Wedloop op biobrandstoffen

Meer dan twee miljoen hectare. Dat is de oppervlakte van westers gefinancierde plantages voor energiegewassen in Afrika. De investeerders in biobrandstoffen hebben van 12 tot 15 april rendez-vous in Johannesburg voor de jaarlijkse African Biofuels conferentie. Ze debatteren er over hun businessperspectieven in Afrika, het toekomstige eldorado voor het groene goud. Worden de Afrikanen daar ook beter van?
Er moet dit jaar een nieuw klimaatakkoord komen om het aflopende Kyoto-protocol te vervangen. Zowel kleine investeerders als olie- en agro-giganten geloven dat energiegewassen binnen dat nieuwe akkoord aan belang zullen winnen. Ze schuiven met contacten en kapitaal op het Afrikaanse schaakbord, in de hoop op grote winsten. De energielandbouw krijgt echter nu al vaak het verwijt dat hij een nieuwe kolonisering van Afrika inluidt.
De Europese Unie wil tegen 2020 tien procent van haar petroleumverbruik vervangen door “groene” brandstoffen. De Verenigde Staten mikken op vijftien procent tegen 2017. Om die ambities waar te maken zullen beide economische grootmachten een aanzienlijk deel van die biobrandstoffen moeten invoeren. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) schat dat de toenemende vraag naar biobrandstoffen over twintig jaar zo’n 53 miljoen hectare landbouwgrond wereldwijd kan innemen.

Drie Belgische spelers


Volgens het Copernicus Instituut aan de Universiteit van Utrecht heeft Afrika grote troeven om de grootste leverancier van landbouwenergie te worden. Het continent beschikt met 807 miljoen hectare over het grootste deel van het vruchtbare land van de planeet én de arbeidskracht is er goedkoop.
Om de ontwikkeling van energielandbouw in Afrika te stimuleren, verlaagden of schrapten zowel de EU als de VS de invoerrechten op biobrandstoffen uit Afrikaanse landen –ze worden gewoon behandeld als andere landbouwproducten.
De Europese Commissie maakte onlangs 200 miljoen euro vrij om projecten voor duurzame energie in Afrika te financieren. Het grootste deel van de investeringen gebeurt in de sector van de biobrandstoffen. Dé vraag is of deze energie-opportuniteit voor de rijke landen tegelijk ook een ontwikkelingskans voor de lokale bevolking inhoudt.
In Afrika lopen vandaag minstens zeventig biobrandstof-projecten in 28 landen, gefinancierd door een veertigtal Amerikaanse en Europese investeerders. Samen zijn deze projecten goed voor meer dan twee miljoen hectare. Op het schaakbord van de “groene toekomst” nemen deze westerse investeerders het op tegen veroveraars uit Brazilië, Saoedi-Arabië en Aziatische groeilanden. De Chinese projecten in de Congo en Zambia zouden wel 4,5 miljoen hectare kunnen beslaan.
België is in deze wedloop vertegenwoordigd door drie grote spelers:
  • Felisa (een pionierbedrijf in de jatrophateelt in Tanzania –jatropha is een struik die niet-eetbare maar olierijke vruchten voortbrengt, ideaal voor de productie van biodiesel),
  • Alcogroup (eerste Europese invoerder van bio-ethanol, aanwezig in Zuid-Afrika en Mauritius) en
  • Socfinal (dat palmolieplantags uitbaat in Kameroen). Een filiaal van Socfinal, Socapalm, toonde zich in 2007 op een biobrandstoffenconferentie in de Burkinese hoofdstad Ouagadougou geïnteresseerd in de markt van de biodiesel. Het heeft intussen ook al lokale proeven gedaan.

Om van de experimenteerfase over te gaan op de commercialiseringsfase, moeten de bedrijven de bewerkte oppervlakte gevoelig uitbreiden. Het bedrijf Felisa heeft in Tanzania voorlopig vijfduizend hectare in cultuur gebracht. Maar het wil uiteindelijk veertig miljoen liter biodiesel per jaar produceren. Volgens de in Kenia gevestigde ngo African Biodiversity Network (ABN) heeft Felisa daarvoor zijn oog laten vallen op 60.000 hectare extra. ABN vreest dat de onteigening van deze collectieve landbouwgronden gepaard zal gaan met het verdrijven van de lokale boeren.
Felisa is overigens niet alleen. De Britse bedrijven Sun Biofuels en ESV Biofuels, de Nederlandse BioShape en Diligent, het Amerikaanse Wilma, het Zweedse Sekab, de Duitsers van Prokon… samen hebben een veertigtal investeerders honderdduizenden hectare palmolie, jatropha (voor biodiesel) en suikerriet (voor bio-ethanol) in cultuur. Dat leidt tot toenemende spanningen.
In oktober 2009 meldde de Keniaanse krant The East African dat meer dan 5000 rijstboeren van hun grond verjaagd dreigden te worden. Geconfronteerd met het algemeen verzet, besliste de regering enkele dagen later om alle investeringen in het energiegewassenproject te bevriezen en voorlopig geen land meer toe te wijzen aan nieuwe buitenlandse investeerders.

Jathropa als antwoord


De situatie in Tanzania illustreert perfect het dilemma waarin veel Afrikaanse landen zich bevinden. Ze willen enerzijds mee profiteren van de beloften die energiegewassen inhouden, anderzijds willen ze de belangen van de lokale gemeenschappen ook verdedigen. De nieuwe bedrijfstak zou in het beste geval ook kunnen zorgen voor een lagere oliefactuur, terwijl er zich rond de biobrandstoffen een broodnodige exportindustrie zou kunnen ontwikkelen.
 ‘Biobrandstoffen kunnen zorgen voor een landbouwrenaissance, het grondgebruik nieuw leven inblazen en zorgen voor een verbetering van de middelen om te overleven op het platteland’, bevestigt Lorenzo Cotula van het International Institute for the Environment and Development (IIED) in Londen. De ervaring in sommige West-Afrikaanse landen bevestigt die opportuniteiten.
In Mali, bijvoorbeeld, gebruikt men kleine, familiale jatropha-aanplantingen om een ruraal elektriciteitsnetwerk op te bouwen. Cotula: ‘Of de komst van energiegewassen positief of negatief is, hangt voor een groot deel af van de rechtszekerheid van het bestaande grondbezit. De snelle verspreiding van de commerciële productie van energiegewassen kan resulteren –en resulteert reeds– in de verwijdering van de armsten van de grond waarvan ze afhankelijk zijn.’
Dat probleem heeft zich alvast voorgedaan in Mozambique, waar het Britse bedrijf CAMEC/BioenergyAfrica een groot bio-ethanolproject van 30.000 hectare runt onder de naam Procana. Dit project heeft geleid tot de verdrijving van meer dan duizend families, die nog altijd in een gevecht om schadeloosstelling gewikkeld zijn. In Ghana probeerde het Noorse Biofuel Africa zelfs gebruik te maken van het systeem van traditioneel collectief grondbezit om de hand te leggen op een gebied van 38.000 hectare.
‘Het bedrijf eiste het legale eigendom van het gebied op nadat het een ongeletterde lokale chef ertoe gebracht had zijn vingerafdruk te zetten onder een verklaring van afstand van het grondgebied’, vertelt Bakari Nyari, ondervoorzitter van de Ghanese ngo Rains. Na het juridische gevecht dat op zijn démarche volgde, moest het Noorse bedrijf uiteindelijk van zijn opzet afzien.
Deze tegenslag belette Biofuel Africa, dat nog 6600 hectare bezit, niet om in oktober 2009 toch van start te gaan met de eerste commerciële jatropha productie-eenheid in West-Afrika. Jatropha, zo zweren de investeerders, groeit makkelijk op marginale, weinig vruchtbare en droge grond. Daarmee lijkt de industrie een antwoord te geven op de kritiek die ze te verwerken kreeg tijdens de acute voedselcrisis van 2008.
De Wereldbank schatte toen dat de bio-energie-industrie verantwoordelijk was voor 75 procent van de voedselprijsstijgingen. De toenemende vraag naar granen en landbouwgrond voor voedsellandbouw en energiegewassen jaagt de prijzen de hoogte in. Dat probleem, stelt de industrie, doet zich niet voor met jatropha. Een kwart van alle “marginale gronden” ter wereld bevindt zich in Afrika, en dus kan de biodieselindustrie er rustig groeien zonder in competitie te treden met veeteelt of landbouw.
Nochtans is de cultivatie van jatropha op grote schaal niet zonder gevaren. Om het rendement van de investeringen te verhogen schrikken sommige investeerders er immers niet voor terug om meteen ook de meer vruchtbare gronden te annexeren. De ngo Friends of the Earth schrijft in een rapport van mei 2009: ‘In Swaziland hebben ngo’s meerdere gevallen vastgesteld van boeren die verkiezen jatropha te telen onder contract met de Britse bedrijven D1 Oils en BP, in plaats van eetbare gewassen te telen.’
En de Ethiopische ngo Melca Mahiber stelt dat, tot dusver ‘bijna alle energiegewassen geteeld worden op vruchtbare grond of in voormalig bosgebied’. Een Brits bedrijf zou zijn plantage op marginale gronden ingewisseld hebben voor een plantage op vruchtbaar land, waar het ook kon profiteren van gunstige regenpatronen.
Bovendien, zegt het International Institute for the Environment and Development (IIED), zijn veel van de marginale gronden, die beschikbaar zijn voor investeerders, in feite levensnoodzakelijke hulpbronnen voor het overleven van groepen nomaden, herders of ontheemden die er hout of wilde vruchten verzamelen.

Dé vraag is of deze energie-opportuniteit voor rijke landen een ontwikkelingskans voor de lokale bevolking inhoudt.
Oncontroleerbare expansie


Om de rendabiliteit van hun investeringen te verzekeren, rekent de agro-energielobby op een herziening van het Kyoto-protocol dat in 2012 afloopt. De klimaattop in Kopenhagen was een struikelende stap in het lange proces dat finaal tot een nieuw akkoord voor de beperking van de uitstoot van broeikasgassen moet leiden. De belangrijkste werf in dat proces is de hervorming van de Clean Development Mechanisms (CDM’s).
Dankzij dat mechanisme verwerven bedrijven uit industrielanden koolstofkredieten als ze in ontwikkelingslanden investeren in projecten die de uitstoot van CO2 beperken –zoals het aanplanten van bossen. Die kredieten kunnen ze daarna doorverkopen aan bedrijven die daaraan behoefte hebben om de vervuiling die ze veroorzaken te compenseren.
Er liggen nu voorstellen op tafel die de definitie van het aanplanten van bossen zouden uitbreiden tot alle soorten plantages, inclusief de energiegewassen. De consequentie daarvan zou zijn dat een controversieel project als dat van het Italiaanse energiebedrijf ENI –waardoor 70.000 hectare woud vervangen zou worden door oliepalmen– in aanmerking zou komen als CDM.
Indien de hervorming deze richting uitgaat, kunnen de investeerders niet enkel winst maken op de uitvoer van biobrandstoffen, maar ook op de massale verkoop van koolstofkredieten aan de VS en Europa. Het Canadese bedrijf Carbon2Green heeft recent een aanvraag ingediend om zijn jatrophaproject in de Democratische Republiek Congo te laten erkennen voor het verkrijgen van koolstofkredieten. Indien dit toegestaan wordt, zal dit project het eerste in zijn soort zijn dat geld oplevert op basis van CDMs.
De hele koolstofkredietenhandel dreigt ook voor een oncontroleerbare expansie van de energiegewassen te zorgen. ‘De beschikbare middelen zullen vooral naar industriële monoculturen gaan, terwijl de kleine producenten erg weinig kans maken om er mee van te profiteren’, stelt een publicatie van september 2009 van de Britse vereniging Biofuel Watch.
Het IIED doet daar nog een schepje bovenop: zoveel te winstgevender de energiegewassenhandel wordt, zoveel te meer mensen, middelen en gronden er naar deze sector zullen gaan. Op een bepaald moment zal dan de vraag gesteld worden hoeveel grond en hoeveel boeren er nog beschikbaar zijn om voor voedsel te zorgen. De vrees dat de energiegewassen een negatieve impact zullen hebben op de voedselzekerheid van de Afrikanen duikt daardoor met vernieuwde urgentie opnieuw op.
Is het mogelijk om tezelfdertijd de honger te bestrijden –waarvan bijna 265 miljoen Afrikanen het slachtoffer zijn– én de opwarming van het klimaat, én in een beweging ook nog de economieën van de rijkste landen te stimuleren? En als er gekozen moet worden, wie gaat die keuze dan bepalen en in wiens voordeel zal die keuze uitvallen? Als de conferenties van eind 2009 een teken aan de wand zijn, dan ziet het er niet goed uit. De grootmachten vonden het niet nodig om naar Rome te reizen in november om de Voedseltop bij te wonen. Maar ze waren in december wel in Kopenhagen om te discussiëren over de ‘groene’ koolstofkredietenhandel.
www.AfricaReportingProject.org

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift