Een slecht jaar voor het imperium

Voor het Amerikaans zelfvertrouwen was 2006 een barslecht jaar. De Amerikaanse regering was er lang van uitgegaan dat de overweldigende offensieven in Irak en Afghanistan de rest van de wereld zoveel ontzag zouden inboezemen, dat vijanden en rivalen zich voortaan maar liever zouden neerleggen bij de Amerikaanse hegemonie. Maar de tegenstanders voelen zich nu eerder gesterkt door de ontwikkelingen in die twee conflictgebieden.
Het afgelopen jaar reden de VS zich steeds verder vast in het Iraakse moeras dat elke week gemiddeld drie miljard dollar en de levens van twintig Amerikaanse soldaten kost. Ook de buurlanden van Irak dreigen intussen in de burgeroorlog te worden meegezogen.

In Afghanistan illustreert de comeback van de Taliban dat de vooruitgang die er de voorbije vijf jaren werd geboekt na hun val, heel broos is. In buurland Pakistan heeft de regering van president Pervez Musharraf, een Amerikaanse bondgenoot, haar troepen teruggetrokken uit de grensgebieden met Afghanistan. De macht is er nu helemaal in handen van etnische minderheden die voor de Taliban zijn en waarschijnlijk mensen van Al-Qaeda de hand boven het hoofd houden.

Ook in andere crisisgebieden kunnen de VS hun wil niet opleggen. De pro-westerse regering in Libanon is in het defensief gedrongen tegenover de door Syrië en Iran gesteunde militie Hezbollah. Die beweging is allesbehalve verzwakt uit de oorlog gekomen waarmee Israël haar macht wilde breken.

Noord-Korea voerde in november een kerntest uit nadat het al in juli had aangekondigd het oude moratorium op dergelijke proeven niet meer te willen respecteren. En Iran, het tweede resterende land van de “As van het Kwaad”, kondigde al in april aan dat het tegen de wil van de VS en Europa in uranium had verrijkt - een belangrijke stap naar de bouw van een kernwapen.

Ook Rusland is het voorbije jaar veel eigenzinniger en uitdagender geworden. Met toenemend succes verzet Moskou zich tegen de Amerikaanse invloed in de Kaukasus en Centraal-Azië. In Oekraïne en Kirgizië slaagde Rusland erin de door de VS gesteunde democratische “revoluties” te doen terugdraaien. Rusland sloeg in de Veiligheidsraad en de Sjanghaise Organisatie voor Samenwerking de handen ook ineen met China, nog een ontwikkeling die de Amerikaanse aanspraak op internationale alleenheerschappij ondermijnt.

Zelfs in Afrika werden de VS in de hoek gedrongen. President Bush beschuldigde Sudan twee jaar geleden nog van genocide in de omstreden westelijke provincie Darfur. Washington begon een onhaalbaar vredesplan te steunen dat inmiddels is opgegeven. En de regering in Khartoem blijft potdoof voor de Amerikaanse eisen in verband met de ontplooiing van een VN-vredesmacht.

In Somalië werden door de VS in het geheim gesteunde krijgsheren de voorbije zomer verdreven door islamisten die volgens de Amerikaanse regering banden hebben met Al-Qaeda. De Amerikanen hebben zich nu achter Ethiopië geschaard, dat met duizenden soldaten de internationaal erkende overgangsregering in Baidoa overeind probeert te houden. De islamisten profiteren van de haat die dat opwekt tegen elke vorm van buitenlandse inmenging.

In Latijns-Amerika ontsnapte Washington aan de ergste politieke ramp - de overwinning van de linkse presidentskandidaat Andres Manuel Lopez Obrador. Maar in Bolivia en Nicaragua wonnen linkse presidentskandidaten, onder meer omdat de VS dat op een onhandige manier probeerden te verhinderen. De Venezolaanse president Hugo Chávez, de grootste nagel aan de doodskist van Bush, behaalde begin deze maand ook een klinkende verkiezingsoverwinning.

Ook in het Amerikaanse Midden-Oostenbeleid werd succes schaars. In januari haalde de islamistische Hamasbeweging een verkiezingsoverwinning in de Palestijnse gebieden, wat een domper zetten op het vredesproces tussen de Palestijnen en Israël.

Het gebrek aan resultaten van de Amerikaanse buitenlandpolitiek kwam Bush en zijn Republikeinse partij duur te staan bij de tussentijdse verkiezingen in november. De Democraten kregen het weer voor het zeggen in Kamer en Senaat en haviken als Defensieminister Donald Rumsfeld en VN-Ambassadeur John Bolton moesten uit de regering vertrekken.

Opiniepeilingen wijzen erop dat veel Amerikanen grote vragen hebben bij het buitenlandbeleid van hun regering. Acht op de tien respondenten denken dat de rest van de wereld de VS “arrogant” vindt. Toch is het de vraag of Bush en zijn beleidsmakers in 2007 van koers zullen veranderen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift