De grootste vrijheid die we hebben is om te handelen als burger
“‘Misschien is de liefde het huis’


Cynisme, zelfgekozen blindheid en zoveel schuldig verzuim... Het is niet eenvoudig om niet de hele zomer kwaad te zijn, schrijft MO*columnist Jan Mertens. ‘Maar misschien helpt het om de liefde te zien. Ook in afwezigheid kun je vinden, kun je zijn.’
Enkele dagen geleden mocht ik aanwezig zijn bij de uitvaartdienst voor de papa van een dierbare vriendin. Het was voor mij een verstillend intense ervaring. Er was zoveel liefde in de ruimte. Uit alle verhalen, uit de manier waarop de familieleden en vrienden aanwezig waren, uit de warmte die als heel lichamelijk aanvoelde, kwam een ervaring van een bijzondere man die in de wereld een plek van liefde had gemaakt. Het ontroerde me heel diep, en maakte me op een bepaalde manier ook heel erg klein en kwetsbaar.
Op weg naar huis, in de bus, dacht ik na over de liefde. Liefde is een ingewikkeld woord voor mij, hopelijk is het voor anderen anders. Het is niet eenvoudig om getuige te mogen zijn van hoe het wél kan zijn, en tegelijk is het ook een groot geschenk.
Ondanks veel goede bedoelingen kunnen families – zo leerde ik in mijn leven – soms niet vermijden dat ze net te veel pijn en verdriet doorgeven door de tijd. Je leert ernaar te kijken en in het nu te blijven.
Het lichaam herinnert zich de dingen, en op een bepaalde manier zal ik altijd ontheemd zijn, plekloos. En soms ook gewoon niet in staat te zien of echt te voelen wat er wel is.
En terwijl het landschap voorbij schoof, vroeg iets in mij zich af of ik wel een goede vriend ben of kan zijn. Of ik wel genereus genoeg ben in mijn liefde, of ik niet vooral faal in wat ik zou kunnen en moeten zijn voor anderen.
(De bus is blijkbaar een goede plek voor interne dialogen…)
Als ik me probeer voor te stellen hoe het ook kan zijn, dan zie ik hoe mensen in hun lichaam een plek kunnen hebben waar een warme, veilige en onvoorwaardelijke liefde huist. Die plek is een soort thuishaven, zo stel ik me dat voor. En misschien ook wel een soort grammatica, die helpt om te leren aanraken en aangeraakt te worden.
In mijn lichaam zit er op die plek iets als een groot gat, het is een niet-plek. Dat is een beetje droevig, maar het is ook gewoon. En wat is, is in beweging, zegt de boeddhist in mij.
Deze zomer lijkt een permanente déjà vu, waardoor ik nu in de echte wereld meemaak wat ik jaren geleden al in mijn hoofd heb beleefd.
Ik denk dat je het voorzichtig kunt leren, om te zijn in afwezigheid. Het is als een trage dans, in een ruimte die misschien altijd onkenbaar zal zijn, maar het is wel een dans. En misschien is dansen een vorm van aanwezigheid, blijven in plaats van vluchten, en kan dansen helpen om te zien wat er de hele tijd al was, ook al herkende je het niet.
En misschien is er liefde in wat je doet, ook al faal en stotter je.
Ik dacht aan deze merkwaardige zomer, die in wezen helemaal niet zo merkwaardig is. Hij was voorspeld. Hij had kunnen voorkomen worden. We hadden veel beter voorbereid kunnen zijn op de gevolgen. We kunnen er nog altijd veel uit leren om het lijden de volgende jaren te verminderen.
Soms is het alsof ik een permanent déjà vu heb, waardoor ik nu in de echte wereld meemaak wat ik jaren geleden al in mijn hoofd heb beleefd. Het is eindeloos frustrerend, en het doet pijn.
En al die hevige dingen die je voelt, je kunt het leren, om aanwezig te blijven, en te kijken. Ook al weet je niet waar in je lichaam je de veiligheid zou moeten halen die je zou kunnen helpen.
In een van die hete nachten schrok ik ineens wakker, ik weet niet hoe laat of vroeg het was. Het enige wat ik voelde was: ‘Ik kan niet ademen!’ (I can’t breathe!)
Er is een acute eenzaamheid in zo’n moment. Bijna een existentiële ervaring. Er is niemand die je hand neemt, je in de ogen kijkt, samen met jou traag ademt en je terug naar een veilige plek brengt. Je lichamelijke impuls zegt iets als: dit is het, nu ga ik sterven.
Ik ging op de rand van mijn bed zitten, zei tegen mezelf dat ik traag en diep moest ademen. Langzaam kwam ik terug in mijn lichaam, hoorde ik de geluiden op straat, zag ik mijn kamer weer.
Onze regeringen hadden kunnen zeggen: ‘Dit is het. Dit is de klimaatcrisis. Laten we samen aan de slag gaan.’
Na een tijdje kwam er een ander besef: dit is het, dit is de wereld waarin ik moet blijven ademen om te kunnen blijven vechten.
Er was het diepe besef dat ik bij de gelukkigen ben, met mijn appartement waar het al bij al vrij koel was. Zoveel mensen zijn de voorbije weken eenzaam gestorven in hun oververhitte woningen of in hun poging te vluchten voor het vuur.
Hoewel ons land het hoogste aantal hittedoden heeft, vinden onze regeringsleiders dat niet eens belangrijk genoeg om het te hebben over de klimaatontwrichting die zich voor onze ogen ontrolt.
Onze regeringen hadden van dit alles gebruik kunnen maken om aan de bevolking te zeggen: ‘Dit is het. Dit is de klimaatcrisis. Laten we samen aan de slag gaan. We hebben ons vergist toen we dachten dat klimaatbeleid een luxe was die we ons niet zouden kunnen veroorloven.’
Maar nee, ze duwden mensen terug naar zichzelf, mensen moeten maar voor zichzelf zorgen, want “we” kunnen niet meer doen. Dat laatste is pertinente onzin natuurlijk.
Door al die kwaadheid duurde het nog even eer ik weer kon slapen, maar het is goed gekomen met mij. Misschien zijn die hevige emoties een teken van liefde, dacht ik, terwijl de bus met elke halte een beetje meer gevuld werd.
In een van die warme weken, de dag na de allerwarmste dag van de week, was het alsof mijn lichaam een klein beetje kon ontspannen na dagen die eerst vooral hyperalert en daarna vooral kwaad waren. Er kwam een intens verdriet over mij, als een grote golf.
Het enige wat mijn lichaam leek te roepen was: ‘Ik kan mijn kinderen niet meer beschermen!’ Ik heb in het echte leven jammer genoeg geen kinderen.
Ik heb wel een dochter die ergens in mijn lichaam woont. Ze heet Julia, en als ik ooit een dochter zou gehad hebben, zou dat haar naam geworden zijn. Ik kan haar voelen in mij, en zo loop ik minder verloren in mijn eigen lichaam en in deze rare wereld. Haar naam verwijst naar mijn grootmoeder Julia, die voor mij wél een plek was waar ik iets van veiligheid en onvoorwaardelijkheid kon voelen.
Tijdens de afwas kwam ineens een heel sterk beeld naar voor. Het enige wat ik verlangde, was om tussen de twee Julia’s te kunnen zitten. Het werd rustig, het was alsof ik mijn lichaam kon zien en voelen, het was alsof ik hen beiden kon aanraken, en alsof ik wou dat zij mij zouden aanraken.
Misschien is er ondanks afwezigheid toch ergens iets als een vader aanwezig in mij. Misschien is dat liefde. En misschien is het dezelfde liefde die ons kan drijven om te handelen in de wereld, waarin we elke dag opnieuw geboren worden.
Ondertussen was de bus aangekomen in het station, en liep ik door de winkelstraat. En ik dacht: eigenlijk kun je uit zo’n moeilijke emotionele momenten leren dat je verbonden bent. Je wezen is verbonden met anderen, met de rest van de natuur, waar we een deel van zijn. Een golf kan je overspoelen, maar eigenlijk ben je zelf een rivier, moet je kunnen zien en voelen hoe je een deel bent van de zee, om te kunnen ademen en vechten.
Misschien liggen pijn en verdriet en kwaadheid dicht bij elkaar, en kunnen ze hun bedding vinden in liefde. Zien dat zo eindeloos veel natuur opbrandt, dat zoveel dieren sterven, ook dat doet pijn.
Zonder de klimaatontwrichting zouden die fenomenen nooit zo’n omvang krijgen. Het doet pijn, omdat we een deel van het web van leven zijn. Leven dat wil leven, dat is misschien wel iets als liefde. De intense pijn die ik voel in het besef dat de zee in zekere zin aan het sterven is, dat je in zowat elke vis die er zwemt microplastics zult vinden, dat de snelle temperatuurstijging van het zeewater zorgt voor toenemende instabiliteit, die wijst er misschien op dat mijn lichaam wel weet wat liefde is, omdat het er een deel van is.
Regeringsleiders die nu nog altijd blijven zwijgen en in de feiten blijven verdedigen dat het Europese klimaatbeleid moet worden afgebouwd, dat maakt me kwaad.
Commentatoren en rechtse politici die nu beweren dat het de schuld is van de groene beweging dat we in de toestand zitten waar we nu in zitten, het maakt me furieus.
Zichzelf belangrijk vindende economisten die – tegen de planetaire werkelijkheid in – blijven beweren dat enkel voluit gaan voor klassieke economische bbp-groei de oplossing is, dat wie dat niet wil inzien dom is, en dat dit dus uiteindelijk de prijs is die we moeten betalen voor onze welvaart, ze doen mijn handen trillen van verontwaardiging.
Mensen die nu vinden dat ze gewoon moeten kunnen vertrekken op vakantie met het vliegtuig naar Spanje, omdat ze er nu eenmaal voor betaald hebben, en omdat ze denken recht te hebben op een mooi uitzicht (dus kunnen die brandweermensen even een beetje opschieten ja!), ik kijk ernaar met open mond.
Er waren zoveel zaken die me kwaad, of zelfs furieus maakten, maar ik zag ook veel liefde voor een wereld waar we deel van uitmaken. Zo kun je het dus ook zien.
Ministers van volksgezondheid die zeggen dat ze toch ‘redelijk tevreden’ zijn na het zien van de hoge sterftecijfers door de hitte, die het woord klimaat zelfs niet over hun lippen krijgen, en die vinden dat “het systeem” goed heeft gewerkt en dat mensen toch ook wel meer voor zichzelf moeten zorgen omdat “we” toch niet meer kunnen doen, ik begin ervan te roepen tegen mijn radio.
Terwijl ik ondertussen in de winkel stond om een brood te halen, was er een stem in mij – die interne dialoog duurde nog altijd voort – die me zei: ‘Zie je het dan niet Jan, misschien is dat wat je voelt de hele tijd wel gewoon liefde. Misschien was het er al, de hele tijd.’
Ik geef mezelf niet zo snel gelijk, zeker niet in dit soort discussies. Maar het hielp wel een beetje. Ik zag ineens zoveel vrienden die net als ik kwaad waren de voorbije weken, mensen die zich al jaren inzetten met grote passie (en soms veel verdriet), mensen die net als ik zo verontwaardigd waren door het cynisme van de ontkenning en de culpabilisering.
En ik zag veel liefde voor een wereld waar we deel van uitmaken. Zo kun je het dus ook zien, dacht ik.
Dat sluit dan misschien wel aan het bij het idee van ‘amor mundi’ bij Hannah Arendt. Dat je ondanks alles kunt houden van de wereld, en dat die liefde tegelijk een oproep is en iets als een veilige plek in jezelf. Het gaat om een toewijding aan een gedeelde wereld, om liefde voor de wereld zoals die is.
De grootste vrijheid die we hebben, zegt Arendt, is om te handelen als burger. Elke dag worden we opnieuw geboren in deze wereld, om te handelen vanuit die vrijheid, die alles met verantwoordelijkheid te maken heeft.
En ook met heel veel liefde. Denk ik. Misschien.
Lees ook
Ontvang het beste van MO* rechtstreeks in je mailbox
Schrijf je nu in op onze gratis nieuwsbrieven en wij houden je op de hoogte van wat er gaande is in onze mondialiserende en snel veranderende wereld.
Word proMO*
MO* heeft geen betaalmuur en is er voor iederéén. Dat kan alleen dankzij de steun van proMO*s, want diepgravende journalistiek kost tijd en geld.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in







