Het feest gaat niet

In Haïti is niets wat het lijkt. Is tweehonderd jaar onafhankelijkheid van de eerste zwarte republiek reden tot feesten of aanleiding tot demonstraties? Is verzet tegen de president hetzelfde als steun aan de oppositie? Vanuit de heksenketel in Port-au-Prince: een verhaal dat verheldert en verwart tegelijkertijd.
1 januari 2004. De feestelijkheden rond 200 jaar onafhankelijkheid beginnen ‘s ochtends op het plein voor het paleis. De toespraak van de president lokt tienduizenden medestanders. De massa duwt en trekt tot de omheining rond het paleis omvalt. De politie kan de menigte net voor het podium tegenhouden. De president herhaalt zijn nieuwjaarswensen vijf maal, terwijl zijn fans de vijf vingers van hun handen hoog in de lucht steken symbool voor het vol maken van zijn vijfjarige mandaat, een politiek discussiepunt dat de voorbije weken voor steeds meer straatgeweld heeft gezorgd. De oppositie wil dat president Aristide vertrekt en stelt een eigen overgangsregering voor.
‘s Ochtends mag Aristide dan wel een zelfverzekerde, bijna triomfantelijke indruk hebben gegeven, na de middag schiet daar niet veel meer van over. De president vliegt per helikopter naar Gonaïves, de stad die symbool staat voor de onafhankelijkheid van Haïti, maar ook de stad waar de manifesterende oppositie het meest actief was en waar de botsingen van de afgelopen maanden het brutaalst waren. De president houdt er een korte toespraak. Het hele bezoek duurt amper een half uur.
In Port-au-Prince hebben sinds de middag manifestaties van de oppositie plaats. De manifestanten hebben zich in enkele groepen verdeeld en proberen via de hoofdwegen in het centrum te geraken, tot voor het paleis. De politie gebruikt geweld en traangas om hen te stoppen. De manifestanten steken autobanden in brand om de politie tegen te houden. De schermutselingen duren tot 18 uur. In het centrum zijn de manifestanten niet geraakt. De aanhangers van de president zijn er van overtuigd dat de gemoederen zullen bedaren en dat de situatie zich zal stabiliseren. De oppositie zegt dat 1 januari maar het begin van het echte gevecht is.

Gebroken benen


Port-au-Prince is een kruitvat. De ene dag werkt het openbaar vervoer niet, de volgende is er een algemene staking. Afspraken worden voortdurend uitgesteld en sommige gaan helemaal nooit door. Zelfs de witte jeeps van Unicef mogen niet meer door het centrum rijden: veiligheidsmaatregelen van de tweede graad, deelt hun communicatieverantwoordelijke mee. De manifestatiegolf teistert ook andere steden: Gonaïves, Petit-Goâve, Jacmel gaan plat. Zoveel te meer de protesten het leven in Haïti domineren, zoveel te brutaler treden ordediensten en chimères door de autoriteiten betaalde, gewapende bandieten op. Het aantal gewonden en doden groeit.
Pierre Marie Paquiot, rector van de Université d’Haïti in Port-au-Prince, weet wat er gebeurt als de vonk in het kruitvat slaat. ‘Op 5 december drongen aanhangers van de president de universiteit binnen, gewapend met geweren, matrakken en stokken. Ze schoten blindelings op alles wat bewoog. De studenten hadden niets om zich te verdedigen. Daarna vielen ze de bedienden in het administratief gebouw aan. Ze hebben mijn benen gebroken, ik kon niet meer opstaan. Terwijl ze de studenten sloegen, dwongen ze hen “Leve Aristide” te roepen.’ Met deze aanval op de Faculteit Sociale Wetenschappen wou de omgeving van de president het groeiende straatprotest van de studenten de kop indrukken. Het resultaat was net het omgekeerde.
De aanzwellende demonstraties doen denken aan een uit de hand gelopen feest: iedereen zingt luidkeels, handen zwaaien in de lucht, sommigen lopen over geparkeerde auto’s, anderen maken schunnige grappen over de president. De protestliederen bevatten zoveel natuurlijk ritme dat ze dansend door de straten van de hoofdstad klinken.
De directeur van de Nationale Coalitie voor de Rechten van de Haïtianen (NCHR), Pierre Espérance, ontvangt ons in de relatieve rust van zijn kantoor in het centrum van Port-au-Prince. Van zijn ogen valt de vermoeidheid af te lezen: de maandenlange spanning eist haar tol. De NCHR publiceerde onlangs een rapport waaruit blijkt dat er nu in Haïti evenveel moorden, gewonden en vermisten geteld worden als tijdens de jaren van de staatsgreep tegen Aristide in 1991-1994. ‘Tot 1986 was de situatie tenminste duidelijk’, zegt Espérance. ‘Duvalier was een dictator en hij verborg dat niet. Aristide daarentegen verschuilt zich achter woorden van vrijheid, vrede en democratie, ook al leidt hij in de praktijk een loutere dictatuur.’ Pierre Espérance benadrukt dat hij geen partij kiest, voor hem komt het respect van mensenrechten, die door de Grondwet gegarandeerd worden, op de eerste plaats. ‘Vandaag verdraagt de regering geen kritiek’, vervolgt hij. ‘De politie is corrupt, de drugshandel bloeit. De regering respecteert de basisrechten van de mens niet.’

De messias van het platteland


We rijden 150 kilometer van Port-au-Prince weg. Te voet is de weg misschien veilig, maar voor een autorit moet je suïcidale trekjes hebben. Min of meer ongeschonden arriveren we in een heel andere wereld. De wereld waarin tachtig procent van de Haïtianen woont: het platteland. In de hoofdstad wordt de stroomvoorziening geregeld onderbroken, hier is niet eens sprake van elektriciteit. ‘Elke dag is hier een strijd om te overleven’, zegt pater Joseph-Philippe, stichter van de Asosyasyon Peyizan Fondwa (APF), een lokale organisatie die zich bezighoudt met onderwijs en gezondheidszorg voor het platteland. Het is zondag en we treffen hem tussen het opdragen van een mis en een catecheseles. Hij vertelt graag over de problemen van het platteland, en wat de APF eraan probeert te doen. Als we vragen wat hij over de actuele politieke situatie denkt, haalt hij zijn schouders op. ‘We kijken niet om naar de regering, die zal toch niet helpen. De mensen hier zijn voor zichzelf verantwoordelijk en moeten zichzelf helpen.’ De dorpsbewoners drukken dezelfde onverschilligheid uit ten opzichte van de regering.
Ooit gold Aristide hier als een messias. Vandaag heeft bijna niemand zijn geloof in hem bewaard, al merk je geen openbare vijandigheid zoals in de steden. Wellicht heeft dat te maken met een algemeen gebrek aan betrokkenheid bij de nationale politiek, maar ook het feit dat veel pastoors in kleine plattelandsparochies loyaal blijven aan Aristide, hun vorige collega-priester, zal wel meespelen. De bisschoppen staan vijandig tegenover de president, maar zij behoren tot de wereld van de stad. En ‘de steden en het platteland zijn twee aparte landen’, legt pater Joseph-Philippe uit.

Leven met een dubbele bodem


Alles in Haïti heeft een schaduwkant en een lichtzijde. Niets is helemaal wat het lijkt. Mannen in witte hemden en meisjes met een strik in hun haar zingen vreugdevolle liederen in de kerk. Net achter de omheining steken bedelaars in lompen hun handen uit. Iedereen functioneert tegelijkertijd in verschillende werelden, er zijn dus geen eenvoudige antwoorden, zelfs niet op de eenvoudigste vragen. Misschien is dat de reden waarom Haïtianen de indruk wekken dat ze niet over de toekomst denken. Enkel vandaag telt, want vandaag is zeker. Op de vraag wat morgen brengt, heeft niemand een antwoord. ‘Het is altijd zo geweest’, zegt Jan Hoet, een Vlaamse Scheutist die al 37 jaar in Haïti woont. ‘Daarom zal Haïti altijd een groot vraagstuk voor me blijven, ongeacht wat er met de huidige president gebeurt.’
De dubbele bodems van de dagelijkse realiteit zijn gegroeid vanaf het ontstaan van dit land. De bevolking van Haïti stamt af van Afrikaanse slaven, afkomstig uit etnische groepen die vaak wantrouwig of zelfs vijandig tegenover elkaar stonden. Deze etnisch diverse maatschappij, die verplicht werd om in verdrukking samen te leven, heeft twee overlevingsstrategieën ontwikkeld om een gemeenschap te creëren: de Creoolse taal en de Afrikaanse voodooreligie. Via de eigen taal konden de slaven met elkaar communiceren zonder dat de meesters hen verstonden, in het geloof een eigenzinnige mengeling van christendom en Afrikaanse religies bewaarden ze de eigen cultuur. Voodoo is echter meer dan een religie. Het is ook een eigen sociaal systeem, dat naast de officiële sociaal-politieke organisatie van het land functioneert.
‘Voodoo is het niveau B’, zegt professor Gerrit Desloovere van de faculteit Etnologie aan de Université d’Haïti. Hij leeft hier al 28 jaar en is nog steeds gefascineerd door het land. ‘Het niveau A is het openbaar niveau, het niveau B is een levendige en universele sociale organisatie met eigen idealen en regels. Het fundament van het niveau B wordt gevormd door de generatieoude families.’ De houngan of voodoopriester vervult de functie van geneesheer, maar ook die van rechter. ‘Ik kijk naar het vuur en de geesten vertellen via mijn lichaam hoe een geschil opgelost kan worden, wie gelijk heeft in het conflict’, legt Louis Joseph Auguste, lid van een geheim Makaya genootschap in het binnenland, uit.
Louis Joseph ontvangt ons in zijn tempel die versierd is met een mengeling van christelijke- en voodooafbeeldingen. Zelf is hij gekleed in een rode cape, een typisch kenmerk van de geheime genootschappen. ‘De geheime ontmoetingen van ons genootschap vinden tweemaal per maand plaats en enkel de leden zijn aanwezig’, zegt Louis Joseph. ‘We nemen beslissingen over alledaagse zaken en lossen problemen op tijdens rituelen, terwijl ik met de geesten communiceer. Op die manier herstel ik de rechtvaardigheid.’ Het kan gebeuren dat de overtreding zo zwaar is dat de houngan het doodvonnis velt. Hoe weet hij zeker dat hij gelijk heeft? ‘De geesten weten dat gewoon’, antwoordt Louis Joseph rustig.
Louis Joseph bezit een officiële verklaring dat zijn voodoopraktijken legaal zijn en dat hij ceremonies mag organiseren. ‘Ik heb geen probleem met de regering,’ legt hij uit. ‘Het is me om het even wie er president is, ik beoefen mijn religie sowieso.’ Het politieonderzoek dat voorafging aan de erkenning van Louis Joseph dateert uit april 2003, de periode waarin Aristide de voodoo tot officiële religie verklaarde. Zich bewust van de rol van voodoo in de samenleving, probeerde de president op die manier zijn populariteit te vergroten. De operatie bracht hem niet het gewenste resultaat, ze versterkte wel de positie van de houngans in hun gemeenschappen.

De ondraaglijke lichtheid…


Theodore Beaubrun stamt uit een familie met een rijke voodootraditie. Hij is de leadzanger van Boukman Eksperyance, een van de meest populaire muziekgroepen in Haïti. Boukman Eksperyance is al sinds 1978 sterk politiek geëngageerd en Beaubrun is door dit alles voor veel Haïtianen de verpersoonlijking van de vrijheid geworden. Omwille van zijn uitspraken tegen Aristide zit de politie hem voortdurend op de hielen. Om hem te vinden, moeten we een lange zoektocht ondernemen en contact leggen via zijn familie. Zelf moet hij onderweg naar onze plaats van afspraak meermaals van auto wisselen. Wanneer zijn transport eindelijk arriveert, duikt hij op van achter de achterbank.
‘Het wordt tijd dat we ons eindelijk tegen alle ideologieën en systemen verzetten’, oreert Bourbon. ‘Kapitalisme, socialisme noch dictatuur kan ons redden. Er zou een natuurlijke orde op basis van de traditie moeten komen.’ Theodore is de onbetwiste leider van de manifesterende studenten, omdat zijn muziek het symbool van hun gevecht is. Hij neemt soms ook deel aan straatprotesten, veilig omringd door duizenden demonstranten. ‘Wij willen geen geweld, onze strijd gaat om ideeën,’ besluit Theodore.
Zijn droom om het land te organiseren volgens de regels die de mensen al sinds generaties in het geheim cultiveren, is zeer vaag en lijkt dus ook weinig realistisch. Toch is zijn voorstel zowat het meest concrete dat we gehoord hebben voor het “Haïti van morgen” waarover de oppositie het voortdurend heeft. Ook het tijdelijk alternatief dat de oppositie op 2 januari officieel voorstelt, toont het gebrek aan een concreet programma. De oppositie weet enkel dat ze een overgangsregering wil, samengesteld uit leden van de diverse oppositiepartijen. De parlementsverkiezingen zouden volgens dit voorstel over twee jaar gehouden worden. Wat er na deze twee jaar overgangsfase komt, is niet duidelijk.
Rony Smarth is een ervaren politicus die zich de val van Duvalier in 1986 nog levendig herinnert. Hij is lid van de OPL, een van de vele politieke partijen waaruit de Democratische Convergentie bestaat. Dat platform vormt samen met de Groupe 184, een verzameling rijke burgers, de oppositie. Als we hem vragen op welke manier hij de rechtvaardigheid wil herstellen en welk alternatief hij voor de huidige regering heeft, antwoordt hij: ‘We zijn gesprekken begonnen over de toekomst van het land.’ Na enig aandringen, vervolgt hij: ‘Hoewel we geen alternatief voorstel hebben, bestaat er binnen de oppositie wel een consensus over de basisbehoeften: rechtvaardigheid, en gelijke toegang tot onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen.’ Meer diepgang krijgen we er niet uit. De vloek die over Haïti hangt, lijkt nog lang niet uitgewerkt.

Randinformatie

EEN PROFETISCHE THESIS
Jean-Bertrand Aristide werd ook in Vlaanderen bekend als priester die zich engageerde voor de allerarmsten in Haïti. Hij speelde een centrale rol in de val van de Duvalier-dictatuur in 1986, maar wordt 18 jaar later verweten zelf verslaafd te zijn aan de macht en betrokken bij de corruptie die de samenleving ondermijnt.

In Remise en question de la Mission de la Croix à la Croix-des-Missions, de licentiaatsthesis uit 1979 van de seminarist-psychologiestudent Aristide, staan behartigenswaardige dingen over bewustwording en verdrukking. Het verhaal gaat dat de drie exemplaren van deze thesis in een brand van de universitaire bibliotheek zouden zijn gebleven, maar minstens één van de exemplaren is wel degelijk nog intact. Over de Haïtianen schrijft Aristide dat ze sinds eeuwen ‘met illusies gevoed worden door de fopspeen van de aanvaarding.’ (blz. 207) ‘Na de afschaffing van de slavernij is de meester veranderd, maar de structuur blijft voortbestaan.’ (blz. 208) De onderdrukking is maar mogelijk, schrijft de jonge Aristide, met de hulp van een bepaalde vorm van religie: ‘Vanaf het begin van de kolonisatie heeft de kolonisator geprobeerd de Kerk te manipuleren in het voordeel van het slavensysteem.’ (blz. 208) Aristide waarschuwt ervoor dat mensen die erin slagen te ontsnappen uit de onmetelijke armoede meteen ‘de nieuwe uitbuitende klasse gaan vormen, soms nog wreder dan de echte burgerij.’ (blz. 209). Vooral dat laatste lijkt anno 2004 een akelig juiste voorspelling van zijn eigen levensloop te zijn. ‘De angst om terug te glijden naar de diepten waaruit ze net ontsnapt zijn, maakt hen bijzonder ambitieus’ vervolgt hij. ‘En de behoefte om het verleden te vergeten, brengt hen ertoe hun nare herinneringen weg te duwen en hun misprijzen voor de onderdrukte klasse te tonen.’

In zijn thesis schrijft Aristide dat een bevrijdende geloofspraktijk noodzakelijk is om die cyclus van onderdrukking en aanvaarding te doorbreken. Zijn conclusie eindigt met de slogan ‘Ja aan de vrijheid! Nee aan zombificatie!’ (blz. 210) Die verwijzing naar het gebruik van de zwarte kant van de voodoo, waarbij mensen hun eigen wil verliezen en onderworpen worden aan kwade krachten, komt ook als een boemerang terug in het gezicht van de president. Hij maakte van voodoo immers een officiële religie, en nogal wat progressieve kerkmensen vinden dat hij vandaag doet wat hij de Kerk 25 jaar geleden verweet: ‘Jezus aanroepen zonder zich bewust te zijn van de revolutionaire draagkracht van zijn evangelie.’ (blz. 206)

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift