Column

De maand van Dieter Meeuwis

De eik en de wijk

Smiling person in a striped shirt against a textured background with green abstract shapes and squiggly lines.
Smiling person in a striped shirt against a textured background with green abstract shapes and squiggly lines.

Wat is overvloed?, vraagt MO*columnist Dieter Meeuwis zich af. ‘Het is geen toestand die je passief bereikt, maar een gewoonte. Delen wat er is, berusten in wat komt.’

Filosoof René Girard stelde dat we dingen niet uit onszelf begeren, maar omdat we een ander ze zien begeren. Dubai is de fysieke architectuur van die kopieerdrang: een stad gebouwd rond de perfecte feed. Alles is er groter, schitterender en duurder. Maar hoe minder de inhoud, hoe harder de schreeuw om aandacht.

Die stad functioneert bovendien als een ecologisch zwart gat. Ze zuigt kapitaal, energie en grondstoffen naar zich toe, aangedreven door een digitale machine die onze behoefte nooit stilt.

Dubai schept de illusie van totale autonomie, terwijl haar schijnovervloed een extreme kwetsbaarheid maskeert. Ze hangt aan een infuus van ontzilt zeewater, geïmporteerd voedsel en permanente klimaatregeling. Valt de stroom uit, dan sterft de oase.

Een organische stad als Rome of Parijs kan krimpen, lijden onder een crisis, tijdelijk zonder elektriciteit vallen en toch blijven bestaan, omdat ze rust op een diepere sociale bedding. Dat is wat we antifragiliteit noemen, of een immuunsysteem. Dubai heeft enkel een machinekamer met permanente honger.

Dubai oogt riant en ís imposant, maar schijn bedriegt: consumptie is geen overvloed. Want ergens onderweg zijn we overvloed gaan verwarren met overdaad, terwijl het oorspronkelijk stond voor veiligheid, rust, tijd en toegang tot grond.

Wie leert dat geluk gelijkstaat aan méér, leeft in een permanente staat van tekort.

Genoeg hebben was synoniem met rijkdom. Pas toen de industriële revolutie ervoor zorgde dat productiecapaciteit de basisbehoeften oversteeg, werd het noodzakelijk om ons verlangen zelf kunstmatig uit te breiden.

Wanneer het verlangen kantelt

In die kunstmatige uitbreiding van ons verlangen werd het schaarstedenken geboren. Want wie leert dat geluk gelijkstaat aan méér, leeft in een permanente staat van tekort. Schaarstedenken is de psychologische motor van de consumptiemaatschappij. Het dwingt ons tot neurotische rusteloosheid, omdat de eindstreep telkens opnieuw wordt verlegd.

Aan de uiterste rand verschijnt iets nieuws: verspilling als statussignaal. Een Lamborghini die voor de camera in beton wordt gegoten, een handtas die in vlammen opgaat zijn geen excessen van het systeem. Status wordt niet langer ontleend aan wat je hebt, maar aan wat je je kunt veroorloven te vernietigen. Een cultuur die zulke gebaren als toppunt van vrijheid beschouwt, heeft de relatie met het levende verloren.

De natuur kent geen verspilling. Wat het ene organisme afdankt, voedt het volgende. Een blad valt en wordt grond. Een dier sterft en wordt voedsel. Niets verlaat de cyclus.

De wet van de regeneratie: delen is de beloning

In culturen waar gastvrijheid nog vanzelfsprekend is opent men de deur om te delen wat er is, in plaats van te hamsteren uit angst voor tekort. Aan die gastvrije tafel wordt een eenvoudige wetmatigheid zichtbaar. Wie vertrouwt dat er genoeg is, kan geven. Wie gelooft in schaarste, sluit zich op.

Een tuin raakt niet uitgeput als je hem verzorgt. Hij geeft juist steeds meer. Kennis verdwijnt niet wanneer je haar doorgeeft. Zo worden ook vertrouwen, gastvrijheid, liefde en gemeenschap niet kleiner doordat ze circuleren, maar juist sterker.

Overvloed is geen toestand die je passief bereikt, maar een gewoonte. Delen wat er is, berusten in wat komt. Delen wordt zo de beloning zelf. Rijkdom ontstaat niet door vast te houden, maar door opnieuw in beweging te brengen. Wat stroomt, leeft. Wat alleen ophoopt, verstikt zichzelf.

De natuur als grenzeloze gever

Een gezonde natuur is geen garantie voor een gastvrije mens, maar wel een voorwaarde. Wie dagelijks ziet dat de natuur groeit, dat een bodem voedt, dat alles krachtiger terugkomt na de winter, leeft in een wereld waarin overvloed waarneembaar is.

Wie alleen nog asfalt, monocultuur en uitputting om zich heen ziet, leert het tegenovergestelde. De relatie met de grond bepaalt niet wat we doen, maar wel wat we voor mogelijk houden.

Menselijke gift-economieën stoten altijd op een grens. Vertrouwen is schaalafhankelijk. Je kunt vijftig mensen kennen, geen vijftig miljoen. Daarom is er altijd een binnen en een buiten, en daarmee de mogelijkheid van uitsluiting.

De natuur kent dat probleem niet. Een bos sluit niemand uit, een rivier vraagt geen lidmaatschap, een bodem voedt elke wortel die hem raakt. Sterker nog: een gezonde natuur dijt uit en vertakt zich. Elke fase maakt meer leven mogelijk dan de vorige.

De eik en de wijk

Een eik is geen boom. Het is een ecosysteem dat zich als boom vermomt. Onder de grond verbindt hij zich via schimmeldraden met tientallen andere planten, wisselt suikers uit tegen mineralen en stuurt waarschuwingssignalen bij droogte of ziekte.

Boven de grond biedt hij nestgelegenheid aan meer dan driehonderd insectensoorten, voedsel aan eekhoorns, mezen en spechten, en schaduw aan wat onder hem groeit. Zijn gevallen bladeren verrijken de bodem voor de volgende generatie.

Hij geeft meer dan hij neemt en wordt sterker van tegenslag. Storm snoeit hem, droogte dwingt zijn wortels dieper.

Ook een sociale woonwijk heeft haar verborgen netwerken. De buurvrouw die weet wie ziek is. De man op de hoek die altijd een gereedschap over heeft. Het groepje moeders dat informeel opvangt. Die verbindingen lijken onzichtbaar, maar ze zijn de eigenlijke infrastructuur.

Juist wijken die geleerd hebben met weinig veel te doen, die improviseerden waar de overheid het liet afweten, zijn niet vergeten hoe je deelt. Ze bezitten wat geen investeerder kan kopen en geen beleidsnota kan opleggen.

De vijand van de wijk is ontwrichting van het weefsel. Door sloop, door gentrificatie, door projecten die over de hoofden van bewoners worden uitgerold, door publieke ruimte die om de paar jaar opnieuw wordt opengebroken. Een wijk vraagt dus om iets wat zich slecht laat plannen: tijd, continuïteit, zorg, ontmoeting, natuur, vertrouwen. Geen masterplan kan dit produceren, maar elk slecht plan kan het breken.

Gemeenschap groeit niet in subsidiecycli van twee jaar, niet in pilots die nooit verlengd worden, niet in heraanleg die elke legislatuur opnieuw begint. Ze heeft plekken nodig waar relaties kunnen terugkeren, zich verdiepen en vertakken.

De eik en de wijk vragen enkel om ruimte, tijd en bescherming tegen alles wat hun verbindingen telkens opnieuw doorsnijdt. Laat het potentieel groeien in relaties, in het bodemleven, in onverdeelde aandacht, in kleine vormen van wederkerigheid. Dan zul je zien.

Alles is er al. Altijd al.

Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox

Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld. 

Tags