Willem Vermandere en zijn boekenkast

Ik rijd Steenkerke, waar zanger-beeldhouwer-schilder-klarinettist Willem Vermandere woont, voorbij. Om drie dorpen verder in het gure, vlakke land de plaats te bezoeken waar zijn kleinzoontje Rune begraven ligt. Rond het kleine ventje componeerde Vermandere vorig jaar enkele liedjes en instrumentaaltjes. Wanneer de 57-jarige Vlaamse bard mij een uur later bij zijn haardkachel uitnodigt, ben ik eerst zinnens om niets te zeggen over mijn bezoek aan het kerkhof. Maar leven, liefde en dood laten zich in donkere dagen moeilijk wegdringen.
‘Het is vreemd… Maar Runeke ligt niet op dat kerkhof. Runeke leeft zijn eigen leven, hij kreeg zijn eigen mystiek lichaam. Nu begrijp ik wat dat wil zeggen. Het is een enorme opdracht om een gestorven kind of een gestorven geliefde een nieuwe inhoud te geven. Dat kan niet zonder verbeeldingskracht.’

De toon van het gesprek is gezet. Over Vermandere en zijn levensboeken, misschien nog meest van al over dat ene boek dat hij nauwelijks uitdrukkelijk vermeldt: de bijbel. De volgende uren vertelt Vermandere over de Driekoningen, Chinese keizers en demonen en over de boeken van zijn leven.

Alle macht aan de verbeelding?

‘Honderd jaar eenzaamheid heb ik drie keer gelezen. Dat boek bevrijdde mij. Dankzij beelden als van Remedios de Schone, het mooiste meisje van Macondo, zo mooi dat de metsers zich van hun stellingen morsdood lieten vallen toen het meisje voorbijkwam. Zo mooi was ze. Het was geen leven meer in het dorp. Prinsen kwamen van heinde en verre dingen naar haar hand maar pleegden zelfmoord uit wanhoop. Ze hadden dat meisje gezien en ze konden met geen enkele andere vrouw meer… eh … genoegen nemen. En op een dag staat ze buiten met haar moeder de was op te plooien. Een kleine windvlaag rukt dat laken los uit de handen van de moeder en Remedios, met het laken in de hand, begint op te stijgen. Langzaam stijgt ze op ten hemel. Ze wordt ten hemel opgenomen, tot de hoogste vogels van de verbeelding haar niet meer kunnen achterhalen. Dan moet ik dat boek dichtdoen en zeggen: het is niet mogelijk, zo schoon, zo waarachtig. Dat is helemaal onmogelijk en toch is dat zo aangrijpend, zo prachtig. Dat heeft mij op slag heel de bijbel -de verhalen zoals die van Adam en Eva, van de ark van Noah en de doortocht door de Rode Zee- en heel de mythologie doen begrijpen en op de juiste manier leren begrijpen. Daarvan moet je geen enkel woord geloven en toch is het van vlees en bloed. ‘

Zoals uw liederen?

De Nederlandse cabaretier Jules Decorte zei mij een aantal jaren geleden: ‘Het enige wat je moet doen op het podium, is zeggen aan de mensen wie je bent.’ Dat onthoud ik. Zeggen waarmee je blij bent, waarom je verdrietig of kwaad bent, zeggen aan de mensen waar je vandaan komt, wie je vader was, wie je moeder was. Ik heb niet meer het gevoel dat ik ga optreden. Ik ga ergens een avond naartoe. Being there. Om de dingen aan elkaar te rijmen, om in een heviger werkelijkheid te gaan vertoeven. Daar zijn bij de mensen, in mijn hevigste gedaante. Wij, kunstenaars, zijn geroepen om nieuwe fabels te scheppen. Nieuwe zuurstof te geven aan mensen, liefst met een glimlach, zo eenvoudig is dat. Het is veel te kostbaar om dat over te laten aan godgeleerde mensen die niet meer uit hun eigen bouwsels geraken. De mystiek, dat is iets anders, dat is ons zieltje dat een vleugelslag neemt. Ik verzeilde in mijn jonge jaren een tijdje in het klooster. Ik moest daar wegtrekken om mijn geloof niet te verliezen, om mijn geloof vrij te stellen. Ik heb moeten vechten tegen mezelf, men zei dat het hoogmoed was en gebrek aan edelmoedigheid. Maar altijd weer werd ik naar dat hok in de tuin gedreven waar ik boomstammen binnensleepte om met een paar beitels en een hamer, die ik van mijn vader gekregen had, beelden te kappen. Ik begon liedjes te schrijven. Dát waren sporen naar mezelf. Ik ben een vrijzinnig, vrijdenkend mens geworden. Ik moest mij bevrijden. Daarvoor had ik contacten nodig en schrijvers. Zoals Gerard Walschap die mij leerde twijfelen. Een boek als Zuster Virgilia ontredderde mij. Het was zodanig met een dubbele pen geschreven, die vrouw was daar zo gelukkig in dat klooster, maar tussen de regels door las je ook hoe zij -geschapen om een man en kinderen gelukkig te maken- tenonderging. Toen ik uit het klooster kwam, raadde iemand mij aan om Henry Miller te lezen ‘omdat ik nog groen was achter mijn oren’. Ik las Henry Miller. ‘Zwarte lente’, ‘De Steenbokskeerkring’ en ‘De Kreeftskeerkring’. De trilogie ‘Sexus, Plexus, Nexus’ waarin blijkt hoe Miller een mysticus, een aardse mysticus is die mijn wereld grondig door elkaar schudde. Het was als een omhelzing van moeder aarde. Bij momenten leek het mij pornografie, hoe hij de zinnelijke liefde in alle toonaarden beschreef. Later ontdekte ik Isaac Bashevis Singer, een Poolse Jood, die in Amerika met veel honger en ellende aan de bak gekomen is door te schrijven voor een Jiddische krant. Hij noteerde al de vrome vertelsels van zijn vader -een rabijn- en moeder. Heel die precieuze wereld van demonen en ‘dibboeks’ heeft hij met zoveel piëteit en toch met zoveel kritische bedenkingen opgeschreven. Daar in New York vroeg Singer zich af waar de God van Israël tijdens de Holocaust gebleven was. Ik herkende daarin mijn eigen religieuze verleden, de vrome verhalen uit mijn kinderjaren. Ik herkende mijn grootvader die zo oerchristelijk, zo fundamentalistisch, die aan geen jota van de wet twijfelde, die voor alles wat een zwarte rok droeg zijn pet afnam en het hoofd boog.

Demonen dolen ook rond in uw schilderijen, lino’s en tekeningen.

Al die wentelingen van spoken rond mijn hoofd, ja. Die tekeningen en de beelden belichamen mijn verborgen kant. Het is mijn onderbewustzijn. Nu ik de jongste tijd werk met ijzer werd het vuur mijn bondgenoot. Ja, er zit in mijn plastisch werk soms iets demonisch, als een kreet: ‘Laat mij nu eens lelijk doen. Laat mij nu eens een lelijke smoel trekken.’ Omwille van een heilige verontwaardiging. Uit onmacht ook om een vuist te maken naar de wereld. Ik kan het niet met mijn liedjes. Ik ben te gauw gecharmeerd door de mensen. Ik zeg te vlug: ‘Laat ons vriendelijk blijven met elkaar.’ Als ik zo eens een liedje schrijf als ‘Mijn Vlaanderland, mijn nondedju, mijn godverdomse kloteland, …’ dan moet ik mij forceren. Al moét dat woord daar dan staan. Ondanks de grote ergernis van enkele mensen uit mijn omgeving die dat dan gruwelijk vinden, zulke vulgaire woorden. Maar als ik zie hoe ze ons land soms ‘verkloten’, dan staat dat woord daar op zijn plaats. Het ligt niet in mijn natuur om brutaal te zijn, maar in mijn beelden kan ik mijn grenzen wel verleggen.


Ik herinner me dat grote beeldhouwers, zoals Rodin, veel lazen.

Ik voel dat als ik een periode niet veel meer gelezen heb, mijn batterij leeggeraakt. Je moet zien dat je een rijke humuslaag hebt in je ziel. Een laag waar je van alles ingooit. Tegelijk kijk ik op die manier intenser naar de wereld. Ik ken Latijns-Amerika dankzij Eduardo Galeano. Subjectieve geschiedschrijving, maar hoe kan het ook anders? Cees Nooteboom ging voor mij op reis. Hij ging zwerven in Tokyo, Zuid-Amerika en vooral in Spanje. Zijn omweg naar Santiago. Hij bezoekt een kathedraal en ziet de marmeren koningen liggen op hun grafstenen. Koud, doods. Maar ‘s nachts, zo schrijft Nooteboom, als de koster de deuren sluit, worden zij wakker. Dan staat daar een prins op. Hij zweeft tussen de pilaren en gaat flirten met een prinses aan de overkant. Dat loopt uit op een orgie van jewelste, tot wanneer de klokken ‘s morgens vroeg weer gaan klepperen en iedereen terug in zijn stenen tombe kruipt. Fantastisch hé? Ik ken de Aboriginals dankzij Bruce Chatwin. Op een dag ontmoet ik hier aan de deur mensen. ‘Ho, Willem, kijk, deze vrouw woont al veertig jaar in Australië!’ Ik had net het boek gelezen van Bruce Chatwin, The Songlines, De Gezongen Aarde. Een loflied op de nomadische mens met passages uit de Koran, de bijbel en de hele wereldliteratuur. Ik zeg tot die vrouw: ‘Dat moet toch fantastisch zijn hoe die Aboriginals…’ Ze onderbreekt mij: ‘Man toch, het zijn luiaards, ze drinken… ze kregen huizen van de regering,…’ Kortom, ze wist er niets zinnigs over te vertellen. Na veertig jaar Australië wist zij niet waar het de Aborignals om te doen is. Ze voelde alleen een groot misprijzen. Wij moeten permanent onze primaire instincten bijschaven, aanvullen, corrigeren. Instincten zoals in de slogan ‘eigen volk eerst’. Dat is ingeboren in ieder volk, in iedere mens. Voor het eigen nest eerst zorgen. ‘Mijn buurman ook’, dat is al beschaving. Dat is een correctie op dat primaire gedoe van extreem rechts. Begrijp je? Beschaving is permanent correcties aanbrengen.

Treden schrijvers en een zanger als u daarom in het voetlicht?

‘Maestro’ Pablo Neruda zegt ergens in de film Il Postino aan zijn vriend postbode: ‘Poëzie is geen eigendom van de dichter, poëzie is eigendom van de mensen die ze nodig hebben.’ Het is een opdracht voor alle bedienaars van het woord. Dát en die andere fundamentele taak: het mensdom troosten in dit tranendal. Al moet ik ook soms mensen een geweten schoppen, zoals Louis-Paul Boon zei. Maar vandaag luidt het eerder ‘kyrie eleison’, ‘heb erbarmen met ons’. Zuchten om mededogen waar mensen zeggen: ‘Wij kunnen er niet meer aan uit. Iemand moet ons hier helpen.’

Want van God moeten wij dat niet meer verwachten?

Als God iets is, dan is het de kern van ieder mens. Het diepste van uzelf, een poging om te gaan leven voor het absolute. Lees het leven van Schubert, van Van Gogh. Het waren mensen die met geen middelmatigheid tevreden waren, die naar het absolute streefden. Zoals een monnik in een trappistenklooster. Als God een naam moet hebben dan is het ‘liefde’. Is er nog hoop? Wij zijn fin-de-siècle-mensen. Duizend jaar geleden leek er ook geen hoop meer te zijn. Ben ik naïef? Ik heb vier kinderen, ik kan mij niet permitteren om pessimistisch te zijn. Wanneer is er geen angst geweest? Zie je de slijtage van de vloertegels in dit huis? Dat is van de Eerste Wereldoorlog. Hier hebben heel de oorlog lang, van 1914 tot 1918, soldaten gezeten. Hier kwamen ze een pint drinken en uitrusten. Het front lag slechts vijftien kilometer verderop. Dit huis is, net als het hele dorp, overeind gebleven. Hier zie je nog de voetsporen. Wie kan er voorspellen hoe het er over vijftig jaar zal uitzien in Europa? Of het oorlog wordt, het extremisme of het fascisme weer zal zegevieren?

De overwinning van de bange, blanke mannen.

Wij zijn bang voor de nomaden. In ‘De Gezongen Aarde’ beschrijft Bruce Chatwin hoe de boer uit onvrede met zijn bestaan de aarde begint open te rijten, zich afschermt en zijn terrein afbakent. De herder loopt rond. Hij is wel tevreden met wat hij vindt. Hij staat veel dichter bij God. God hield veel meer van Abel dan van Kaïn. Dat is een schitterende mythe. De schapen van de herder aten de gewassen van de boer op. Daarom slaat de boer de schaapherder dood. Wij zijn vandaag de sedentairen, wij hebben het goed. Door onze sluwheid gingen wij de grondstoffen halen uit de kolonies. We betaalden hen met wat zilverpapier en een beetje klatergoud. En we maakten ons sterk met ‘Gaat en onderwijst alle volkeren…’. Eeuwenlang gingen wij uit van de veronderstelling dat wij het wisten en de anderen het niet wisten. En nu de hele wereld naar ons staat te kijken, verleid wordt door onze luxe, nu zijn we bang voor de nomaden.

De duisternis valt in de kamer vol schilderijen, muziekinstrumenten, houten en ijzeren beelden. De kamer vol Vermandere. Zijn boeken staan in een achterkamer. Onderweg daarnaar staan kunstboeken, naslagwerken, de brieven van Van Gogh. Ook

het retrograde woordenboek van de Nederlandse taal. ‘Voor wanneer ik eens met een rijmwoord vastzit,’ zegt Vermandere. ‘Bloemenspraak. Sleepbraak. Doorsmaak. Anijssmaak. Oh, ik heb dat zo graag als het rijmt. Doorbreek de poëzie niet, verwaarloos de rijmen niet. Er kwamen Driekoningen met ene ster, zij kwamen van heinde en ze kwamen van ver. Het rijmt, voor mij is dat genoeg. Als het rijmt, wil ik alles geloven. Maria, maagd en moeder: als je daar kunt op rijmen hé, dan is dat in orde voor mij.’

In de achterkamer kuieren we voor de boekenwand, als laatste strofe van deze namiddag. Enkele nieuwe namen vallen nog. Met respect. Streuvels, Gezelle en Gerard Reve (‘die mij mateloos ergert en mij mateloos amuseert’). Ongelezen. Hugo Claus’ Verdriet van België: ‘Het gaat over het nest waaraan ik ontvlucht ben. Die manier om over nonnen en pastoors te schrijven, ik moet daar niet meer van weten. Hij leert mij niets bij. Het is barok. Hij mag een Nobelprijskandidaat zijn… ik ben er gerust in. Van die alombejubelde Claus krijg ik stilaan een punthoofd.’ En dan als een ingeving, de Franse schrijfster Anaïs Nin, als een leessleutel voor Vermandere: ‘Zij schreef in het vooroorlogse Parijs kisten vol dagboeken, vrijmoedige bedenkingen op de wereld en op alles. Steeds over haar eigen creativiteit. Om het succes? Om geld? Neen. Alleen maar om dit leven te verhevigen. Dat komt van Anaïs Nin. Ik zing, ik beeldhouw, ik schrijf om dit leven te verhevigen. Dat is het geheim: ik wil het niet aan mij laten voorbijgaan.’

We keren terug. In een hoekzetel plaatst Vermandere een zware basklarinet tussen zijn benen. De zacht-weemoedige noten, de haard en twee flikkerende kaarsjes houden de demonen voorlopig weg. Er is licht en leven -verhevigd leven- in deze donkere dagen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift