Reisgenoegens in Oost-Congo

Over en weer van Butembo naar Bukavu. In een gewoon land zijn die 400 km een formaliteit. In Congo is het elke keer weer een avontuur.

De reis was nochtans goed begonnen. Het vliegtuig was op tijd en de weersomstandigheden waren prima. Normaal gezien neem je voor de afstand Butembo-Bukavu helemaal niet het vliegtuig. De weg, die onderdeel is van de hoofdweg van Cairo naar Kaapstad, is zelfs nog in redelijke staat. Maar het probleem ligt bij de onveiligheid. Nog steeds zijn trajecten tussen Lubero en Rutshuru onder controle van gewapende groepen. En daar hoort zowel het “reguliere” leger de FARDC  bij, als de Rwandese rebellen FDLR en diverse Mai Mai milities.

Mensen die zich de 400 dollar van het vliegtuigbiljet naar Goma heen en terug niet kunnen veroorloven hebben evenwel geen andere keuze dan de weg te nemen. Als de volgepropte minibusjes van de taxidienst niet in konvooi rijden onder MONUSCO-begeleiding, lopen ze steevast een groot risico. Te vaak horen we van weer een actie van coupeurs de route. Als de chauffeur niet meteen halt houdt bij de eerste aanmaning blijft het niet bij plundering van de passagiers en verkrachting van de vrouwen. Dan wordt soms koudweg het hele voertuig doorzeefd met kogels. Het is van 2002 geleden dat ik die weg nog gebruikt heb (en daarbij op het nippertje ontsnapte aan een Mai Mai aanval dankzij een voertuig dat ons tegemoetkwam en ons liet stoppen. De chauffeur vertelde toen rillend hoe hij 5 km eerder de kogels rond zijn oren hoorde fluiten).

Dus toch maar het vliegtuig. Prachtig zicht onderweg. De dichtbevolkte heuvels van le Grand Nord, die plots overgaan in de Rwindivlakte. Kilometerslange lavastroken hebben het natuurlijk woud vernietigd bij de uitbarstingen van 2001. Vele adventiefkratertjes zijn ontstaan op de goed zichtbare aardkloven waaruit dagenlang lava is gestroomd. De toppen van de Nyamulagira en van de Nyiragongo blijven deels aan ons zicht onttrokken door hun grote hoogte. Onze Twin Otter blijft een heel eind onder hun top vliegen. Hoe graag zou ik eens willen over de krater van de Nyiragongo vliegen om het lavameer vanuit de lucht te zien. Maar dat kan je natuurlijk aan een lijnvliegtuig niet vragen. Zelfs in Congo niet.

Nog voor ons toestel in Goma aan de grond staat zie ik een hagelwitte slanke hypermoderne jet met omhooggeplooide vleugeltippen op het tarmac staan. Vlak voor de spitse neus staat een brandweerwagen geparkeerd. Duidelijk om het toestel de weg te versperren. Dat de brandweerwagen niet meer dient waarvoor hij ooit is gemaakt was me eerder al duidelijk. Als een vliegtuig zich klaarmaakt om op te stijgen, komt een jongeman met een uit de kluiten gewassen draagbare brandblusser naast het toestel staan, zich zichtbaar bewust van zijn loodzware verantwoordelijkheid. De brandweerwagen werd gedegradeerd tot vliegtuigblokkade.

De opvallende jet werd in beslag genomen, nu al enkele weken geleden, omdat hij een illegale lading goud aan boord bleek te hebben, en een niet nader genoemde hoeveelheid cash. Het blijkt om een Amerikaans privé-toestel te gaan, en de bemanning werd opgesloten. Sindsdien hebben we er niets meer van gehoord.

De illegale transactie zou door Jean-Bosco Ntaganda zijn opgezet, de man die Nkunda heeft opgevolgd als bevelhebber van de CNDP-rebellengroep die intussen in het officiële leger is opgenomen. Duister zaakje. Dat er geen duidelijkheid in komt geeft een gevoel van onbehagen: de publieke opinie wordt met opzet niet ingelicht. En dat stinkt.

In Goma kunnen we niet anders dan overnachten. Alle boten naar Bukavu zijn al vroeg in de ochtend vertrokken. We nemen onze intrek in het Caritas guesthouse. Schitterend gelegen aan de oever van het Kivumeer, vlakbij de Rwandese grens. Het ligt wel in de aanvliegroute van de luchthaven. De helft van de toestellen die laag overscheren zijn witte VN-vliegtuigen. Sommige vliegtuigen lijken geen enkel kenteken te dragen. Hebben ze meer dan één niet-functionele brandweerwagen?, vraag ik me af, mocht er opnieuw een vliegtuig met dubieuze vracht neerstrijken. Maar mijn blik wordt meteen getrokken door een nieuw landschapselement: in het Kivumeer, op gezichtsafstand, op het Rwandese deel, drijft een soort van miniboorplatform. Maar het boort niet naar olie: het is de installatie die methaangas uit de diepere waterlagen naar boven haalt, en via een drijvende pijpleiding naar Gisenyi stuurt. Rwanda investeert in zijn energievoorziening. De Primus-brouwerij draait al op methaan. Binnenkort wordt er ook elektriciteit mee opgewekt. Maar Congo staat er naar te koekeloeren… Het methaangas is een zichzelf vernieuwende energiebron. Dat zou een uitstekende energiebron zijn voor het energiearme Congolese binnenland, en voor een stad als Goma waar elke dag minstens vijf langdurige stroomonderbrekingen vallen. Maar neen, de regering verkiest licenties te geven aan Amerikaanse petroleumbedrijven om in het Virungapark, dat deel uitmaakt van het werelderfgoed, te gaan boren naar fossiele brandstoffen. Dat UNESCO er mee dreigt om de titel van werelderfgoed weer af te pakken als ze hun zin doordrijven, lijkt de kouwe kleren van de regering niet te raken.

De keuken van het guesthouse is belabberd, en ik laat de helft van het eten onaangeroerd op mijn bord liggen, terwijl de zoveelste keer het licht uitvalt. Ik kruip vroeg onder de veren om de ochtendboot naar Bukavu niet te missen. Maar rond halftwee word ik wakker van gemene buikkrampen zoals ik er nooit eerder meemaakte. Ik kan niet langer in bed blijven. Ik weet niet meer hoe me te houden. Rechtstaan of neerliggen, de pijn blijft ondraaglijk. Ik plooi dubbel. Het zweet breekt me uit langs alle kanten. Het lijkt of elke vezel van mijn darmstelsel is veranderd in een opgespannen vioolsnaar waar een beginneling probeert muziek uit te krijgen. Ik adem in horten en stoten als een bevallende vrouw. Niets helpt. Tsunamis van pijn rollen door mijn gestel. Tot ik na een uur afzien met overlopende ogen wanhopig op de WC-pot ga hangen. Een onooglijke hoeveelheid vocht van een niet nader te omschrijven consistentie ontsnapt aan mijn lichaam. Geen vooruitzicht op pijnontlasting langs die kant, denk ik. Maar ineens is de hevige kramp als bij toverslag verdwenen.

Nu kan je me niet verdenken van niet vertrouwd te zijn met het verschijnsel van reizigersdiarree. Daar heb ik in al die jaren omzwervingen in de wereld meer dan mijn deel van gehad. Maar dit heb ik nooit eerder meegemaakt. Om halfzes sta ik onzeker op om mijn conditie te testen. Tot mijn aangename verrassing kunnen mijn benen me dragen. Alles lijkt prima te gaan. Was het maar een nachtmerrie, of heb ik dit echt doorgemaakt? Met een lichte druk op mijn buikwand kan ik nog voelen dat bepaalde weefsels aan onduidelijke krachten zijn blootgesteld geweest. Een kwartier later zit ik opgelucht in de taxi naar de haven.

Vier nachtboten draaien trage cirkels op het rustige watervlak. De avond voordien zijn ze rond zonsondergang uit Bukavu vertrokken om tegen middernacht al hun bestemming in Goma te bereiken. Maar de havenpolitie geeft hen pas om 7 uur toestemming om aan te meren. Ze willen ontschepende passagiers bij klaarlichte dag kunnen bekijken. Al die tijd profiteren predikanten er van om hun boodschap te spuien. Slapen aan boord kan je toch niet. Er zijn geen kajuiten, geen matrassen en het is er koud. Dan kan je net zo goed naar de religieuze gezangen van de prediker luisteren.

Mijn collega en reisgezellin Furaha en ikzelf moeten eerst worden opgeschreven door de migratiedienst. Ik probeer nog een grapje te maken dat we geen grens gaan overgestoken, en niet van plan zijn te migreren, gewoon maar in Congo willen reizen. Maar de geüniformeerde voor mij geeft geen blijk van enig begrip en vraagt op korzelige ambtenarentoon: “profession?”.

Congo is het enige land dat ik ken waar elk van je verplaatsingen steevast wordt opgeschreven door de Directie-Generaal Migratie, en waar je een “ordre de mission” bij de hand moet hebben. Volgens David Van Reybrouck in “Congo. Een geschiedenis” is dat indertijd door de koloniale administratie ingevoerd om verplaatsingen van inboorlingen te kunnen opvolgen en onregelmatigheden tijdig op te sporen. Die gewoonte is een eigen leven gaan lijden, en niemand stelt zich daar vragen bij. Ik troost me bij de gedachte dat ook alle Congolezen hetzelfde lot beschoren is. Geen discriminatie meer in dit land. Op dit vlak toch niet.

We stappen in de kleine Marinette. Ik hoor verschillende medereizigers mopperen: waarom is het de grote niet? Hun ongenoegen dringt pas tot me door als ik gezeten ben. De kleine speedboot is berekend op maximale ruimtebenutting. Het begrip beenruimte is daarbij duidelijk niet in rekening gebracht. Gelukkig reis ik met een vrouw, en vult mijn schouderbreedte haar bekkenbreedte perfect aan, zodat ze niet van haar zetel wordt geduwd. Haar zachte huid helpt me het reislijden te vergeten. Vóór mij reist een jonge moeder met twee kleine meisjes op haar schoot. Ze heeft maar één zetel betaald, dus moet ze zich daar ook toe beperken. Er komt een doorvoede zakenman naast haar zitten, van het kaliber waarbij het nekvet boven de veel te spannende hemdskraag uitpuilt. Ocharme, denk ik, maar het kleinste dochtertje van tien maanden vangt mijn blik, en geeft me een hartveroverende glimlach. Mijn dag kan al niet meer stuk, en hij is nog maar pas begonnen.

Onderweg krijgen we zelfs een sandwich met kaas en ei, die mijn herstellende ingewanden met veel dank aanvaarden. Maar de kapitein vindt het niet de moeite ons in te lichten dat we onderweg in Idjwi-noord nog een passagier gaan oppikken. Het raadsel van die ene vrijgebleven zetel is daarmee ook meteen opgelost.

Twee uur na afreis staan we behouden in Bukavu. Onderweg hebben we bij momenten serieuze slagen moeten incasseren, als de snelheid van de boot bruusk geremd werd door te hoge golven die tegen de kiel botsten. Dat is ook de reden waarom mensen liever niet met de kleine Marinette varen. Maar op geen enkel moment heb ik me onveilig gevoeld. De opgezwollen voeten door het gebrek aan beweging neem ik er bij.

Eenmaal in Bukavu moeten we door dikke slijklagen laveren tot bij de wagen. Het ontbreekt totaal aan alle infrastructuur een haven waardig. Hallucinant. Bij het binnenrijden van de stad blijkt hoe erg de staat van het koloniale wegdek intussen is geworden. Van de “5 chantiers” van de president is hier gewoon niets te merken. Alleen het grote ronde punt bij het binnenkomen van de stad is heraangelegd. Te weinig te laat om een verkiezingscampagne op te bouwen, bedenk ik me. Mijn logeerkamer in Bukavu is een verademing: niet alleen is er elke dag water (in Butembo gemiddeld slechts één dag in de week), maar er is ook altijd WARM water. Wat een genot…!

De dag vóór de terugreis uit Bukavu struikel ik op internet op de site van Radio Okapi op een bericht dat de luchthaven van Goma lam ligt door een staking. Verslagen meld ik de tegenslag aan Furaha. We hebben enkel de zondag om de boot te nemen naar Goma en aansluitend het vliegtuig naar Butembo. Want op maandag begint een nieuwe missie, richting noorden deze keer. Daar hebben we dertig mensen voor gemobiliseerd, dus we moeten absoluut op tijd in Butembo zijn!

Het personeel van de Régie des Voies Aériennes dat de luchthaven runt heeft het werk neergelegd omdat ze manu militari uit hun huizen werden gezet door de militairen die het kamp Dumez volledig voor zichzelf opeisten. Goma is een internationale luchthaven: daar stromen behoorlijk wat goederen doorheen, onder meer voor de bevoorrading van Kinshasa. Een grote inkomstenbron voor de stad ook. Die lamleggen is ongetwijfeld de meest effectieve protestactie die men zich kan inbeelden. We leefden op hoop dus.

De ochtend erop zagen we eerst nog de nachtboten weer lijdzaam rondjes draaien vooraleer om 7 uur te kunnen aanleggen in Bukavu. En ook de Migratiediensten stonden er weer om ons op te schrijven, met een plastieken stoel als schrijftafel. Nu zelfs ook nog een hygiënische dienst met een eigen lijst. Je kan de overheid niet verwijten dat ze niet aan tewerkstelling denkt….  

De terugvaart doen we deze keer in de grote Marinette. Inderdaad veel comfortabeler, mét beenruimte. TV aan boord, met een one man show van Pie Tshibanda. De reizigers begrijpen geen zier van zijn bizarre verhalen over Belgische toestanden bekeken door de zonnebril van een politiek vluchteling.

In de haven van Goma maken we ons heel klein om ongemerkt voorbij de migratiediensten te sluipen. Het lukt. Guillaume, onze taximan, staat ons blij op te wachten. Vandaag heeft hij tenminste een inkomen. We rijden recht naar de luchthaven. Weinig verkeer op zondagochtend. Ter hoogte van het MONUSCO-kamp op weg naar de luchthaven ligt een zeer uitgestrekt kerkhof rechts van de baan. Geen vierkante centimeter is onbeplant gebleven. De bonen staan in het vier tot zes bladstadium en blaken van gezondheid. Op de hogergelegen gedeeltes groeit maïs. Erg vruchtbaar, die vulkanische kerkhofgrond….

Bij aankomst op de luchthaven blijkt tot onze opluchting dat vandaag toch een minimumdienst wordt gewaarborgd. De vliegtuigen zijn op zaterdag door de staking niet kunnen binnenvliegen, zodat ze eerst nog moeten worden opgewacht om daarna pas met vertraging te kunnen opstijgen. Maar net daardoor kunnen we vroeger vertrekken dan het normale uurrooster ons zou hebben toegelaten. Want de ochtendvlucht zou op dit uur al vertrokken zijn. Zondag de dertiende is duidelijk geen ongeluksdag.

Tegen alle verwachtingen in staan we zes uur na ons vertrek uit Bukavu al in Butembo. Dankzij het Congolese leger, ook al hebben ze daar ongetwijfeld geen enkel besef van. En het leed van de RVA-mensen breng ik daarbij natuurlijk niet in rekening.

In ons vliegtuig reisde ook een traditioneel heerser, een Mwami, met zijn gevolg. Hij droeg een met parels afgezet stafje in de hand dat uitmondt in een toef blonde haren. Als kind kreeg ik er ooit zo een kado van mijn ouders, nadat ze terugkeerden van een interimopdracht in Rwanda, waarvoor ik te oud werd bevonden om hen te mogen vergezellen. Een nonkel heeft toen zijn intrek in ons huis genomen om op mijn oudere broer en mezelf te letten. Maar dat is een ander verhaal. Het heeft veertig jaar geduurd vooraleer ik nu te weten kom waar die beparelde kwast voor dient: om de autoriteit herkenbaar te maken…!

Toen ik de naam van de Mwami vernam keek ik door het vliegtuigraampje naar het voorbijglijdende door lavastromen verkoolde landschap. Heel even beeldde ik me een ander soort verwoesting in, terwijl ik me afvroeg of ik hem zou zeggen wat zijn naam in me oproept. De oorspronkelijke betekenis van zijn naam verwijst naar het feit dat zeven broertjes vóór hem allemaal op jonge leeftijd zijn gestorven en zijn wanhopige ouders waren bang dat hem hetzelfde lot zou beschoren zijn. Want dat is de betekenis van zijn naam in het Swahili: doodsbenauwd. Hij gaf grif toe dat hij nog nooit eerder uitgelegd kreeg wat zijn naam in Europa oproept, en is verrast dat de Swahili betekenis ook daar opgaat, zij het om heel andere redenen. En dat hij dat nu net moet vernemen… in een vliegtuig.

Zijn naam is Mwami… Stuka !

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur