen we de kennisoverdracht vergemakkelijken, buitenlandse investeringen aantrekken en de economie diversifiëren.

Bent u tevreden over de vooruitgang die is gemaakt?

Het afgelopen decennium was er een van hoop. Tot aan de economische en financiële crisis van 2008 hebben de MOL’s een ongeziene economische  groei van gemiddeld 6 procent per jaar. De buitenlandse investeringen zijn gestegen van 6 miljard naar 23 miljard. Ook sociaal zijn ze in enkele sectoren erop vooruit gegaan. De donoren hebben hun beloftes gehouden. De officiële ontwikkelingshulp (ODA) is bijna verdrievoudigd van dertien miljard in 1999 tot meer dan 38 miljard dollar vandaag. Het Brussels Actieplan zorgt ervoor dat producten uit de MOL’s meer toegang hebben tot de markt. Ik denk hierbij aan het Alles Behalve Wapens (EBA), een goed initiatief dat werd genomen door de EU. Maar ook de Amerikanen hebben een gelijkaardig initiatief en ook de opkomende landen hebben maatregelen getroffen voor markttoegang voor de MOL’s.

Toch zijn er in de afgelopen tien jaar nauwelijks landen uit hun MOL statuut geraakt. Hoe verklaart u dat?

De reden is vrij simpel. De MOL’s hebben vaak een economie die enkel op landbouwproducten of ruwe grondstoffen steunt. De prijzen van deze producten zijn zeer onstabiel. Het is een structureel probleem in de economieën van de MOL’s. Bij hoge grondstofprijzen kunnen ze hun kas vullen, maar het volstaat dat de grondstofprijzen kelderen om de staatskas te legen. Dan is er geen geld voor gezondheidsvoorzieningen, wegen, aangepaste onderwijsvoorzieningen en in sommige landen zelfs niet voor infrastructuren voor drinkbaar water.

Wat is voor u op korte termijn de allerbelangrijkste prioriteit voor de MOL’s?

Ze zouden voordeel moeten kunnen halen uit de verschillende voorkeursbehandelingen die ze krijgen en zo hun inkomsten verhogen voor het welzijn van hun bevolking. Dat kan door goederen en diensten te produceren die competitief zijn met de rest van de wereld. Daarvoor heb je kennis, opgeleide mensen en uitmuntende managers nodig. De handel zal dan zorgen voor buitenlandse activa. Die laten op hun beurt toe om sociale programma’s te ontwikkelen en de economie te diversifiëren.

En goed bestuur?

Afrika kan volgens mij het Aziatische model incorporeren door transparanter te zijn in wat ze doen, door te werken aan meer rechtstaat, een betere bescherming van directe buitenlandse investeringen en meer stabiliteit. Ook respect voor de mensenrechten is van belang. Massale schendingen van mensenrechten zijn onaanvaardbaar in de naam van stabiliteit of om investeringen aan te moedingen.  Investeringen zijn bedoeld om de levenskwaliteit te verbeteren. Als we levens nemen of onderdrukken, dan zijn investeringen nutteloos.
Het fnuiken van vrijheden in de naam van stabiliteit, is voorbij voor ons. Regimes die dit doen, zullen zich moeten opmaken voor veranderingen in de toekomst. Wat er zich in Tunesië voordoet, was onverwachts. Tunesië was een van de meest stabiele landen, een van de minst corrupte en van de beste leerlingen van het continent. Maar de individuele vrijheden van de mensen werden gefnuikt, en daarom hebben de mensen gezegd: “genoeg is genoeg”. Dat moment zal er komen voor alle landen.


Wat is de belangrijkste opdracht voor de Westerse landen?

Hulp blijft noodzakelijk. MOL’s hebben niet voldoende geld om productieve investeringen te doen. Enkel ontwikkelingshulp kan dat op korte termijn verhelpen. Zodra het investeringsklimaat verbetert, kunnen directe buitenlandse investeringen die rol overnemen. Daarna moet je de markten openen voor producten die voortvloeien uit deze initiatieven.
Ik kan ook nooit over de MOL’s spreken zonder het belang van speciale programma voor landbouwproductiviteit te vermelden en te benadrukken. Betere levensomstandigheden voor de migranten in het Noorden en ervoor zorgen dat ze gemakkelijker geld naar huis kunnen sturen, zou al een groot verschil maken.

Het nieuwe modewoord vandaag zijn de Economische Partnerschapsovereenkomsten. EPAs. Er is heel wat kritiek op, maar er leeft ook veel hoop en verwachtingen. Wat is uw mening over deze vrijhandelsakkoorden?

Het idee op zich, om twee regio’s dichter bij elkaar te brengen is niet slecht. De Afrikaanse landen mogen niet elk afzonderlijk onderhandelen met een verenigd Europa. Samen staan ze veel sterker. Ik raad de Afrikaanse landen wel aan om hun grenzen niet te openen voor producten uit de meer ontwikkelde landen tot hun eigen producten van gelijkwaardige kwaliteit zijn. Nu hebben ze daar nog niet de kennis en technische capaciteit voor.

De Afrikanen hebben gevraagd om het onderscheid tussen MOL’s en niet-MOL’s op te heffen in de EPAs. Wat denkt u van deze vraag?

Op de 53 Afrikaanse landen zijn er maar 20 die geen MOL zijn. Het verschil tussen de MOL’S en de andere categorieën ontwikkelingslanden ligt bij de middelen en niet bij de algemene doelstellingen. Die doelstellingen komen neer op de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen (MODs): halveren van de armoede, verminderen van kinder- en moedersterfte, meer fatsoenlijke jobs, beschermen van het klimaat en het milieu. De landen met een middelmatig inkomen hebben meer buitenlandse investeringen, omdat hun economie beter draait en hun instellingen stabieler zijn. De MOL’s hebben die niet en daarom krijgen zij van de donoren een speciale behandeling.

In Europa wordt de Chinese aanwezigheid in Afrika aanschouwd met een mix van jaloezie en angst. Hoe ziet u de Chinezen met betrekking tot de ontluikende industrieën?

Mijn bureau moedigt de samenwerking tussen China en Afrika aan vooral in het ontwikkelen van die basisinfrastructuur. We raden de Chinezen aan om te investeren in Afrika zelf en ter plaatse ruwe grondstoffen te verwerken en daardoor jobs te creëren. Dan heb je een win-winsituatie. Die heb je niet als ze gewoon hun afgewerkte producten op de Afrikaanse markten storten. Lokale industrieën kunnen niet met de Chinese concurreren en zouden verstikken. De Chinezen moeten de Afrikanen ook de flexibiliteit geven om ontginningscontracten opnieuw te onderhandelen, wanneer de Afrikanen daar de noodzaak van zien.

Hoe ziet de toekomst van Afrika er uit volgens u?

Afrika zal sneller veranderen dan je denkt. De nieuwe generatie die er aan staat te komen, wacht maar af, je zal het zien in de komende vijf jaar. Die verandering zal een verbetering zijn. Ik kan nauwelijks wachten op dat moment.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift