Wanneer schrijft Congo de geschiedenis van Kongo?

‘Tot de leeuwen hun eigen historici hebben, zal de geschiedenis van de jacht altijd de jager verheerlijken.’

  • © Ivan Godfroid In populaire kunst blijft de koloniale tijd terugkeren als een periode van dwang en geweld © Ivan Godfroid
  • © Ivan Godfroid "The Conciliation", oudste koloniale schilderij van Tasmanië. De overgave van de laatste overlevenden van een gruwelijke oorlog. © Ivan Godfroid
  • © Ivan Godfroid In Tasmanië is "kolonie" een nog steeds gebruikt woord © Ivan Godfroid
  • © Ivan Godfroid Eén van de heilige plaatsen van de Tasmaanse aboriginals © Ivan Godfroid

De blogpost van Sabrine Ingabire zette me aan het denken. Wat weet ik nog over wat mijn schoolse opvoeding me meegaf over de Belgische koloniën? Inderdaad, ze heeft gelijk, dat stelt echt niet veel voor.

De helderste herinnering komt uit de tweede kleuterklas. Dan kreeg ik een kaartje waarop een guitig Afrikaanse jongetje stond getekend. In het kaartje zat een serie gaatjes, en die moest ik met naald en draad met elkaar verbinden. En kijk, dat werd een olifant, en het jongetje bleek in zijn nek te zitten.

Die herinnering blijft zo scherp omdat ik dat bewuste kaartje af en toe nog eens tegenkwam tussen mijn spullen. Het zou me niet verwonderen moest het op een dag nog eens tevoorschijn komen. Mijn ‘bezittingen’ zitten nu al negen jaar verspreid in kartonnen dozen bij vier verschillende mensen. Gek, dat gevoel dat je een mensenleven zomaar in dozen kan opbergen.

Lot

Als kind hoorde ik nochtans veel over Afrika. Niet op de schoolbanken, maar wel thuis. Mijn vader was een gretige verteller, en hij liet geen kans onbenut om anekdotes op te diepen over zijn “term”, zijn drie jaar in Afrika als topograaf in overheidsdienst. Van 1956 tot 1958 verbleven mijn ouders in Rwanda, en precies middenin die periode hebben ze mij daar op de wereld gezet.

Meteen was mijn lot voor altijd verbonden aan Afrika. Mijn hele jeugd door bezwoor mijn vader zijn nostalgie door haast dagdagelijks Swahili uitdrukkingen te gebruiken. “Kawa iko? Chakula Teyari? Hakuna shida. Kazi yako!”. Ik vertoefde graag in zijn bibliotheek om te snuisteren in zijn boeken over Afrika. Sommigen hadden nog pagina’s die je aan de bovenrand met een scherp mes moest opensnijden. Op school werd ik altijd weer als iemand apart bekeken als ze op mijn papieren zagen staan, geboorteplaats: Kigali. Ik vond het zo erg dat ik daar zelf helemaal niets kon over vertellen. Op de leeftijd van anderhalf jaar zijn je hersenen met andere dingen bezig dan herinneringen opslaan.

Maar de geschiedenislessen op school? Ik kan er me amper nog iets van herinneren, en dat kan alleen maar omdat er amper iets werd over gezegd. Vaag iets over de grote koning met de lange baard die zijn sterke buren een hak zette door een groot stuk uit de taart van Berlijn te happen, zieltjes liet redden en lelijke slavendrijvers bestreed. Maar absoluut niets over afgehakte handen, over de chicotte, over de Openbare Weermacht of de Tweede Wereldoorlog in Afrika. Niets over de Union Minière, de lokale invulling van apartheid, het dertigjarenplan van Van Bilzen, laat staan over Lumumba. Daarom laat ik nu nog altijd geen enkele kans liggen om er meer over te weten en dat kennisgat alsnog op te vullen.

Boeken in Congo

Ik ben bij de eersten die het nieuwe boek “Kongo” van Lucas Catherine (EPO, 2017) hebben gekocht. Ook als er een oud boek over de kolonie op tweedehands websites wordt aangeboden, kan ik er niet aan weerstaan om mee te bieden. Ik heb hier in mijn kast in Butembo een voorraad exemplaren liggen van de paperback-uitgave van “Congo. Une histoire” van David Van Reybrouck (Actes Sud, 2012) om uit te delen aan mensen waarvan ik aanvoel dat ze graag lezen. Maar zo vaak kom ik die in Congo niet tegen. Ik had er twee jaar geleden 25 meegenomen. Er schieten er nog 14 over.

Een kennis van me, een voormalige, erg gerespecteerde en op rust gestelde leerkracht van het ABOS die in de jaren 70 les gaf in Butembo, heeft hier onlangs een bibliotheekje laten inrichten met boeken waarvan ik er zelf nog een hele reeks in zijn naam heb meegebracht. Maar er komt niemand lezen, ook al is het gratis. Je kent wellicht wel het vaak herhaalde grapje: “wil je iets verbergen voor de Congolezen, schrijf er dan een boek over”. Zoals Congo over een nationaal netwerk van telefoonlijnen is gesprongen om zonder die tussenstap bij draadloze telefonie te belanden, is ook het gedrukte woord aan de meesten voorbijgegaan en is het nu het internet dat alle aandacht krijgt. Ook weer dank zij die draadloze telefonie natuurlijk.

Autobiografische geschiedenis

Nooit las ik een toegankelijk geschiedkundig werk van de hand van een Congolees. Is het omdat de Congolees niet leest dat hij ook amper aan geschiedschrijving doet? Is het omdat hij zich schaamt voor zijn verleden dat hij er zich niet aan waagt?

‘De geschiedenis heeft ons vernietigd, maar het is in diezelfde geschiedenis dat we moeten gaan putten om ons herop te bouwen.’

Moest het van Didier Umengi afhangen, het zou er in alle geval helemaal anders aan toe gaan. In zijn pleidooi voor een autobiografische geschiedenis van Congo (L’Harmattan, 2017) zegt hij onomwonden: ‘de geschiedenis heeft ons vernietigd, maar het is in diezelfde geschiedenis dat we moeten gaan putten om ons herop te bouwen. Inderdaad, ons geheugen is stilgevallen. Het spreekt niet meer tot ons: wij weten niet meer wie we zijn, van waar we komen noch waar we heen gaan. Ons heil ligt vandaag in onze bereidheid om ons geheugen herop te wekken, om het menselijk wezen dat we waren vóór de objectivering door de slavenhandel en de kolonisatie terug heel te maken’ (p. 8).

Of zoals het Afrikaanse spreekwoord, dat de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe graag aanhaalde, het verwoordt: ‘Tot de leeuwen hun eigen historici hebben, zal de geschiedenis van de jacht altijd de jager verheerlijken.’ Ik hoop dan ook echt dat ik nog mag meemaken dat een nieuwe generatie Congolese geschiedschrijvers opstaat en “Congo. Een geschiedenis” volledig vanuit Congolees perspectief herschrijft.

© Ivan Godfroid

Eén van de heilige plaatsen van de Tasmaanse aboriginals

Wat Tasmanië lang verzweeg

Laatst, op vakantie in Tasmanië, heb ik ook zo een kanjer van een geschiedenisschok opgelopen. Ik had al redelijk vaak gehoord over de Tasmaanse buidelwolf en de Tasmaanse duivel, en het verhaal van de aboriginal in Australië is ook genoegzaam bekend, maar nooit ofte nimmer had iemand me uitgelegd wat de kolonisator had aangevangen met de Tasmaanse bevolking. Dat is decennialang in de doofpot gestoken omdat het absoluut geen fraai verhaal is.

Gaandeweg is die gruwelijke realiteit tijdens ons bezoek tot me doorgedrongen, en op de laatste dag, in een museumshop, kon ik de hand leggen op het boek “The Black War: Fear, Sex and Resistance in Tasmania” van de hand van Nicholas Clements. Dat was een ware oogopener.

Jarenlang doctoraal onderzoek heeft hem de materie opgeleverd die hem heeft toegelaten om het boek te schrijven vanuit een afwisselend oogpunt: de kolonisator aan de ene kant en de Tasmaanse aboriginal aan de andere. Van de laatste groep is er niemand meer over om er zelf nog iets over te zeggen. Enkel hun nakomelingen van gemengd bloed kunnen nog opkomen voor de rechten van hun voorouders. De auteur heeft wel kunnen putten uit de bronnen van enkele zeldzame Britten die het voor hen opnamen en vele aantekeningen hebben achtergelaten met daarin de opinies van het uitgemoorde volk. En dat heeft hem toegelaten om een evenwichtig boek te schrijven, van een soort zoals we dat over het Belgisch-Congolese koloniale verleden niet kennen. Elk hoofdstuk wordt belicht vanuit twee verschillende gezichtspunten in twee deelhoofdstukken, die hij simpelweg ‘white’ en ‘black’ heeft genoemd. Twee keerzijden van een medaille.

Hoe een volk werd uitgemoord

Het verhaal op zich is verschrikkelijk. In de eerste jaren van contact met de zwarte bevolking vonden de blanken die zwarten maar naïeve onschuldige wilden. De Tasmaniërs zagen in de vreemdelingen terugkerende voorouders, want volgens hun mythologie verhuisden de zielen van de doden naar verre eilanden, en gelet op hun lijkkleur moesten dat beslist die voorouders zijn.

Toen duidelijk werd dat de blanken niet langer alleen in boten voorbij vaarden maar zich ook begonnen te vestigen, veranderde de situatie. Tasmanië werd door de indringers omgetoverd tot een strafkolonie. Honderden bajesklanten werden overgebracht vanuit Engeland. En om hen te bewaken waren er soldaten nodig. Veel vrouwvolk liep er daar niet tussen, terwijl net het libido van dat ruwe volkje bovengemiddelde behoeften vertoonde.

De Tasmaniërs werden immers niet als mensen gezien, hoogstens als een soort mensachtigen, inferieure wezens zonder rechten. Je kon er als het ware jacht op maken.

Zo is “gin raiding” ontstaan. Settlers, waarvan velen ex-gevangenen waren die hun straf hadden uitgezeten, overvielen met hun vuurwapens tribale gemeenschappen, doodden de mannen en jongens en roofden de vrouwen en meisjes om hun lusten op bot te vieren. De vrouwen werden aan ketens geklonken en lange tijd misbruikt. Meestal, als de arme slachtoffers volledig onderuit gingen, kregen ze dan gewoon een kogel door de kop om er vanaf te zijn en geen getuigenissen te kunnen afleggen.

De overheid stond niet bepaald achter deze gang van zaken, maar verder dan wat verbaal protest kwamen ze niet. Nooit werd een blanke gestraft voor zulke onmenselijke daad. De Tasmaniërs werden immers niet als mensen gezien, hoogstens als een soort mensachtigen, inferieure wezens zonder rechten. Je kon er als het ware jacht op maken.

Daarbovenop zagen de eerste eilandbewoners dat een niet aflatende stroom settlers zich in Tasmania kwam vestigen. De aboriginals hadden een oersterke band met hun grond. Een recente DNA-studie heeft aangetoond ze zich 50.000 jaar lang op dezelfde plaats hebben kunnen handhaven zonder noodgedwongen te moeten migreren, iets wat geen enkele andere mensengemeenschap hen heeft voorgedaan. De aboriginals zijn hierin geslaagd omdat ze een merkwaardig evenwicht met de natuur hadden gevonden en in tegenstelling tot andere volkeren niet sterk in aantal begonnen toe te nemen. Wellicht komt dit omdat ze leefden van de jacht en de zamel en nooit de landbouw hebben ontdekt. Het eiland, twee en een kwart keer zo groot als België, telde vermoedelijk slechts enkele duizenden inwoners en kende niet die woekering van de menselijke bevolking zoals in andere delen van de planeet. Tot de blanken kwamen…

Guerilla-oorlog

De eerste aanvallen op blanke indringers waren vooral een vergelding voor de gruwel van de gin raiding en de vele slachtoffers die daarbij vielen, van alle leeftijden. Maar toen de settlers begonnen terreinen in te palmen werd ook de leefwijze van de eerste bewoners van Tasmanië in gevaar gebracht: jachtgronden werden ontoegankelijk door afspanningen, seizoenale trekroutes werden onderbroken. Het geweld kreeg ook een dimensie van wanhoop, want voor elke blanke die ze konden vermoorden kwamen er 50 nieuwe aan uit Engeland. Nog later, toen de Tasmaanse bevolking al drastisch was uitgedund, gingen vele aanvallen vooral nog over aan voedsel geraken, in de voorraden van de blanke boeren.

Tussen 1824 en 1831 kwam Tasmanië zo in de ban van een echte guerilla-oorlog. In minstens 833 aanvallen vielen minstens 437 doden en gewonden aan de kant van de settlers. Strafexpedities werden opgezet voor vergeldingsacties eerst, voor een totale uitroeiïngsstrategie nadien, waar ook de overheid nu deelgenoot in werd. De leefgemeenschappen van de Tasmaniërs werden compleet uiteengereten tot ze het punt bereikten dat ze beseft moeten hebben dat er voor hen geen toekomst meer was. Hun overgave en aanvaarding van deportatie naar Flinders Island betekende dan ook hun einde. Ziekte en ontbering leidde al snel tot hun volledige verdwijnen. De enkele tientallen overlevenden van de uitroeiingsoorlog hadden niet genoeg veerkracht meer om als volk te overleven.

© Ivan Godfroid

“The Conciliation”, oudste koloniale schilderij van Tasmanië. De overgave van de laatste overlevenden van een gruwelijke oorlog.

Hun nazaten zijn zich pas vanaf de jaren 70 van vorige eeuw beginnen organiseren om herstel af te dwingen. Het duurde tot 1995 eer twaalf heilige gronden van de Tasmaniërs werden teruggegeven aan de nabestaanden. Tot de dag van vandaag blijven ze ijveren om de skeletten van hun voorouders uit musea wereldwijd terug te halen om ze in Tasmanië een waardige begrafenis te geven.

Ex-kolonie

In Tasmanië is het begrip ‘kolonie’ nog overal in het straatbeeld en de publieke opinie aanwezig. De horeca beschouwt het als een soort van kwaliteits-oormerk, in de zin van ‘die goeie ouwe tijd’. Overheidsgebouwen dragen nog open en bloot de titel.

Er liggen hier in Congo nog grote onontgonnen gebieden van autobiografische

geschiedschrijving.

In hun geschiedenisboeken is de koloniale geest ongetwijfeld geëerd als de grondvest van hun huidige samenleving. Er is niemand meer van de gekoloniseerden over om hen daarin tot de orde te roepen, op hun nakomelingen van gemengd bloed na.

In Congo is de situatie anders. Er leven nog mensen die verhalen over de Congo Vrijstaat uit eerste of tweede hand hebben gehoord, en ook die de Belgische koloniale tijd zelf nog hebben meegemaakt. Er liggen hier nog grote onontgonnen gebieden van autobiografische geschiedschrijving. Ik hoop dat de stem van Didier Umengi luid gehoord zal worden. Om te beginnen door de eigen regering, opdat het belang van geschiedenis voor een natie ook structureel zou vertaald worden in instellingen, curricula, onderzoeksbeurzen. Maar ook door ons eigenste Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, dat nu haast 120 jaar de koloniale geschiedenis eenzijdig heeft laten schrijven door de (ex‑)kolonisator.

Het zou het KMMA sieren mocht blijken, als het in juni 2018 terug opengaat, dat het niet alleen grondig van uitzicht, maar ook van inzicht is veranderd.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur