Dossier: 

Zeg niet zomaar moslim tegen een moslim

Interview met Jan Zienkowski

Jan Zienkowski doctoreerde aan de Universiteit Antwerpen over identiteitsvorming en wereldbeelden bij politiek geëngageerde intellectuelen en activisten, voornamelijk van Marokkaanse afkomst. Bij die gesprekken, die werden afgenomen in de periode 2007-2009, kwamen theologisch gefundeerde argumenten nauwelijks voor. Zienkowski: ‘Als islam al ter sprake kwam, ging dat meestal over bepaalde waarden die deze mensen van thuis uit meegekregen hadden, zoals respect of liefde. Die begrippen linken ze aan hun islamitische opvoeding, maar het is niet zo dat ze citaten uit de koran aanhalen.’

  • Jan Zienkowski.

Wanneer het ging over hun wereldbeelden of waarom ze zich maatschappelijk engageren, verwezen ze wel vaak naar de representatie van de islam. Ze worden constant aangesproken op hun moslim zijn, waardoor dit hun identiteitsbeleving overschaduwt. Het “zelf”, wie ze zijn, wordt door de buitenwereld vaak gereduceerd tot enkel dit moslim zijn en dat heeft een negatieve impact op het zelfbeeld van deze mensen.

Wat was de grond voor hun engagement?

Jan Zienkowski: Voor de meesten kwam dat voort uit verontwaardiging, vanuit een emotionele respons op de manier waarop zij aangesproken werden door autoritaire figuren en instituten: leerkrachten, de media… Omdat ze zich niet herkennen in de manier waarop zij aangesproken worden of er over hen wordt gesproken. Dat leidt vaak tot een sterke emotionele impact.

Dan zijn er twee reacties mogelijk: je sluit je af, en dan gebeurt daar niets productiefs mee. Maar de geëngageerde mensen waarmee ik sprak, probeerden dus wel betekenis te geven aan die ervaringen. Politiek bewustzijn wordt vaak via zo’n emotionele interacties getriggerd. Meestal gebeurt dat niet onmiddellijk maar maken die mensen eerst een crisisperiode door. Soms beginnen ze te zoeken en dan kan je om het even waar uitkomen: bij Sharia4Belgium, bij een van de politieke partijen, om het even waar. Of je kan naar Syrië vertrekken. Ik kan me voorstellen dat het gelijkaardige dynamieken zijn.

Welk beeld hebben ze van zichzelf?

Jan Zienkowski: Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen het zelf, het individu enerzijds, en de identiteit of meerdere identiteiten van een individu anderzijds. Wat je vaak ziet in debatten over identiteit, is dat die twee zaken op een hoopje worden gegooid. Vaak wordt er gevraagd: wat is uw identiteit? En dan wordt er impliciet een antwoord verwacht als: Marokkaan, Vlaming, moslim, christen, boeddhist.  Maar je hebt tegelijk ook nog andere identiteiten: je bent ook moeder, journaliste, politica of wat ook. Je bent nog altijd meer dan de som van de delen.

Het “zelf” is het gevoel van coherentie, ondanks al die diverse identiteiten. Problemen ontstaan wanneer dat gevoel van coherentie niet meer ervaren wordt. Of wanneer er bepaalde identiteitsaspecten die je heel erg waardeert, ondermijnd worden in specifieke contexten. Als jongeren die veel belang hechten aan religieuze markers willen tonen dat ze moslim zijn en dat niet mogen uiten in specifieke contexten, dan kan dat effectief tot conflicten leiden. Dat onderscheid tussen het zelfbeeld en de identiteiten waaraan je dat zelfbeeld ophangt en waarmee je je sociaal oriënteert ten aanzien van anderen, is belangrijk.

De manier waarop mensen dat concreet hanteren, loopt heel sterk uit elkaar. Die individuele zelfbeelden zijn heel divers en concreet, maar die mensen zijn zich wel heel bewust van het feit dat ze door autoritaire figuren of door Jan Modaal vaak gereduceerd worden tot hun etnisch-culturele herkomst.

Wat beogen ze met hun inzet?    

Jan Zienkowski: Met hun engagement willen ze de maatschappij mee vorm geven, maar het is tegelijkertijd ook een persoonlijke ontwikkeling, een manier van sociale en individuele ontplooiing.

Ik denk dat dit trouwens niet alleen opgaat voor mensen met allochtone afkomst. Mensen engageren zich vandaag ook om zichzelf te ontwikkelen. Het is een type politiek dat meer en meer opkomt in de civiele samenleving. Het is een vorm van spirituele ontwikkeling. Mensen proberen hun handelen relevant te maken voor zichzelf en voor anderen. En omdat dit sociaal relevant is, heeft dit een politieke impact.

Zijn ze dan ook echt lokaal betrokken, of ligt dat ideaal elders?   

Jan Zienkowski: 
Ze richten zich op de samenleving hier maar ook op de wereld, globaal gezien. Dat is opmerkelijk aan het Syrië-verhaal. In 2007 heb ik contact proberen te zoeken met de mensen van Sharia4Belgium, vlak voordat ze zich zo zijn gaan noemen. Ik had hen niet opgenomen in mijn onderzoek omdat ze toen nog geen publieke standpunten innamen. Ze waren wel veel met politiek bezig, maar dat was heel erg op zichzelf gekeerd: het ging over een goede moslim zijn, de leer, de orthodoxie. Naar buiten toe deden ze geen uitspraken over België.

Ze traden voor het eerst op het publieke forum in 2010 op de lezing van Benno Barnhard aan de Universiteit Antwerpen. Daarvoor hadden we zoiets vanuit islamitisch religieuze hoek niet in Vlaanderen. Dat verschijnsel is heel recent.

Ik heb het niet onderzocht, maar ik kan me wel voorstellen dat die jongeren zich niet herkennen in de manier waarop er hier op Syrië gereageerd wordt, vanuit waarden die zij aanhangen, als “vrijheid” en  “strijd tegen onderdrukking”. Als je dan een kader aangeboden krijgt dat verklaart waarom die mensen in Syrië worden afgeslacht en je krijgt middelen om daar iets aan te doen, kan ik me voorstellen dat de verleiding kan ontstaan. Ik denk dat die mensen van betekenis willen zijn, voor zichzelf en voor iemand anders. 

Ik las pas George Orwell zijn Homage to Catalonia, waarin hij vertelt hoe hij tegen dictator Franco is gaan vechten in de Spaanse burgeroorlog. Ook hij erkent dat hij vertrok vanuit een emotionele opwelling. Dat hij nauwelijks wist wat er aan de hand was in Spanje. De media waren ook toen zeer propagandistisch. Zo belandde hij aan het front bij een stelletje anarchisten. Pas nadien heeft hij ingezien wat er allemaal aan de gang was. Maar zijn eerste emotie was een gevoel van verbondenheid met de arbeidersbevolking en de strijd tegen fascisme.

En zij die zich hier engageren?

Jan Zienkowski: Die mensen spenderen veel tijd aan het samenleven hier, uit puur idealisme. Zij voelen zich verantwoordelijk voor hun eigen leven, maar ook voor het goed functioneren van de stad bijvoorbeeld.

Veel van die mensen voelen zich ook ethisch verplicht om iets te doen aan hun situatie of die van hun medemensen. Ze vinden ook dat ze het recht hebben om deze samenleving mee vorm te geven. Neem de hele kwestie van religieuze symbolen: de overgrote meerderheid vindt wel dat hoofddoeken achter loketten moeten kunnen. Maar in de politieke retoriek komt religie niet op de eerste plaats. Ze halen geen theologische argumenten aan, zoals een salafist waarschijnlijk wel zou doen.

Er is dan wel een duidelijk verschil in politiek engagement tussen de eerste generatie en de latere generaties?

Jan Zienkowski: De eerste generatie hield zich afzijdig van de politiek. Zij waren gastarbeiders en wilden terugkeren. De tweede en derde generatie maken claims – dat is het democratisch principe- en willen de samenleving mee vorm geven.

Dit gebeurde voor de eerste keer collectief vanuit een minderhedenperspectief en op een georganiseerde manier door de Arabisch Europese Liga (AEL). Die lanceerde een oproep voor het opnemen van een publieke stem, waarbij tegelijk de basiscategorieën van het Vlaams discours over identiteit en over de relatie tussen Vlamingen en allochtonen in vraag werden gesteld.

De AEL stelde twee begrippen fundamenteel in vraag, namelijk “integratie” en “allochtonie,” en verwierp het conceptuele kader dat was opgericht onder invloed van het Vlaams Belang. Volgens de AEL was het “gematigde” discours van integratie uiteindelijk een rechts discours, dat een homogene natie nastreeft. De AEL was heel seculier en baseerde zich niet uitsluitend op islamitische ideeën. Toch werd hen islamisme en radicalisme verweten. De AEL was inderdaad radicaal op een aantal punten, maar het ging wel om een seculier project.

Maar die dialoog is gecrasht en de AEL opgedoekt.

Jan Zienkowski: Dat is de “integratieparadox”: hoe meer je je als minderheidsgroep mengt met de publieke samenleving, hoe meer dit als problematisch ervaren wordt. Wie meer ruimte claimt laat feller van zicht horen. Sociologisch gezien zou je kunnen zeggen dat de chassidische gemeenschap hier in Antwerpen minder geïntegreerd is in termen van sociale netwerken. Tegelijk zie je dat de Marokkaanse integratie feller geproblematiseerd wordt dan de chassidische gemeenschap. Dat is de integratieparadox.

Hebben we vandaag opnieuw nood aan zoiets als de AEL?

Jan Zienkowski: De AEL is prematuur de kop ingedrukt, maar of we vandaag ook zo’n etnisch-cultureel project nodig hebben, daar ben ik minder van overtuigd. Heel wat van de mensen die ik gesproken heb, vinden wel een weg en een plek om zich te engageren. Dat aantal neemt ook toe, omdat je steeds meer hogeropgeleide mensen krijgt. Dat bewijst nog eens het belang van het onderwijs.

Mensen die sociologie, of politieke of culturele wetenschappen hebben gestudeerd krijgen door die opleiding de mogelijkheid om hun persoonlijke ervaringen te kaderen.  Ze beginnen theoretisch na te denken over begrippen als racisme of integratie en krijgen de kans om vanuit een vogelperspectief naar hun eigen ervaringen en die van anderen te kijken. Dat is belangrijk voor het politiek bewustzijn, maar ook voor de identiteitsontwikkeling.

Wat is het aandeel van de media in de beeldvorming over de islam?

Jan Zienkowski: De media zijn daarin in de fout gegaan, zeker na 9/11. Dat is een algemene tendens. Ook studies wijzen uit dat de representaties van moslims na 9/11 extreem gepolariseerd zijn. Bij ons werd die polarisering nog versterkt door de retoriek van het Vlaams Belang en een notie van Vlaanderen met een homogene taal en identiteit. Die elementen haakten mooi op elkaar in.

Ik gaf ook media aan toekomstige journalisten. In een klas van iets meer dan 70 studenten vroeg ik hen of ze vonden dat ze goed geïnformeerd werden over de islam. De meesten vonden van wel, maar niemand kon het verschil uitleggen tussen soennieten en sjiieten, terwijl het daar voortdurend over gaat. Maar blijkbaar slagen de media er ook niet in om dat helder te vertellen.

Taal en het gebruik van bepaalde terminologieën was in uw onderzoek heel belangrijk. Hoe stond men tegenover een begrip als “integratie”?

Jan Zienkowski: Heel sceptisch. Begin jaren 90 verscheen Het Belgische migrantendebat van Jan Blommaert en Jef Verschueren. Hun stelling was: er is een verschil tussen de sociologische definitie van integratie en de manier waarop de term in het maatschappelijke debat gebruikt wordt. In de sociologische definitie kan je een ding niet in het andere integreren zonder dat er een wisselwerking is. Maar op het domein van allochtonen, zie je dat het eenrichtingsverkeer is. Zij moeten zich integreren. Waarin? In de maatschappij. Men gaat ervan uit dat ze buiten de maatschappij staan. Men kijkt niet vanuit het andere perspectief, wat de maatschappij dan doet om hen te integreren. Dat kom je veel minder tegen.

Er is ook geen checklist om uit te maken wanneer ze geïntegreerd zijn. Iemand is geïntegreerd wanneer die zijn belastingen betaalt, stelden Blommaert en Verschueren. Die definitie werd opgepikt door de AEL. In het gangbare discours wordt integratie gezien als “assimilatie” en de enige vormen van diversiteit die men beoogt zijn dingen als voeding en folklore. Vandaag zie ik dat die analyse door de minderheden gedeeld wordt. Er is eensgezindheid over dat er aan het dominante denken over integratie fundamenteel iets aan scheelt. Aanvankelijk was “integratie” in het leven geroepen om af te stappen van het concept migratie. Nu spreekt men over integratie, over diversiteit en superdiversiteit.

De superdiversiteit maakt dat we het niet meer enkel over Turken en Marokkanen hebben.

Jan Zienkowski: Dat is het grootste voordeel van die term. Maar ik heb er een dubbel gevoel bij. Ik ben er niet tegen, maar de mensen die over diversiteit spreken, zoals Blommaert en Verschueren, bedoelen met diversiteit grotendeels hetzelfde als superdiversiteit. Maar inderdaad, begrippen verouderen en je moet telkens nieuwe termen bedenken. 

Wat ziet u als een agenda voor de toekomst?

Jan Zienkowski: Het onderwijs is een van de belangrijkste instrumenten om kinderen te leren de verschillende identiteiten te hanteren in verschillende contexten: etnisch-cultureel, sociaal, gendergerelateerd, beroepspositie. Zeker niet alleen kinderen van allochtonen gaan daar voordeel van ondervinden.

Een andere zaak om voor ogen te houden is dat je “zelf” meer is dan één van die labeltjes of identiteiten. Wanneer je gereduceerd wordt tot één labeltje, geraak je sowieso in de problemen. Dat is beperkend en dat kan tot conflicten leiden. Ook voor jezelf: als je je constant alleen maar als boeddhist ziet, gaan er contexten zijn waar je in conflict komt, en ga je vaak de ervaring hebben dat je jezelf niet kan zijn. Het “zelf” is veel meer dan een identiteitsfacet, een label of functie. Dat geldt voor iedereen maar wordt uitvergroot voor allochtone moslims.

Het is ook belangrijk dat dit onderwijssysteem hen een gevoel van erkenning kan meegeven, opdat ze het gevoel zouden krijgen dat ze een plek hebben in de maatschappij, ongeacht hun etnisch culturele achtergrond. Door bijvoorbeeld hun taal mee te nemen in bepaalde lessen, of door in de geschiedenislessen die delen van de wereld mee te nemen en onze kijk minder eurocentrisch te maken. Dat zijn belangrijke zaken, omdat je hun aanwezigheid hier op historisch vlak dan ook een bestaansreden geeft. Dan geef je hen ook het gevoel dat ze deel uitmaken van de geschiedenis zoals die zich vandaag de dag hier vormt. Ik denk dat dit heel belangrijk is, en je kan dat op verschillende manieren doen. Zo zijn er nu al scholen die bijvoorbeeld hun leerlingen hebben meegenomen naar een Marokkaanse begraafplaats waar allemaal strijders van de Tweede Wereldoorlog begraven liggen. 

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift