Paul Siperius
Toekomstdiscipline
“‘‘Waarom jongeren pas ‘de toekomst’ zijn zolang ze gehoorzamen’’

© Mídia Ninja / 11.11.11 (CC BY-NC 4.0)

© Mídia Ninja / 11.11.11 (CC BY-NC 4.0)
Jongeren worden geprezen zolang ze glimlachen, studeren en gehoorzamen – maar zodra ze protesteren, blokkeren of bezetten, slaat de toon om. Paul Siperius spreekt in dit verband over het mechanisme van ‘toekomstdiscipline’: macht omarmt jongeren als belofte, maar straft ze af als ze die belofte zelf opeisen. Een pleidooi om ongehoorzaamheid niet als bedreiging, maar als deel van een echte toekomst te zien.
Jongeren zijn onze toekomst. Dat zeggen velen graag. Tot die toekomst begint te roepen.
Zolang jongeren glimlachen op affiches, studeren voor later, deelnemen aan overleg, vrijwilligerswerk doen, klimaatzorgen verwoorden of beschermd moeten worden tegen armoede, schermen, drugs of slechte schoolmaaltijden, klinkt de taal warm. Dan gaat het over kansen, begeleiding, gelijke startposities, bescherming en investeren in morgen.
Maar zodra jongeren niet langer alleen toekomst verbeelden, maar die toekomst opeisen op een manier die instellingen, bestuurders of publieke routines hindert, verandert er iets. Zodra ze blokkeren, bezetten, roepen, weigeren, bekladden of de werking van macht onderbreken, verschuift de taal. Dan gaat het niet langer over belofte, maar over risico. Niet langer over luisteren, maar over grenzen. Niet langer over participatie, maar over orde.
Dat is geen toevallige verspreking. Het is een terugkerend mechanisme: Toekomstdiscipline.
Toekomstdiscipline is het mechanisme waarbij jongeren “de toekomst” mogen zijn zolang ze de orde van vandaag niet al te veel verstoren.
Dat betekent niet dat elke actievorm automatisch verdedigbaar is. Schade, intimidatie en geweld moeten benoemd kunnen worden. Maar precies daarom verdient ook de vraag aandacht waarom de taal over jongeren zo snel kantelt van belofte naar bedreiging zodra hun protest werkelijk voelbaar wordt.
Wat ben je op woensdag?
Op maandag ben je de student waar een universiteit trots op is. Je haalt goede punten. Je denkt kritisch. Je engageert je. Je neemt maatschappelijke verantwoordelijkheid. Je bent precies het soort jongere dat in toespraken, beleidsplannen en promotiefilmpjes wordt gevierd.
Op dinsdag protesteer je mee. Misschien sta je binnen. Misschien sta je buiten. Misschien bezet je. Misschien ondersteun je. Misschien ben je er omdat je vindt dat zwijgen erger is dan storen. De actie escaleert. De politie grijpt in. Je wordt opgepakt, gearresteerd of een tijdlang vastgehouden, misschien samen met mensen die je kent, misschien samen met mensen die je nooit hebt gezien.
Plots verandert je plaats in de publieke taal. Je bent niet langer de kritische student, maar deel van een probleem. Niet langer engagement, maar ordeverstoring. Niet langer iemand die mee nadenkt over de wereld, maar iemand die geïdentificeerd, afgevoerd, bestraft of publiek veroordeeld moet worden.
En op woensdag? Op woensdag moet je uitleggen dat je nog altijd dezelfde bent.
De goede jongere en de slechte jongere zijn soms niet twee mensen. Soms zijn ze dezelfde persoon, met vierentwintig uur verschil en een politieverslag ertussen.
Dat is het harde van toekomstdiscipline. Ze beschrijft jongeren niet alleen: ze kan hen in één beweging hernoemen. De student die gisteren kritisch en veelbelovend was, wordt vandaag verdachte, relschopper, bezetter of veiligheidsrisico. En morgen mag die proberen uit te leggen dat zijn of haar engagement niet ophield toen de politie kwam.
De goede jongere en de slechte jongere
Om toekomstdiscipline te laten werken, moet er eerst een onderscheid worden gemaakt. In veel politiek en institutioneel spreken bestaat een goede jongere en een slechte jongere.
De goede jongere is leergierig, kwetsbaar, constructief, beleefd, participerend, hoopvol en toekomstgericht. Hij vraagt kansen. Zij wil begeleiding. Die jongere doet mee aan het gesprek, neemt verantwoordelijkheid, blijft redelijk en gelooft minstens voorlopig nog in de route die volwassenen aanbieden.
De slechte jongere is boos, storend, blokkerend, bezettend, beschadigend, ongeduldig, onhandelbaar. Die jongere wil niet wachten. Die jongere vraagt niet alleen om toekomst, maar legt het heden stil. Die jongere maakt instellingen, bestuurders en opiniemakers ongemakkelijk.
Dat onderscheid is niet onschuldig. Want zodra jongeren tot “slechte jongeren” zijn gemaakt, wordt veel meer vanzelfsprekend: politie, straf, tucht, arrestatie, huiszoekingen, vervolging, ouders op het matje, schade betalen en manieren leren.
Voor macht is de goede jongere degene die toekomst belichaamt zonder het heden al te lastig te vallen. De slechte jongere is degene die zichtbaar maakt dat die toekomst geblokkeerd wordt.
Daarom gaat dit over meer dan jongeren alleen. Het gaat ook over wie als legitieme politieke stem mag verschijnen.
Eerst jongeren verdelen, dan protest beheren
Eerder werd verzet vaak gecontroleerd via toon: spreek rustiger, wees constructief, blijf beleefd. Dat is tooncontrole.
Daarna komt de controle op de vorm van verzet zelf. Betogen mag, maar blokkeren niet. Kritisch zijn mag, maar bezetten niet. Je mening geven mag, maar de werking van de instelling moet doorgaan. Dat is verzetscontrole.
Bij jongeren gebeurt echter nog iets fundamentelers. Nog voor hun toon of actievorm wordt beoordeeld, wordt beslist of ze nog als toekomst verschijnen of al als probleem. Dat is toekomstdiscipline.
Eerst bepalen instellingen, media en bestuurders welke jongeren nog als toekomst mogen verschijnen. Daarna controleren ze de toon van wie binnenblijft en het verzet van wie buitenvalt.
Zo wordt niet alleen protest beheerst. Ook jongeren zelf worden vooraf verdeeld in wie nog mag spreken en wie vooral moet worden aangepakt.
De warme taal en de harde hand
Na jongerenprotesten verschuift de taal vaak razendsnel. Wat eerst ging over onderwijs, kansen en toekomst, gaat plots over orde, veiligheid en bestraffing. Jongeren die daarnet nog de reden waren om te investeren, worden een probleem dat aangepakt moet worden.
Dat betekent niet dat schade, bedreiging of geweld onbelangrijk zijn. Natuurlijk zijn ze dat niet. Jongeren ernstig nemen betekent ook dat je grenzen kunt benoemen.
Maar de snelheid waarmee de taal kantelt, zegt iets. Eerst zijn jongeren kinderen van de samenleving. Daarna worden het daders die discipline missen.
Die dubbelheid is politiek handig. Ze laat bestuurders tegelijk warm en streng klinken: we investeren in jongeren, maar we zijn niet naïef. We geven kansen, maar wie over de schreef gaat, zal het voelen.
Daar zit een zekere redelijkheid in. Veiligheid is een legitieme zorg. Wie weinig macht heeft, draagt vaak ook de zwaarste gevolgen van geweld en intimidatie.
Maar veiligheid wordt pas sociaal en democratisch wanneer ze niet alleen vraagt wie stoort, maar ook wie werd genegeerd, uitgesloten of opgejaagd. Zonder die vraag verschuift veiligheid naar ordehandhaving. Dan beschermt ze niet de toekomst, maar vooral het heden.
Ook progressieve instellingen doen dit
Daarom gaat het niet alleen over partijpolitiek. Dezelfde reflex duikt ook op in instellingen die zichzelf graag progressief noemen.
Universiteiten vieren kritische studenten, maatschappelijk engagement en burgerzin. Kritisch denken staat op websites, in toespraken en in missieverklaringen. Studenten mogen vragen stellen, debatteren, organiseren, opiniestukken schrijven, symposia bijwonen en morele verontwaardiging tonen.
Tot ze niet langer alleen vragen stellen, maar bezetten. Tot ze niet langer deelnemen aan het gesprek, maar de instelling zelf onder druk zetten. Tot ze niet langer kritisch denken binnen de muren, maar die muren gebruiken als plaats van conflict.
Dan verschuift ook daar de taal: van dialoog naar juridische stappen, van engagement naar grensoverschrijding, van protest naar veiligheidsrisico, van studenten naar bezetters. De universiteit als oefenplaats van kritiek wordt dan plots een terrein dat moet worden vrijgemaakt.
Opnieuw: dat betekent niet dat alles wat tijdens een bezetting gebeurt zomaar kan. Schade bestaat. Graffiti bestaat. Intimidatie kan bestaan. Mensen kunnen zich onveilig voelen. Een instelling heeft verantwoordelijkheden tegenover personeel, studenten, bezoekers en infrastructuur.
Maar die verantwoordelijkheid eindigt niet zodra de politie wordt gebeld.
Misschien begint ze daar net.
Wanneer een instelling politie oproept, kan ze achteraf niet doen alsof het geweld dat volgt volledig buiten haar morele horizon valt. Als er een moment was waarop actievoerders aangaven vrijwillig te willen vertrekken, dan hoort de vraag op tafel waarom dat moment niet maximaal werd gebruikt voor de-escalatie.
Wie besliste dat identificatie, omsingeling en hardhandig optreden zwaarder moesten wegen dan het vermijden van verdere escalatie? Wie draagt bestuurlijke verantwoordelijkheid wanneer een conflict dat politiek begon, eindigt in arrestaties, stokslagen en gewonde mensen?
De asymmetrie van orde
De schade van protest is zichtbaar. De graffiti heeft een eigenaar. De schade heeft een factuur. De bezetting heeft daders. Ze kan worden gefotografeerd, benoemd en doorgerekend.
Wanneer jongeren of studenten iets breken, heet het snel vandalisme. Soms worden ze zelfs krapuul genoemd.
Wanneer politie hardhandig optreedt, duwt, slaat, vernedert of verwondt, wordt dat sneller een moeilijke interventie, een noodzakelijke ingreep, een ongelukkig incident of een zaak voor intern onderzoek.
Dat is de asymmetrie van orde. De ene vorm van geweld krijgt daders. De andere krijgt context.
Macht herkent geweld onmiddellijk wanneer het van onderuit komt. Wanneer het van bovenaf komt, wordt het vaker uitgelegd dan benoemd.
Net daar wordt de taal over jongeren gevaarlijk. Zodra jongeren niet langer toekomst zijn maar probleem, wordt empathie selectief. Dan gaat het over medelijden met politieagenten, maar veel minder over studenten, betogers of sympathisanten die klappen krijgen. Dan gaat het over schade aan muren, maar minder over schade aan vertrouwen.
Wie jongeren alleen toekomst noemt zolang ze gehoorzamen, verdedigt niet de toekomst. Die verdedigt vooral de orde van vandaag.
Wat verstoring zichtbaar maakt
Een democratie die jongeren ernstig neemt, moet meer kunnen dan hen uitnodigen wanneer ze beleefd spreken en wegduwen wanneer ze hinderlijk worden.
Ze moet onderscheid maken tussen gevaarlijk geweld en politieke verstoring. Ze moet vernieling kunnen benoemen zonder alle woede te reduceren tot vandalisme. Ze moet politiegeweld kunnen bekritiseren zonder elk protest goed te praten.
En vooral: ze moet verdragen dat toekomst niet altijd klinkt zoals macht haar wil horen.
Toekomst is niet alleen een diploma, een beleidsplan of een jeugdraad. Toekomst is soms ook een blokkade, een bezetting, een weigering.
Dat betekent niet dat jongeren boven kritiek staan. Ze maken fouten. Ze kunnen te ver gaan. Maar een samenleving die alleen dat ziet, ziet te weinig. Ze ziet de botsing, maar niet wat eraan voorafging. Ze ziet de steen, maar niet altijd de muur.
Wie moet zich verantwoorden?
Wie jongeren ernstig neemt, doet niet alsof alles kan. Maar men moet hen ook niet pas ernstig nemen wanneer ze bruikbaar zijn als symbool.
Jongeren zijn geen decor voor volwassen toekomstverhalen. Ze zijn geen bewijs dat beleid vooruitkijkt zolang ze glimlachen, en geen afvalproduct van de orde zodra ze storen. Ze zijn mensen in een wereld die ze niet hebben gemaakt, maar wel zullen erven.
Daarom is de vraag niet alleen of jongeren zich moeten verantwoorden voor wat ze doen. Dat moeten ze soms. De vraag is ook: wie verantwoordt zich tegenover hen?
Wie verantwoordt de besparingen? Wie verantwoordt de wooncrisis? Wie verantwoordt de klimaaterfenis? Wie verantwoordt politiepraktijken die wantrouwen voeden?
Een toekomst die wordt beloofd maar telkens wordt uitgesteld, verliest haar geloofwaardigheid. Een toekomst die moet gehoorzamen, is geen toekomst.
Het is het heden met jongere gezichten.
Geen toekomst zonder ongehoorzaamheid
Misschien moeten we wantrouwig worden wanneer macht jongeren al te gretig prijst. Niet omdat jongeren geen zorg of kansen nodig hebben, maar omdat dezelfde stem hen vaak snel tot probleem maakt zodra ze weigeren te wachten.
De toekomst wordt gevierd zolang ze glimlacht. Ze wordt gecorrigeerd zodra ze stoort. Maar misschien begint toekomst precies daar: waar jonge mensen zichtbaar maken dat wat bestaat niet volstaat.
De vraag is dus niet alleen of jongeren te ver gaan wanneer ze storen.
De vraag is ook waarom een democratische samenleving haar toekomst zo vaak pas ernstig neemt zolang die binnen de aanvaarde lijnen blijft.
Paul Siperius is sociaal-cultureel agoog, betrokken bij activisme.
De meningen en standpunten in deze opiniebijdrage zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs die van de MO*redactie.
Lees ook
Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.
Word proMO*
Vind je MO* waardevol? Word dan proMO* voor slechts 4,60 euro per maand en help ons dit journalistieke project mogelijk maken, zonder betaalmuur, voor iedereen. Als proMO* ontvang je het magazine in je brievenbus én geniet je van tal van andere voordelen.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in


