Ontginning bauxiet en ijzererts biedt kansen én bedreigingen
Hoe China en Europa hongeren naar de grond van Guinee
)
Een werknemer van het Chinese bedrijf AGB2A op de mijnsite bij Boffa, Guinee.
© Layla Aerts
)
Een werknemer van het Chinese bedrijf AGB2A op de mijnsite bij Boffa, Guinee.
© Layla Aerts
Guinee heeft veel gegeerde grondstoffen, onder andere bauxiet en ijzererts. Het West-Afrikaanse land zet opmerkelijke stappen in de ontginning ervan. De mijnbouw en raffinage kunnen het land welvarend maken, maar hebben ook grote gevolgen voor mens en milieu. MO*journalist John Vandaele onderzocht in Guinee de kansen én de problemen.
We rijden vanuit Boffa in het gezelschap van de vakbondsploeg van AGB2A naar een van de vijf bauxietplateaus die dat Guineese mijnbouwbedrijf exploiteert.
De immensiteit van de mijnbouw maakt indruk. In een roodkleurig maanlandschap schrapen grote machines dag en nacht bauxiet af, de grondstof waarvan alumina en aluminium gemaakt wordt. Vrachtwagens voeren 24 uur op 24 uur het bauxiet af. In het weidse landschap lijken ze net speelgoedautootjes. Een personeelslid achter een lessenaartje heeft de taak om ze te tellen.

Vrachtwagens voeren het ontgonnen bauxiet continu af via corridors, speciaal daarvoor aangelegde mijnpistes, naar de rivierhaven van Boffa.
© Layla Aerts
AGB2A, wat staat voor Alliance Guinéenne de Bauxite, d'Alumine et d'Aluminium, beschikt over 420 vrachtwagens die het bauxiet naar de tientallen kilometers verder gelegen rivierhaven van Boffa voeren via zogenaamde corridors, speciaal aangelegde mijnpistes van twintig meter breed. In de haven ontstaan grote bergen erts, dat via lopende banden op grote rivierboten geladen wordt. Eenmaal op zee wordt het erts een laatste keer overgeladen op zeeschepen met bestemming China of Europa.
Als je de operatie aan de gang ziet, begin je te begrijpen wat het betekent dat Guinee in 2025 liefst 180 miljoen ton bauxiet uitgevoerd heeft. Dat is goed voor 7,2 miljoen vrachtwagens van 25 ton (en 8 meter lang). Ofwel: méér dan een ononderbroken rij vrachtwagens helemaal rond de aarde.
‘Dat is een verachtvoudiging van de export in minder dan tien jaar tijd’, zegt Guinees premier Amadou Oury Bah wanneer we hem spreken.
Chinese bedrijven domineren de mijnbouw in Guinee. Driekwart van de bauxietexport gaat naar China. Dat is geen toeval, want China neemt zestig procent van de globale productie van aluminium voor zijn rekening. Maar China's eigen bauxietmijnen raken uitgeput en de milieunormen werden er almaar scherper. Daarom gingen Chinese bedrijven in het buitenland bauxiet ontginnen. En vooral in Guinee gaat China voluit.
Vakbond? ‘In China werkt dat niet’
AGB2A stelt vooral kaderpersoneel tewerk, dat toeziet op het goede verloop van de mijnoperaties op het vlak van milieu, transport en veiligheid.
De potige vakbondsafgevaardigde van de CNTG (Confédération Nationale des Travailleurs Guinéens) Ansoumane Barry vertelt dat hij voor de 175 werknemers een gezondheidsverzekering heeft bedongen, en forse geboorte- en overlijdenspremies. Hij gaat er ook prat op dat de lonen doorbetaald werden tijdens de covidcrisis.
Het bedrijf besteedt het werk in de mijnen, het bauxiettransport en het werk in de haven uit aan het Chinese bedrijf Yellow River. Dat heeft voor AGB2A zo’n 3000 mensen in dienst. Ik praat met Sema Camara, die in het oog moet houden of de schraapmachine de lijn houdt. ‘Ik verdien twee miljoen Guineese frank (zo’n 200 euro, jv) per maand’, zegt hij. ‘Dat is te weinig.’
De échantilleur of monsternemer, die liever anoniem blijft, neemt van tijd tot tijd stalen van het afgeschraapte erts. Hij vertelt ons dat hij zijn werk heel graag doet, maar dat hij liever meer zou verdienen dan zijn maandloon van omgerekend zo’n 300 euro.
Het overleg tussen de Chinese werkgever en de werknemers is niet evident. Ik wissel enkele woorden Chinees met de Chinese toezichter in de mijn, die geen woord Frans of een van de Guineese talen spreekt. De toezichter belt, zodra we wegrijden, de lokale directeur van Yellow River op om te vertellen dat er witte mensen in de mijn zijn.
Waarop de directeur, die zich graag Zola laat noemen, vakbondsafgevaardigde Ansoumane Barry opbelt met de vraag wat er aan de hand is. Barry pikt de bazige toon niet. Hij zegt dat hij op pad is met Europese collega’s en besluit bij Zola langs te gaan.
Het hoofdkwartier van Yellow River bestaat uit containers die ingericht zijn als bureaus en woningen. Directeur Zola nodigt ons uit in een kleine vergaderzaal. Daar leest Barry hem de levieten. Hij was uitgenodigd om deel te nemen aan de vakbondsverkiezing, die tien dagen eerder hadden moeten plaatsvinden. ‘Die is niet doorgegaan, maar u hebt mij niets laten weten. Indien ik dus op uw uitnodiging was ingegaan, was ik voor niks gekomen.’

‘‘Zola’’, directeur van mijnbedrijf AGB2A (links op foto): ‘Wij betalen niet slecht.’ Rechts: vakbondsafgevaardigde Ansoumane Barry.
© Layla Aerts
Zola verontschuldigt zich. ‘Laat ons vrede sluiten’, oppert de directeur – die tussendoor over vakbonden in China zegt ‘dat dat daar niet werkt’. Ça ne marche pas. Hij wijst erop dat het basisinkomen voor de werkers bij Yellow River 1,8 miljoen Guineese frank bedraagt, ofte 180 euro. ‘Vergelijk dat met de lonen in Conakry (de hoofdstad, red.), waar de meerderheid ook maar 200 euro vangt terwijl de levenskosten er veel hoger liggen. Wij betalen niet slecht.’
De vakbondsverkiezingen zullen over twee dagen plaatsvinden, verklaart Zola. Hij vraagt Barry of de CNTG er niet wil aan deelnemen. ‘Want de huidige deelnemers zijn bagarreurs, relschoppers, die onhaalbare eisen op tafel leggen.’ Barry zegt dat Zola’s verzoek in strijd is met het wettelijk protocol van sociale verkiezingen, dat vereist dat je minstens twee weken vooraf je deelname meldt.
Zola klaagt over de moeilijkheid om te communiceren met de werkers, die dikwijls ongeletterd zijn. Er zijn veel misverstanden en geregeld werkonderbrekingen. Hij wil graag dat de CNTG een dialoogmechanisme opzet. ‘Dat zal later misschien wel gebeuren’, zegt Barry achteraf.
Twee maanden later vertelt Barry aan de telefoon dat de verkiezingen intussen hebben plaatsgevonden. ‘De syndicale delegatie heeft een eisenbundel neergelegd. Ik ben er zeker van dat de arbeidsvoorwaarden zullen verbeteren. Ook de Chinezen moeten gewoon onze wetten respecteren, ook al doen ze vaak alsof ze de regels niet kennen.’
Milieuschade is reëel
Als we naar de haven aan de rivier de Fatala rijden, zien we de stofwolk die de corridor veroorzaakt. Die is enorm, ook al wordt ze van tijd tot tijd besprenkeld door tankwagens. Zelfs op satellietbeelden zie je dat het stof de wijde omgeving van de corridor rood kleurt.

© Google Maps

De mijncorridor, waarover vrachtwagens het erts wegbrengen, veroorzaakt een grote stofwolk. 'Het klopt dat er nog teveel stof is.'
© Layla Aerts
Bij valavond gaan we naar Soumbouyadi, een dorp dat vlak bij de corridor en de haven ligt. Districtsvoorzitter Salifou Naby Sylla klaagt over het vele stof en het onophoudelijke lawaai van de vrachtwagens. En over het beleid van de mijnbedrijven.
‘Ja, er werken mensen uit Soumbouyadi bij de mijnbedrijven. Maar we willen hier graag een opleidingscentrum, zodat mensen ook de meer geschoolde jobs kunnen opnemen. Het klopt dat de mijnbedrijven ter compensatie drie waterputten hebben geboord zodat we nog drinkbaar water hebben. En dat ze drie jaar de onderwijzers in onze school betaald hebben. Maar toch denk ik dat we meer verloren dan gewonnen hebben.’
Voor de bouw van de haven is de oude vissershaven afgebroken en zijn de mangroves waar de vis paait verwoest. ‘De helft van onze inwoners was visser. Nu is er nog amper plaats voor visvangst, ook vanwege het drukke verkeer op de rivier. Mensen zijn kwaad en gefrustreerd, ook al heeft de mijnbouw de visserszonen soms een baan bezorgd.’
‘Ook het stof vormt een probleem. Als de corridor goed besproeid zou worden, zou het stof met 90% verminderd kunnen worden. Maar ze kozen voor een bedrijf dat versleten tankwagens inzet.’ Sylla zegt dat hij de politiek heeft aangesproken op diverse niveaus, maar dat er geen oplossing is voor hun problemen.
Ansoumane Barry moedigt hem aan om te blijven strijden. ‘Het probleem is dat verschillende mijnbedrijven gebruikmaken van de corridor, en dat ze naar elkaar kijken. Blijf druk zetten.’
Een rapport van de ngo Action Mines Guineé, partner van het Belgische onderzoeksinstituut IPIS, over de impact van de bauxietontginning rond Boké, komt tot dezelfde bevindingen. Zegt Oumar Barry, onderzoeker mijnbouw bij Action Mines Guinée: ‘Visvangst brengt nu veel minder op en is gevaarlijker geworden.’ Het rapport ziet de veeteelt uit de regio rond Sangarédi verdwijnen omdat er zoveel water en grond verloren gaan aan mijnbouw.
We praten met Mama Kanny Diallo, die bij het Chinese staatsbedrijf State Power Investment Corporation (SPIC) de relaties met de lokale gemeenschappen verzorgt. SPIC bouwt de eerste aluminiumraffinaderij in vijftig jaar, die in 2027 af moet zijn. SPIC zou volgens Diallo in de mijnbouw en raffinage 4000 mensen tewerkstellen als het op volle toeren draait.
Voor het project moeten honderden families verhuizen. ‘Wij compenseren hen boom per boom’, zegt Kanny Diallo. ‘We betalen vaste prijzen voor jonge en oude exemplaren van elke boomsoort. Sommige gezinnen krijgen meer dan 1 miljard Guineese frank (ofte 100.000 euro, jv). Niet alle mijnbedrijven doen dat zo nauwgezet.’
Kanny Diallo betreurt dat de begunstigden dat geld volgens haar vaak verspillen aan een bromfiets of een tweede of derde vrouw. ‘Ze blijven ook dicht bij de weg wonen, ook al zeggen we hen dat het rode stof niet gezond is. Dat groenten die gekweekt worden vlak bij de weg mogelijk gezondheidsschade opleveren.’
‘Het klopt dat er nog teveel stof is’, geeft Kanny Diallo toe. ‘De sproeifirma’s doen vaak hun werk niet. Ze verkopen de helft van de benzine voor eigen rekening en rijden veel minder. Ik zeg ook aan mijn directie dat het niet genoeg is. Ik ben er niet om de gemeenschappen leed te berokkenen.’

Het is duidelijk dat de uitbreiding van de bauxietmijnbouw ernstige ecologische en sociale gevolgen heeft. Visvangt brengt veel minder op, en ook de veeteelt ondervindt schade.
© Layla Aerts
Het is duidelijk dat de expansie van de bauxietmijnbouw ernstige ecologische en sociale gevolgen heeft. Het levensonderhoud van de boeren afkopen met een som geld lijkt geen optimale oplossing. Vaak blijven ze met lege handen achter als het geld niet geïnvesteerd wordt in een alternatief levensonderhoud.
Beter, maar duurder en moeilijker, is om ervoor te zorgen dat ze elders in hun levensonderhoud kunnen voorzien, al loopt ook dat dikwijls niet van een leien dakje. De zorg moet zijn dat de mijnbouw niet meer banen kost dan creëert.
Nieuwe ijzerproductie
En Guinee staat voor nog grotere veranderingen. Simandou, een honderd kilometer lange heuvelrug in de Forestière-regio in het zuiden, herbergt een van de rijkste ijzerreserves ter wereld. Het eerste ijzererts uit de regio werd begin 2026 op Chinese schepen geladen. Dat is een echte doorbraak.
De Australische mijnreus Rio Tinto verwierf al in 1996 de exploitatierechten voor Simandou. Maar die slaagde er niet in om een spoorweg naar zee aan te leggen, om de meer dan 600 kilometer te overbruggen om het ijzererts maar ook mensen te vervoeren.
Het Winning Consortium Simandou (WCS), van Chinees en Singaporees kapitaal, kon dat wel en verwierf zo de helft van de rechten. ‘Simandou is het verhaal van hoe Chinees kapitaal en technisch vermogen een megaproject ontsloten hebben dat te groot is gebleken voor één enkele westerse onderneming om te realiseren’, besloot de Financial Times begin 2026.
We vangen een glimp op van de omvang van dit project wanneer Chinese kaderleden van WCS ons de splinternieuwe haven van Morebaya tonen. Daar bereiken de sporen van de mijnbouw in Simandou de zee. Het is verbazingwekkend hoe zulke faraonische werken op vijf jaar tijd zijn afgewerkt. Alles samen staat Simandou voor een investering van 20 miljard dollar, uitzonderlijk in Afrika.
Guinee wordt dankzij Simandou de derde grootste ijzerproducent ter wereld. China wordt, naast Australië en Brazilië, daarmee ook een grote speler in de ijzerertsbranche. Het produceert ruim de helft van alle staal, maar had slechts greep op 7% van de ijzertoevoer, blijkt uit de cijfers in het Financial Times-artikel. Nu wordt dat 15%. Mogelijk kan het de globale ijzerertsprijs drukken.
Kagame-met-grondstoffen
Wie Guinee doorkruist, stoot soms op een brug of viaduct dat vernoemd is naar de Rwandese leider Paul Kagame. Mamady Doumbouya, de militair die in 2021 met een staatsgreep aan de macht kwam in Guinee, bewondert het Rwandese model, waarbij een autoritaire staat een eigen ontwikkelingsvisie weet door te drukken. Hij wil graag een “Kagame-met-grondstoffen” worden.
Doumbouya werd in 2025 tot president verkozen in verkiezingen waaraan niet alle politieke partijen konden deelnemen. Geregeld verdwijnen er ook activisten, opposanten en journalisten. Mensen praten liever niet met mij aan de telefoon omdat ze vrezen afgeluisterd te worden. ‘Ik betreur openlijk dat de vrijheid van de pers onder druk staat’, vertelt Xavier Sticker, de Europese ambassadeur in Guinee, ons.
De andere kant van dat ontwikkelingsmodel houdt in dat de staat de economie stuurt. De staat eist bijvoorbeeld dat mijnbedrijven niet alleen bauxiet uitvoeren, maar minstens 15% van hun erts lokaal verwerken. Zo moeten er meer banen en inkomen in Guinee gecreëerd worden.
Dat lijkt te lukken. ‘Het is niet dat bedrijven staan te springen om dat te doen, maar intussen is het een voorwaarde om een exploitatievergunning te krijgen. En vooral China heeft bauxiet nodig’, getuigt een insider uit de mijnindustrie.

Twee Guinese werknemers helpen erts verschepen in een haven. De Guineese overheid wil dat bedrijven minstens 15% van hun erts lokaal verwerken, om meer banen en inkomen in het land zelf te creëren. 'Het is intussen een voorwaarde om een exploitatievergunning te krijgen.'
© Layla Aerts
Een filiaal van Emirates Global Aluminium verloor in 2025 effectief zijn vergunning omdat het volgens de regering de beloofde aluminiumraffinaderij niet bouwde. De Chinese bedrijven SPIC en Chalco zijn al aan een raffinaderij aan het bouwen. En er zitten er nog drie in de pijplijn. Ook voor Simandou wil Guinee dat er lokaal ijzerpellets gemaakt worden, de eerste stap in het produceren van staal.
De Franse bedrijven UMS en Altéo hadden de ambitie om een bauxietraffinaderij volgens de beste arbeids- en milieunormen te bouwen. Met het oog daarop brachten ze Guineese ambtenaren naar Marseille, om te tonen hoe hun moderne aluminiumraffinage draait. Altéo ondersteunt ook opleidingen opdat Guinee voldoende geschoolde mensen heeft om de raffinaderijen te bemannen.
Uiteindelijk kregen de Fransen evenwel de middelen niet bijeen, erkent CEO Frédéric Sobac. ‘In Europa is men vooral geïnteresseerd in de snelle winst van start-ups. Voor dit soort investeringen op de lange termijn is er weinig enthousiasme. Dat is het verschil met China, waar de investeringsdrive een politieke dimensie heeft.’ Lees: China wil zijn industriële dominantie behouden, en dat veronderstelt dat je de toeleveringsketens blijft beheersen.
Toch zijn er heel wat vragen. Waar zal de energie voor de raffinage van bauxiet, die erg energie-intensief is, vandaan komen? Guinee beschikt over waterkracht, maar niet genoeg om de wellicht vijf raffinaderijen te voeden. De vraag is of dit zal gebeuren met vervuilend en klimaatonvriendelijk steenkool of met gas uit Senegal. SPIC kiest voor een combinatie van olie en waterkracht.
Vraag is dus hoe groen deze industrialisering wordt. Elders in West-Afrika valt erg veel zonne- en windenergie op te wekken. Maar kunnen die energiebronnen snel genoeg aangesneden worden?
Een even grote uitdaging is het afval van de raffinage. Elke ton alumina schept twee ton giftige, rode modder, die opgeslagen moet worden in reservoirs bestand tegen weer en wind. SPIC plant een reservoir van 9,6 miljoen kubieke meter. ‘Maar de Chinezen onderschatten hoe zwaar de regens hier zijn’, voorspelt Altéo-CEO Frédéric Sobac.
Wanneer ik de vraag voorleg aan premier Bah Oury, begint hij meteen over het zeer strategische metaal gallium, dat uit de rode modder kan worden gewonnen. En of Europa dat niet wil komen exploiteren. ‘Nu zijn jullie daarvoor afhankelijk van China. Wijzelf willen ook niet alleen van China afhangen.’
Hefboom
De kapitaalintensieve mijnbouw en -industrie kunnen tienduizenden, mogelijks honderdduizenden goed betaalde jobs creëren. Maar in een land met zo'n 17 miljoen inwoners volstaat dat niet om beduidend meer perspectief te bieden aan miljoenen mensen die beter werk en een betere toekomst zoeken.
Dat wil Doumbouya realiseren door de opbrengsten van de mijnsector te gebruiken als hefboom om Guinee een grote ontwikkelingssprong te laten nemen. Dat opzet wordt gevat onder de noemer Simandou 2040, waarvan je overal in Conakry borden ziet. Het overheidsprogramma wil tussen 2025 en 2030 maar liefst 55 miljard euro investeren in landbouw, voedselverwerking, transport, onderwijs, energie en toerisme.
Voorwaarde daarvoor is dat een voldoende groot deel van de opbrengsten van de industrie en mijnbouw in het land blijft, onderstrepen zowel de Wereldbank als het Internationaal Muntfonds (IMF).
De Wereldbank schrijft in zijn laatste rapport over Guinee dat de opstart van de ijzerwinning de economische groei naar 10% zal stuwen in 2026-2027. Het nationaal inkomen zou aan dat tempo verviervoudigen tegen 2040. Belastingopbrengsten zouden volgens het IMF met 3% van het nationaal inkomen kunnen toenemen, op voorwaarde dat Guinee minder belastingvrijstellingen geeft aan de mijnbouwers. Én dat het zich niet laat misleiden door de transferprijzen van de grote bedrijven. Aan dat laatste gaat volgens het IMF nu 2% van het bruto nationaal product verloren.
Als die belastingopbrengst geïnvesteerd wordt in infrastructuur en onderwijs, kan Guinee volgens het IMF de armoede – die nu 43% van de bevolking treft – halveren. De Europese Unie financiert al even een project ter versterking van de belastingadministratie.
Veel kansen dus, maar ook veel uitdagingen. Simandou 2040 wil de landbouw versterken, maar de manier waarop de mijnbouw landbouw en visserij nu al onder druk zet, roept vragen op. Premier Bah Oury zei aan MO* dat hij ervan overtuigd is dat de ontwikkeling van de landbouw cruciaal is, maar gaf toe dat niet iedereen binnen de overheid daarvan overtuigd is.
Kan Guinee voldoende belastingen heffen en die investeren in onderwijs en infrastructuur? Kan het milieucatastrofes voorkomen? Kan het de snel groeiende welvaart verspreiden over zoveel mogelijk mensen, vooral door hen een baan te geven? Die vragen worden het komende decennium beantwoord. Er staat veel op het spel.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek
Dit artikel maakt deel van de reeks Afrika's Grote Uitdaging. Elk jaar komen 30 miljoen jongeren op de Afrikaanse arbeidsmarkt terecht. MO* onderzoekt: kunnen Afrikaanse landen hun 30 miljoen jongeren werk en perspectief bezorgen, en op welke manier?
Word proMO*
MO* heeft geen betaalmuur en is er voor iederéén. Dat kan alleen dankzij de steun van proMO*s, want diepgravende journalistiek kost tijd en geld.
Je helpt ons groeien en zorgt ervoor dat we al onze verhalen gratis kunnen verspreiden. Je ontvangt vier keer per jaar MO*magazine én extra edities.
Je bent gratis welkom op onze evenementen en maakt kans op gratis tickets voor concerten, films, festivals en tentoonstellingen.
Je kan in dialoog gaan met onze journalisten via een aparte Facebookgroep.
Je ontvangt elke maand een exclusieve proMO*nieuwsbrief.
Je volgt de auteurs en onderwerpen die jou interesseren en kan de beste artikels voor later bewaren.
Per maand
€4,60
Betaal maandelijks via domiciliëring.
Meest gekozen
Per jaar
€60
Betaal jaarlijks via domiciliëring.
Voor één jaar
€65
Betaal voor één jaar.
Ben je al proMO*
Log dan hier in



