Voorpublicatie: 'Iedereen werkt voor de Mossad'

België is een magneet voor buitenlandse inlichtingendiensten. MO*journalist Kristof Clerix dook twee jaar lang onder in het schimmige, gesloten wereldje van spionage, infiltratie en staatsgeheimen. Het resultaat van dat onderzoek verschijnt begin oktober bij uitgeverij Manteau: “Vrij Spel. Buitenlandse geheime diensten in België”. Een exclusieve voorpublicatie voor MO*lezers van het hoofdstuk over de Israëlische geheime dienst Mossad.

De website van de Mossad laat er geen twijfel over bestaan: het voorkomen van terroristische aanslagen tegen Israëlische doelwitten in het buitenland is een van de opdrachten van de Israëlische geheime dienst. Ook in België is de terroristische dreiging tegen Israëlische en joodse doelen reëel. In het verleden hebben terroristen op de luchthaven van Zaventem granaten gegooid naar passagiers van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al. Joodse schoolkinderen werden in Antwerpen het slachtoffer van een terroristische aanslag en een autobom ontplofte voor een joodse synagoge. In 2004 nog kon een aanslag op een joodse school in de Scheldestad voorkomen worden. Een logische vraag dringt zich op: is de Mossad actief in België?

De voorbije jaren doken in de media regelmatig berichten op over Mossad-agenten die in de Antwerpse jodenbuurt zouden patrouilleren. Stadslegendes of realiteit? Ik spoor naar Antwerpen-Centraal en wandel op een zonnige herfstdag in november 2005 de joodse buurt binnen.

In het hartje van de Antwerpse diamantwijk ontmoet ik P. Kornfeld, diamantair, chassidische jood, en ondervoorzitter van het Forum voor Joodse Organisaties. Hij benadrukt dat de joodse gemeenschap in Antwerpen geen contact heeft met de Israëlische geheime dienst. ‘Nooit zal een joodse gemeenschap in eender welk land ermee akkoord gaan dat mensen uit het buitenland hier politieman komen spelen. Nooit, en dat weet de Mossad goed genoeg. Als ze naar hier komen voor opdrachten, zullen ze geen contact opnemen met de joodse gemeenschap. We zouden meteen naar de politie gaan.’

Kornfeld krijgt telefoon, een of andere diamantdeal. Ik diep intussen een krantenartikel op over Mossad-patrouilles in de joodse buurt. Hij herkent het stuk. ‘Tja, kranten zoeken natuurlijk het meest sensationele op. Legendes over de Mossad zullen altijd wel terugkomen. Nogmaals, als de Mossad naar België komt, zullen ze nooit contact hebben met de joodse bevolking. Ze werken in het geheim. Hoe minder mensen het weten, hoe beter.’ Maar wie zijn dan die gasten met speurende blik die regelmatig in het straatbeeld opduiken?
Kornfeld: ‘Kijk, er is een groep jongens die in samenwerking met de Antwerpse politie op een aantal plaatsen in de buurt nagaat wie binnenkomt en buitengaat. Je ziet ze buiten op straat, aan synagogen, en voornamelijk op feestdagen of bij huwelijken en overlijdens. Maar ze hebben niets met de Mossad te maken.’ Meer details wil Kornfeld niet kwijt over de bewakingsdienst, zelfs de officiële naam van de organisatie houdt hij liever voor zich. ‘Puur uit veiligheidsoverweging: hoe minder informatie publiek is, hoe beter.’

Shmira

Na een paar dagen rondhangen in het Antwerpse jodenkwartier en verschillende interessante gesprekken met buurtbewoners, vind ik eindelijk een spoor naar de interne bewakingsdienst van de buurt. In het lokale joodse weekblad Shabbat be Shabbasso staat de naam van de dienst in drukletters naast een noodnummer vermeld: SHMIRA. Ik bel het nummer, de dagverantwoordelijke van Shmira neemt op. We spreken af in het Romi Goldmuntzcentrum, het joods cultureel centrum in de Nerviërsstraat.

Kwartiertje stappen, ik bel aan. ‘Ik kom voor Schmira’. De vrouw achter de balie kijkt wat verbaasd maar laat me toch binnen. Of ik even wil wachten. Een minuut later komt een jonge man, ik schat hem achteraan in de twintig, de trap af. Wit hemd, zwarte kostuumbroek en das, vriendelijke handdruk. We zetten ons in een achterzaaltje. De man wil wel praten maar staat op zijn anonimiteit. Ik klap mijn laptop open en begin te typen.

‘Vandaag is de joodse gemeenschap over de hele wereld een potentieel terroristisch doelwit’, zegt hij. ‘Niet dat iedereen voortdurend bang is, maar we zijn ons wel bewust van het risico. Als jij straks buitengaat en op de stoep een grote plastic zak ziet staan, dan is dat voor jou niets speciaals. Maar een jood heeft de reflex: dat kan een bom zijn, laten we de politie bellen om het te checken. Als jij naar de kerk gaat, loop je binnen, je bidt, en je bent weg. Maar in een synagoge controleert de eerste persoon die binnengaat altijd of er geen verdachte voorwerpen zijn. Je weet nooit of er ‘s nachts iemand een bom heeft achtergelaten. In de joodse gemeenschap stellen we ons niet de vraag of terroristische aanslagen zullen plaatsvinden maar waar en wanneer.’

De Shmira-dagverantwoordelijke biedt me een koffie aan, het gesprek verloopt in alle openheid. ‘Shmira is het Hebreeuwse woord voor toezicht. De Belgische politie en Staatsveiligheid kennen ons als het Coördinatiecomité van de joodse gemeenschap. Het comité valt onder de structuur van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België. Dat is geen onbelangrijk detail: onder vergunningsnummer 18.0034.11 staat het Consistorie op de lijst van de vergunde interne bewakingsdiensten van Binnenlandse Zaken. Onder de vergunde activiteiten vallen “toezicht en controle op personen”, en “toezicht op en bescherming van roerende of onroerende goederen”. Daarnaast is het Consistorie vergund om wapens te dragen bij het “toezicht op en de bescherming van roerende en onroerende goederen”.

Ik kan je niet alles vertellen maar het komt erop neer dat we proberen onze gemeenschap gerust te stellen zodat ze zonder zorgen naar synagogen en evenementen kunnen gaan. Alles wat we doen, gebeurt in nauwe samenwerking met de Antwerpse politie. We verzorgen bijvoorbeeld de bewaking van joodse feesten en evenementen, maar ook van joodse scholen als het moet. Wij hebben niet het recht om mensen op straat tegen te houden, maar onze gebouwen zijn privé. We zetten een veiligheidsperimeter op en als iemand daar binnenkomt, wordt hij gecheckt. Wij doen geen politiewerk en zij doen ons werk niet. Als een politieagent aan de deur staat van een gemeenschapsevenement, dan weet hij niet of de personen die binnen willen gaan lid zijn van de gemeenschap of niet. Daarom staan wij bij hen om te zeggen wie we kennen en wie niet.’

Het is naar eigen zeggen een vrijwilligersorganisatie. ‘Onze leden worden binnen de joodse gemeenschap in Antwerpen gerekruteerd. Ze zijn tussen de twintig en zestig jaar. Met hoeveel we zijn? Met genoeg om te doen wat we doen. Natuurlijk voorzien we opleidingen. Niemand wordt geboren met kennis over veiligheidsmaatregelen. Zonder scholing kun je die dingen niet weten.’ Wié de opleidingen geeft, wil de man niet kwijt. Ook over zichtbare herkenningstekens op kledij lost hij niet veel. ‘Ik kan alleen zeggen dat we ons bekend kunnen maken aan de politie als dat nodig is.’

Informatie over terrorismedreiging krijgt Shmira van de Antwerpse politie. ‘Nooit rechtstreeks van de Israëlische inlichtingendiensten. Als die informatie hebben, sturen ze die naar de Belgische overheid, niet naar ons. Veel mensen willen uit mijn mond horen dat we met de Mossad werken, maar dat is niet waar.’
De man wil niet ingaan op eventuele contacten met Israëlische diplomaten. ‘Wel kan ik zeggen dat we in contact staan met organisaties die gelijkaardig zijn aan de onze, organisaties in Brussel maar ook elders. Als er iets in Antwerpen gebeurt, kan dat immers effect hebben op andere landen. Als hier iets gebeurt, informeren we zo snel mogelijk andere joodse gemeenschappen overal ter wereld. Ik bedoel dan niet geheime informatie-uitwisseling via gesloten circuits of diplomatieke valiezen, maar gewoon open via de telefoon.’

De man steekt een sigaret op en kijkt me recht in de ogen. ‘We hebben niets te verbergen voor de Belgische overheid. We zetten ons allemaal in voor hetzelfde ideaal. Shmira is geen slechte organisatie met slechte bedoelingen, enkel een groep mensen die meer veiligheid wil. We willen niet dat mensen uit angst wegblijven van activiteiten binnen de joodse gemeenschap. Ze moeten zich veilig voelen. En als we daarvoor zeven uur lang buiten in de vrieskou moeten staan, dan doen we dat.’

Na ons gesprek vraagt hij een kopie van de tekst die ik net heb ingetikt. Nog nooit meegemaakt. Hij noteert ook mijn contactgegevens en zelfs het nummer van mijn perskaart. Geen idee of die in een databank zijn beland.

El Al in Zaventem

Vertrekhal Zaventem, 8 februari 2005, kwart voor elf ‘s morgens. Ik sta langs de check-in zone van de El Al-vlucht naar Tel Aviv. Een tiental personeelsleden van El Al is druk in de weer. De vrouwen ondervragen systematisch alle passagiers die inschepen. ‘Waar gaat u naartoe? Wie heeft uw koffers ingepakt? Hoe lang blijft u? Waarom gaat u op reis? Wie gaat er mee?’ De heren -in maatpak en das- houden binnen en buiten de check-in een oogje in het zeil. Op een tiental meter afstand kijken drie agenten van de federale politie in kogelvrije vesten toe.

Dat luchtvaartmaatschappij El Al direct in contact staat met Israëlische geheime diensten, blijkt uit verschillende open bronnen. Volgens de website van de Federation of American Scientists -een van de beste bronnen over intelligence- is de Israëlische binnenlandse geheime dienst Shin Beth verantwoordelijk voor de beveiliging van El Al. Mossad-kenner Gordon Thomas schrijft in zijn Histoire secrète du Mossad dat veiligheidsagenten van El Al worden opgeleid door Shin Beth. Andere bronnen linken El Al niet aan Shin Beth maar aan de Israëlische buitenlandse inlichtingendienst Mossad.

Frits Hoekstra, die van 1971 tot 1987 als inlichtingenagent werkte bij de Nederlandse geheime dienst BVD: ‘De El Al-vertegenwoordiging en tal van joods-Israëlische instituties waren of gelieerd aan de Mossad of werden geheel door de Mossad bemand.’ Van een bron binnen de veiligheidsdiensten van de luchthaven van Zaventem had ik vernomen dat veiligheidsagenten van El Al gewapend rondlopen op de luchthaven en de tarmac. Maar het directoraat-generaal van luchtvaart wilde dat ontkennen noch bevestigen. Er zat dus maar één ding op: zelf nagaan in Zaventem of de El Al-veiligheidsdienst wapens draagt.

Dertien minuten voor elf, een El Al-veiligheidsagent stapt op mij toe. ‘U wacht?’ Inderdaad. ‘Op een persoon?’ Nee hoor. ‘Wilt u het vliegtuig naar Tel Aviv nemen?’ Toch niet. ‘Wat doet u hier dan?’ Ik leg uit dat ik gewoon rondkijk en vraag of er een probleem is. De man verdwijnt en komt terug met een collega. Ze gaan recht voor mij staan, de rug naar mij gekeerd. Luttele seconden later roepen de drie agenten van de federale politie mij apart. ‘Wie bent u en wat doet u hier?’

Ik speel open kaart, zeg dat ik journalist ben en vertel dat ik wil zien of het El Al-personeel gewapend is. Ik vraag de politie of ze aan de Israëlische veiligheidsagenten gaat vertellen wie ik ben. ‘Ja, dat is zo overeengekomen tussen de politie en El Al.’ Maar over de inhoud van die overeenkomst willen de agenten niets kwijt. Ze vragen mijn identiteitskaart en perskaart en noteren mijn gegevens. Maar verder geen probleem. Ik mag blijven staan. ‘Maar hou wat afstand en ga niet provoceren.’ Afgesproken.

Een van de El Al-heren is intussen gestopt met zijn werkzaamheden en heeft een trolley in de hand genomen. Blijkbaar vindt hij er plots niets beters op dan alleen nog maar zwijgzaam stil te staan met die trolley naar mij gericht. Ik besluit om in een boogje rond hem te lopen en wat verderop te gaan staan. Vreemd, de trolley blijft naar mij gericht. Plots bedenk ik dat hij mij misschien aan het fotograferen of filmen is. Ben ik nu helemaal paranoïde geworden? Of had hij gewoon niets beters te doen? Ik zal het wellicht nooit weten.

Na zowat een half uur rondhangen komt een opvallend vriendelijke El Al’er naar mij toe. ‘Voor welk medium werk je? Heb je geen kaartje bij?’ Ik stel een interview voor en vraag naar zijn visitekaartje. Dat schrikt blijkbaar af. Hij geeft me het algemeen nummer van El Al en raadt me aan daarheen te bellen. Uiteindelijk druip ik af, geen wapens gezien.
Op de redactie bel ik het El Al-nummer en vraag naar Michel Dikenstein, directeur van El Al Belgium-Luxemburg. Dikenstein: ‘Die veiligheidsmensen op de luchthaven werken helemaal niet voor ons. Ze werken onder de verantwoordelijkheid van de Israëlische ambassade.’ Wat? ‘Het is helemaal geen El Al-personeel. Als morgen een andere Israëlische luchtvaartmaatschappij op Zaventem zou vliegen, zouden dezelfde mensen de controles doen. Ik ken de mensen natuurlijk. Maar voor meer informatie moet u naar de ambassade bellen.’

Telefoontje naar de Israëlische ambassade, ambassadeur Jehudi Kinar staat me te woord. Lopen uw veiligheidsagenten gewapend rond op de luchthaven van Zaventem? ‘Vraag dat aan de mensen van het vliegveld. Zij weten het heel goed. Daar krijgt u geen antwoord op.’

Een aantal maanden na mijn telefoontje naar de Israëlische ambassade stelde senator Stefaan Noreilde (VLD) aan minister van Mobiliteit Renaat Landuyt (sp.a) parlementaire vragen over de El Al-beveiligingsdienst. Landuyt erkende dat El Al ‘voor eigen beveiligingstaken gebruik kan maken van eigen personeelsleden die ook een band hebben met de Israëlische overheid’ maar voor de rest bleef hij opvallend vaag. Gelukkig hult niet iedereen zich in stilzwijgen.

‘Het is een openbaar geheim dat die El Al-agenten in Zaventem gewapend rondlopen. Dat was tenminste het geval toen ik in het midden van de jaren zeventig op de luchthaven werkte,’ zegt Patrick Zanders, directeur van het Beleid inzake Internationale Politiesamenwerking en medeoprichter van Europol. ‘Als ze nu nog wapens dragen, ben ik er zeker van dat dat reglementair verloopt.’ Over de link tussen El Al en intelligence is Zanders duidelijk: ‘Iedereen werkt voor de Mossad, maak u daarover geen illusies. Ofwel werk je direct voor de Mossad, ofwel indirect. Maar alle informatie gaat naar de Mossad, zoals in de VS alle info naar de CIA gaat. Ik weet niet of El Al de gegevens die ze inwint ook verwerkt. Maar het is evident dat de informatie gebruikt kan worden voor de informatie-opdracht van de Mossad.’

Vrij spel. Buitenlandse geheime diensten in België door Kristof Clerix is uitgegeven door Manteau. Dit boek kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. 

 

 

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur