Vier redenen voor hoop op vrede in Oost-Congo

De rebellengroep M23 staakt zijn strijd tegen het Congolese leger in Oost-Congo. Congokenner Kris Berwouts ziet vier nieuwe ontwikkelingen die er op kunnen wijzen dat dit niet zomaar een nieuwe fase is in de vicieuze cirkel van geweld in de regio.

  • Reuters Congolese soldaten bewaken een groep mannen verdacht van lidmaatschap van de M23-rebellen nabij Goma, 5 november 2013. Reuters
Dit artikel is onderdeel van een meer uitgebreide analyse over de recente ontwikkelingen in Oost-Congo die Kris Berwouts publiceerde op zijn Wereldblog op MO.be.

Aanwijzing 1: het Congolese leger bestààt

De laatste maanden onderging het Congolese leger een metamorfose. Jarenlang werd het beschouwd als een zeer heterogeen, ongedisciplineerd en slecht getraind amalgaam van verschillende milities. Zodra er een probleem de kop opstak van gewapende rebellen of bandieten (het onderscheid was niet altijd makkelijk te maken) die de bevolking terroriseerden en een deel van het grondgebied controleerden, probeerde men het op te lossen door hen te ‘integreren’ in het ‘reguliere’ leger. Gewoonlijk werd het commando gegeven aan degene die de mensenrechten het meest had geschonden.

Er waren vele redenen waarom de eenmaking van het leger nooit lukte. Logistiek, bijvoorbeeld. Het hergroeperen van de milities, het individueel registreren van elke soldaat, het opleiden van deze soldaten in nieuwe eenheden, daar heb je kazernes voor nodig. Maar die zijn er amper in Congo.

Dan zijn er natuurlijk de grondstoffen. Gewapende groepen, al dan niet geïntegreerd in het regeringsleger, kunnen alleen economisch overleven omdat ze de controle verworven hebben over een mijn, een handelsroute. Dat staan ze niet zomaar terug af.

De problematiek van het leger moet gezien worden in een bredere context van bad governance en het totaal gebrek aan transparantie. Hoe schimmiger de structuur van het leger, hoe groter de mazen worden in het net, waarlangs salarissen, wapens, munitie en rantsoenen uniformen uit het reguliere circuit verdwijnen en in parallelle circuits terecht komen.

Ook de vele internationale inspanningen vanuit de internationale gemeenschap om de hervorming van het leger te ondersteunen en Congo te voorzien van een veiligheidsapparaat waarmee ze haar bevolking kon beschermen, hadden teleurstellend weinig impact. Wat Europa betreft werd dit in september nog bevestigd in een wel zeer kritisch rapport van het Europees Rekenhof.

Het resultaat was een spookleger dat veel meer deel uitmaakte van het probleem dan van de oplossing. Het scoorde in verschillende rapporten torenhoog als één van de belangrijkste schenders van de mensenrechten. Kortom, het leger was een bron van gevaar voor iedereen, behalve de vijand.

Dit plaatje veranderde onlangs, en vanaf juli werd het verschil ook voelbaar op het terrein. Het begon met de vervanging van generaal Gabriel Amisi, bekend en berucht als Tango Four, door generaal François Olengha als stafchef van de landmacht in november 2012.

Vervolgens werden in februari 2013 115 bevelvoerende officieren uit Ituri, Zuid- en vooral Noord-Kivu teruggeroepen naar Kinshasa, onder het mom van een militair seminarie waaraan ze zouden deelnemen. Daar werden ze op non-actief gesteld. Ze werden er allemaal verdacht zich meer bezig te houden met allerlei zakelijke beslommeringen dan met militaire operaties. Er werd ook getwijfeld aan hun loyauteit aan de nationale zaak. Hun betrokkenheid bij allerlei commerciële, etnische en andere netwerken stelden hen bloot aan zoveel druk dat het onmogelijk was om effectief leiderschap te geven. De vervanging van de gehaaide Mobutistische generaal Mayala door generaal Bahuma als bevelhebber van de militaire regio die de provincie Noord-Kivu covert, was een volgende belangrijke stap.

Het weghalen van die mensen van het terrein zorgde op verschillende vlakken voor een verbetering.: de logistiek van de militaire operaties verliep efficiënt. Uniformen, wapens en munitie werden geleverd waar en wanneer ze nodig waren. Salarissen werden uitbetaald. De eerste successen tegen M23 gaven het leger een boost en veroorzaakten ook een golf van solidariteit bij de bevolking voor het leger. De beste bataljons, opgeleid door het Zuid-Afrikaanse en het Belgische leger, werden in tegenstelling tot de periode Amisi ingezet aan het front en maakten daar een belangrijk verschil, waarbij ook duidelijk werd dat de internationale inspanningen om het leger te versterken niet helemaal nutteloos waren geweest.

Een Congolees leger dat succesvolle operaties uitvoert is een belangrijke nieuwe ontwikkeling, maar een efficiënte hervorming van de veiligheidssector is natuurlijk nog iets helemaal anders. De uitdaging zal zijn om die stappen vooruit in Noord-Kivu te consolideren en om ze uit te breiden naar andere delen van het land. De recente prestaties van de FARDC rond Goma zijn dan niet genoeg om het land een gedisciplineerd en efficiënt leger te geven, maar hopelijk is het een goede start.

Aanwijzing 2: Monusco meer actief

Een soortgelijke metamorfose vond plaats binnen Monusco. De VN-vredesmissie is nooit in staat geweest om de Congolese bevolking de indruk te geven dat de missie zou kunnen slagen in haar opdracht om de mensen te beschermen.

De VN-blauwhelmen werden gezien als een weinig proactieve troepenmacht met een nogal vaag omschreven rol, vaak afwezig op het moment en de plaats van de actie, met te weinig coördinatie tussen de civiele en de militaire structuren en te ver verwijderd van de dagelijkse realiteit van de Congolese bevolking, waardoor de missie flamboyant werd verafschuwd.

Ook dit veranderde als onderdeel van het kaderakkoord van februari. De komst van de speciale interventiemacht en ook de vervanging aan de top van Roger Meece door de Duitse diplomaat Martin Kobler maakte veel verschil. Kobler doet veel inspanningen om op het terrein aanwezig te zijn en toegankelijk te zijn voor de Congolese bevolking. Ook is hij veel beter in communicatie dan zijn recente voorgangers.

Het belangrijkste was natuurlijk dat de blauwhelmen op een efficiëntere manier de FARDC gingen ondersteunen in hun operaties. Deze veranderingen zouden uiteraard niet mogelijk zijn geweest zonder de beslissing van de VN-Veiligheidsraad van 28 maart 2013 die het mandaat van de Monusco niet alleen verlengde, maar ook uitbreidde om zo de bepalingen van het kaderakkoord operationeel te laten worden.

Aanwijzing 3: Rwanda in het oog gehouden door zijn bondgenoten

Het is eveneens duidelijk dat de militaire slagkracht van de M23 verminderde door de snelle actie van de internationale gemeenschap, die veel sneller en scherper reageerde tegenover Kigali dan vroeger gebruikelijk was.

Die kritiek kwam niet alleen uit de gebruikelijke hoek, ook Rwanda’s trouwste partners trokken alle registers open. In Washington, Londen, Den Haag, Berlijn en Stockholm werden onmiddellijk maatregelen genomen hun bilaterale samenwerking te verminderen of zelfs op te schorten.

De Rwandese regering had dit allemaal onderschat. De steun aan M23 was een gevaarlijke gok geweest zoals in het verleden wel eens vaker was gebeurd. Maar dit keer hadden ze hun hand overspeeld. Zelfs nadat de meeste bondgenoten de getroffen maatregelen alweer hadden opgeheven of afgezwakt, werd het duidelijk dat Rwanda’s toekomstige betrokkenheid bij het grote buurland met grote argwaan zouden worden gevolgd. De traditionele bondgenoten van Rwanda gingen daarbij veel verder dan het ergste scenario waarmee Kigali rekening had gehouden.

Aanwijzing 4: Afrikanen claimen ownership in conflict

Een andere opmerkelijke tendens in het rampjaar van de M23 is het feit dat Afrikaanse landen en Afrikaanse multilaterale instellingen een actieve rol opeisten in het zoeken naar oplossingen voor dit aanslepende conflict. Of in ieder geval wilden voorkomen dat het conflict zich opnieuw zou ontwikkelen tot een open regionale oorlog.

Als je bijvoorbeeld bekijkt hoe het kaderakkoord van Addis Abeba tot stand kwam, zie je dat nogal wat vertraging veroorzaakt werd door spanningen en terreinstrijd, niet alleen tussen de Afrikaanse instellingen en de klassieke hoofdrolspelers van de internationale diplomatie, maar ook tussen Afrikaanse landen en instellingen onderling.

De lidstaten van de Internationale Conferentie van de Landen van het Grote Merengebied (Kenia, Congo en de negen buurlanden van Congo) hebben intensief samengewerkt om het conflict binnen de bestaande grenzen te houden. Ook de SADC-landen (Ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika, waarvan Congo lid is) probeerden actief betrokken te raken. Ze zijn daar ook in geslaagd: SADC-lidstaten Malawi, Zuid-Afrika en Tanzania vormen de ruggengraat van de internationale interventiebrigade van de Monusco (FIB) die in het oosten van Congo het terrein werd opgestuurd. Ook de East African Community probeerde mee te spreken in het debat, en vanzelfsprekend probeerde de Afrikaanse Unie vanuit haar hoofdkwartier in Addis Abeba zichtbaarheid en leiderschap te tonen.

Dit zijn interessante ontwikkelingen en het is niet uitgesloten dat het resultaat zal zijn dat de machtsverhoudingen tussen en in Afrikaanse regio’s gaan veranderen. Binnen een breder plaatje zijn ze zelfs een voorafspiegeling van nieuwe evenwichten in de wereldpolitiek.

De eerste tekenen dat de kaart van de Afrikaanse multilaterale instellingen wordt hertekend, zijn al zichtbaar: de rol van Tanzania in de FIB leidde al tot spanningen met Rwanda. Rwanda probeert Tanzania te isoleren binnen de EAC en richtte samen met Oeganda en Kenia een Coalition of the Willing op, wat Tanzania (lid van ICGLR, EAC evenals SADC) motiveerde om te zeggen dat het overweegt zich uit de EAC terug te trekken.

Een opening naar vrede?

Het is moeilijk gebeurtenissen te becommentariëren terwijl ze nog bezig zijn. De gevechten waren bijzonder hevig de laatste dagen. Op dit eigenste ogenblik lijkt het erop dat de gevechten achter de rug zijn. Ook de laatste M23-bastions werden ontmanteld en de woordvoerders van de rebellen verklaarden dat ze alleen nog via politieke weg hun doelstellingen willen bereiken.

Het is nog onduidelijk welke gevolgen dit zal hebben voor de laatste ronde van onderhandelingen in Kampala. Hoewel niet iedereen zich kan voorstellen wat daar nu nog een geschikte agenda zou zijn, na al die maanden zonder echte vooruitgang of dialoog.

Nu het geweld rond de M23-rebellen tot een einde komt, zal er vooruitgang moeten worden geboekt op andere gebieden. De FIB kwam er niet alleen om tegen M23 te strijden, ze zijn er om alle gewapende groeperingen te ontwapenen.

Wie zal de volgende zijn? Dit is belangrijk. Sommigen suggereren dat Rwanda zich de afgelopen weken rustig hield, onder meer omdat het garanties zou hebben gekregen dat de FDLR (Rwandese Hutu-militie met haar wortels in de genocide die vanop Congolees grondgebied het regime-Kagame wil bestrijden) de volgende op de lijst is. Ik heb van dit bericht nog geen bevestiging gezien.

Congo zal de rest van het huiswerk moeten maken waar het zich toe verbond in het kaderakkoord van Addis Abeba: de hervorming van de veiligheidssector en de overheidsinstellingen, de consolidatie van het staatsgezag in het oosten, de gewapende groeperingen beletten buurlanden te destabiliseren, het versterken van de agenda gericht op verzoening, tolerantie en democratie, vooruitgang boeken in het decentralisatieproces,… De boodschappenlijst is indrukwekkend maar niet erg concreet.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift