Meisje in brand

Geweld tegen vrouwen blijft vaak een statistiek, zeker als de slachtoffers in een land als Guatemala wonen. Tot zo’n vrouw voor je zit en haar verhaal vertelt. En ze blijkt maar zestien. Meghann Farnsworth verloor haar onschuld in Guatemala Stad. Ze vertelt hoe het gebeurde.
Ik was de volwassene, een 25-jarige studente journalistiek op mijn eerste buitenlandse reportagereis. Zij was het kind, een meisje van zestien, te groot voor de poppen, te klein voor de kerels. Ik had de vertaler, de chauffeur die buiten wachtte, een hotelkamer in de veilige buurt van de stad, een ticket voor mijn terugvlucht over drie dagen. Zij had haar moeder die nerveus door de wachtkamer ijsbeerde, een stapel tests voor seksueel overdraagbare ziektes, een huis in een gewelddadige buurt, een huis dus waar ze nauwelijks buitenkwam, en een van de gevaarlijkste bendes van Guatemala Stad die haar leven bedreigde als ze zou spreken.
 
Een journalist moet vragen stellen, dat wist ik. Mijn journalistieke opleiding had me ook ingeprent dat het belangrijk is om kleur toe te voegen, details te geven en scènes op te roepen. En artikels moeten geschreven worden in een gezaghebbende, zelfzekere toonaard. Dat is allemaal mooi en waar, maar wat moet een verslaggever -akkoord, in mijn geval een jonge verslaggeefster- als ze geconfronteerd wordt met een bron die zo kwetsbaar en getraumatiseerd is als dit meisje?

Het toenemende geweld tegen vrouwen in Guatemala Stad, daarover zou ik een stuk schrijven en daarvoor was ik dus hier. Ik kende mijn onderwerp, had de literatuur doorgenomen, kende de overheidsrapporten en volgde de lokale, dagelijkse berichtgeving. Maar niets van dit alles had me kunnen voorbereiden op de realiteit waarin ik me bevond. Berichten over geweld betekent namelijk dat je blootgesteld wordt aan zijn eindproduct: het slachtoffer, dood of levend.
Twee weken Guatemala. Lijkenhuizen bezoeken, begraafplaatsen, aanklagers, politie, mensenrechtenadvocaten, lijkschouwers, een vrouwenvluchthuis, families van slachtoffers. Een litanie van gruwelen die door mijn hoofd maalt. Bijna zeshonderd Guatemalaanse vrouwen vermoord in 2006, volgens de nationale politie. Dat is net geen twee per dag. Slechts zeven mannen belandden achter de tralies voor het vermoorden van vrouwen vorig jaar. Getuigen voor deze misdaden worden tot stilzwijgen bedreigd. Huishoudelijk geweld is nog steeds legaal. Lichamen worden eenzaam begraven, naamloos, zonder familie, zonder gebeden.
 
Het is pas als je een man, een vrouw, een kind onder de grond ziet verdwijnen zonder zerk of identiteit dat je beseft hoe eenzaam een lichaam kan zijn in deze wereld. Maar hier was ik en hier was zij: al het geweld, al de statistieken en één kind. Eén kind en, als ik helemaal eerlijk ben, was ik daar juist bang van: haar verhaal was zo krachtig dat het mijn beschermde, Amerikaanse ik dreigde te overweldigen.
 
We praatten met elkaar in een kleine kamer van het vrouwenhuis in het hart van Guatemala Stad. Bij het begin van het interview was ik nog behoorlijk zelfzeker, maar al snel merkte ik dat mijn stem onherkenbaar zacht geworden was, moederlijk. Ik was me uitermate scherp bewust van het feit dat ik mijn zelfzekere en gezagsvolle journalistenstem had laten vallen uit schrik dat het meisje zou breken. Elke vraag die ik stelde -Wie heeft je dit aangedaan? Naar welke gevangenis werd je gebracht? Hoe lang hielden ze je daar? We deden ze met je? Ging je naar de politie?- duwde haar dieper in haar nog verse pijn. En toch -en dat was het meest verontrustende van alles- beantwoordde ze elke vraag met dezelfde vlakke stem, alsof zij de verslaggeefster was en haar onderwerp zo saai als een weerbericht:
 
Ze kleedden me uit. Hielden me vast. En dan verkrachtten ze me. Tien mannen. Dan nog tien. Dan nog tien.
Troosten journalisten hun onderwerpen? Dat kon ik me niet herinneren van mijn lessen journalistiek. Worden journalisten zo zenuwachtig? Ik kon me niet herinneren dat mijn professoren het daarover gehad hadden. Was ik te ver gegaan?
 
Ik bleef maar denken dat elke vraag ongepast was, te persoonlijk. Ik zei haar dat ze er op elk moment mee kon ophouden. Dat ze kon weggaan. Dat ze zaken off the record kon vertellen. Een vraag niet beantwoorden. Ik zei dit allemaal vroeg in het gesprek, bijna als een gebed. Misschien probeerde ik haar te doen stoppen. Voor mijn eigen geestelijke gezondheid: wilde ik echt het antwoord kennen op deze vragen? Misschien wilde ik haar ook beschermen tegen de media, tegen mezelf. Wist ze wat ze aan het doen was? Weten bronnen eigenlijk ooit wel helemaal waarmee ze bezig zijn? En wie was ik dan wel -het tolde van de vragen in mijn hoofd- een parachutejournalist die in de asse van het Guatemalaanse geweld sprong er om er deze parel van een verhaal uit te halen, dit perfecte voorbeeld van de onverschilligheid van deze maatschappij voor het lot van zijn vrouwen?
 
Ik weet niet of het vanuit journalistiek standpunt de juiste reflex was om haar te waarschuwen, vanuit menselijk standpunt leek het in elk geval de enig juiste reactie. Ze riskeerde haar leven door met mij te spreken en de enige bescherming die ik kon bieden was haar anonimiteit.
 
Uiteindelijk beantwoordde ze elke vraag. Graag zelfs. En met elke uitspraak leek ze moediger te worden.
 
Ik wil dat dit gedrukt wordt. Vertel mijn verhaal. Publiceer het in het Spaans zodat ze het weten dat ik alles verteld heb.
Zij was, natuurlijk, slechts één meisje, één verhaal van de honderden, duizenden. En, uiteraard, straffeloosheid voor verkrachting is niet een exclusiviteit voor Guatemala. Het gebeurt in elk land van de wereld. Maar zij was het die tegenover mij zat. En haar verhaal was allesbehalve een cliché: ze werd gekidnapt door gewapende mannen en ze werd naar een beruchte gevangenis voor bendeleden gebracht -dit kleine meisje van zestien- en daar werd ze urenlang verkracht door tientallen bajesklanten.
 
De methodische manier waarop ze de details reciteerde, was verbijsterend: een beschrijving van wat ze droeg die dag -haar favoriete jurk; het kussen dat op haar gezicht gedrukt werd om haar schreeuwen te dempen; het papier dat ze uit haar schoolboeken scheurden om wiet te roken; haar pijnlijke, geschramde, gekwetste lichaam; de twee bussen die ze nam en de kilometers die ze moest stappen om thuis te geraken; de ene cipier die ze zag, één maar, op de weg naar buiten.
 
Welke misdaad had ze begaan om deze straf te verdienen? Opgroeien in een buurt die geregeerd wordt door bendes. Vriendelijk geweest met een van de gevangenen. Hem vertrouwd terwijl ze dat niet had mogen doen. Een wat eenzame tiener geweest die, naïef, geloofde dat hij voldoende zou hebben aan een gesprek met haar, terwijl ze had moeten weten dat hij meer verlangde. En toen ze dat niet gaf, liet hij haar kidnappen. Hij, en iedereen rondom hem, zou haar bezitten, of ze dat nu wou of niet.
 
Zo’n verhaal zou onvermijdelijk nagetrokken worden. Ongeloofwaardig genoemd worden. Ik had zaken nodig waarvan ik bijna zeker was dat ze me die niet zou geven. Ik vroeg de naam van de man die haar liet kidnappen. Ze noemde hem. Ik vroeg of ik haar naam kon publiceren. Ze gaf haar toestemming.
 
De advocaten van het vrouwenhuis werken aan haar zaak. Haar therapeut gaf me details van haar wekelijkse behandeling. Kort na de verkrachting onderging ze een lichamelijk onderzoek in een ziekenhuis. De openbare aanklager wordt geacht een onderzoek in te stellen, al lijkt daar geen haast bij te zijn: de hoofdverdachte is intussen vrijgelaten uit de gevangenis.
 
Journalisten zijn, per definitie, geprivilegieerde mensen. Wij duiken in de levens van onze onderwerpen en laten hen daarna altijd achter. Wij vragen volkomen onbekenden dat ze ons hun meest intieme, persoonlijke en beschamende geheimen toevertrouwen. In ruil vertellen wij hun verhalen. Om het in deze job vol te houden, moet je een bijna religieus geloof hebben in het rechtvaardige karakter van wat we doen.
 
Ik zie ons getweeën nog zitten. Ik: baggy jeans, stoere klompen, hemd met lange mouwen. Zij: uitdagend laag uitgesneden, loszittend wit topje, nauw zittende jeans, open, zwarte stiletto’s. Het klopte niet, maar dat moest ook niet. Het was een perfecte rolverwisseling. Haar kleren waren de spreekwoordelijke middenvinger naar de mannen die, zei ze, haar verkracht hadden. Mijn kleren waren een poging om ongevraagde seksuele aandacht te voorkomen.
 
Ik was onder de indruk van haar moed om met mij te spreken. Tegelijk toonde ze met diezelfde kracht dat dit meest recente trauma maar een van de vele was die ze in haar jonge leven al had opgelopen. Wat voor mij een litanie van gruwelen was, was haar dagelijkse realiteit.
 
Ik heb geen spijt van mijn zenuwachtigheid, mijn waarschuwingen, mijn geschoktheid, de tranen die ik huilde toen ik terug in mijn veilige hotelkamer was. Tot vandaag blijft zij meer dan de woorden die ik op papier zette. Zij was het verliezen van mijn onschuld. Mijn ware scholing.
 
Hierbij dan enkele instant waarheden over journalistiek van een voormalige beginneling. Eén: er zijn bronnen die je niet objectief kunt bejegenen. Hun kwetsbaarheid, hun verhaal, hun noden maken hen echt verschillend van andere bronnen. Twee (surprise!): journalisten zijn menselijk. Als iemand je haar verhaal over verkrachting, misbruik of andere brutaliteiten vertelt, kan haar heel reële trauma zonder dat je er erg in hebt overgedragen worden op jou. Het is als passief roken. Je moet zelf geen sigaretten roken om toch de kanker te krijgen. Ten slotte: ook als journalist kom je op een dag iemand tegen die je achter moet laten. Je moet verder, naar het volgende verhaal. In haar geval, echter, deed dat pijn.
 
Drie dagen later liet ik haar achter. Sinds ik met haar sprak, is ze verhuisd naar een onderduikadres. De bedreigingen zijn toegenomen sinds haar verkrachter de gevangenis verlaten heeft. Het personeel van het vrouwenhuis dat haar helpt, ontvangt ook bedreigingen. Uit angst voor haar leven heeft ze de aanklacht tegen de man die haar liet ontvoeren en die haar verkrachtte, laten vallen. Ik heb er geen idee van wat ik voor haar betekend heb, maar ik weet heel goed wat ik van haar leerde: er is de journalistiek die je studeert, en dan is er de journalistiek. Mogen we met zijn allen dat laatste nastreven.

 
Meghann Farnsworth studeert aan UC Berkeley’s School of Journalism. Ze schrijft een hoofdstuk over geweld tegen vrouwen in Guatemala voor het boek Forgotten Battlefields: What Happened to Central America After the United States Left?


Overgenomen met toestemming van www.TomPaine.com

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift