In Darfoer weerklinkt nog steeds de roep om ‘vrijheid, vrede en gerechtigheid’

Vredesakkoord in Soedan. Maar brengt dat ook veiligheid voor iedereen?

© Juan Medina / Reuters

Ahmad, 38, waagde in augustus 2018 de tocht over de Middellandse Zee. Net als Hassan in dit artikel vluchtte hij voor het geweld in Darfoer.

Is het vredesakkoord tussen de Soedanese overheid en vijf rebellengroepen echt ‘historisch’ of slechts een holle belofte? Vandaag is Soedan, en vooral Darfoer, nog niet voor iedereen een veilige plek. Ondertussen wachten vele Soedanezen in Europa al jaren op erkenning van hun asielaanvraag. ‘Of ik bang ben om teruggestuurd te worden? Natuurlijk. Darfoer is helemaal niet veilig. Maar daar lijkt Europa niet van wakker te liggen.’

‘Op 18 november 2006, vroeg in de ochtend, stormden tientallen gewapende mannen op kamelen en paarden mijn dorp binnen. Ze plunderden alle huizen en brandden alles plat. Wie kon ontsnappen, vond onderdak in el neem, een vluchtelingenkamp in het nabijgelegen stadje Ed Daein. Toch ging ook daar het geweld onverminderd door.’

Hassan* was pas veertien toen zijn afgelegen dorpje in het oosten van Darfoer van de kaart werd weggeveegd. Zoals iedereen in el neem wou hij het liefst zo snel mogelijk terug naar huis. Maar terwijl de oorlog in alle hevigheid verder woedde, zou het kamp nog jaren zijn thuis blijven.

Die oorlog barstte begin 2003 los. Rebellen van Afrikaans-etnische groepen in Darfoer pikten de politieke en economische achterstelling van hun gebieden niet langer en namen de wapens op tegen de regering van president Omar al-Bashir en de grotendeels Arabische toplaag van Soedan.

Om de opstandelingen te onderdrukken, bewapende en financierde al-Bashir de Janjaweed: nietsontziende milities – ook wel duivels op paarden genoemd – die vooral werden geworven onder Arabische nomadenstammen. Met een tactiek van verschroeide aarde lieten ze een spoor van moord en vernieling achter in Darfoer.

Bij de oorlog kwamen volgens de Verenigde Naties minstens 300.000 mensen om. Miljoenen burgers raakten ontheemd of vluchtten weg uit Soedan, onder wie ook Hassan.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

‘Beter sterven op zee, dan in Libië blijven’

We hebben afgesproken in een Brussels park. Hassan is vandaag 28 en woont al bijna twee jaar in België. Hij haalt niet graag herinneringen op aan de lange weg die hij aflegde om naar Europa te komen, maar als dat lotgenoten kan helpen, wil hij wel praten.

‘Niemand wil weg uit Darfoer. Maar de voortdurende aanvallen van de Janjaweed maakten iedereen het leven onmogelijk.’

‘Eén ding moet je begrijpen,’ zegt hij gedecideerd. ‘Niemand wil weg uit Darfoer. Maar de voortdurende aanvallen van de Janjaweed maakten iedereen het leven onmogelijk. Op een dag hebben ze mijn oom en mijn beste vriend gedood. Dat was de druppel. Ik kon niet langer blijven.’

Op een naburige markt vond Hassan een vrachtwagenchauffeur die bereid was om hem mee te nemen naar Libië, waar zovele jongeren uit de regio terechtkomen.

‘Samen met een vriend uit het kamp verschool ik me in de laadruimte tussen het vee. Doordat de vrachtwagen ernstig beschadigd was, duurde het maar liefst drie weken voordat we de grens bereikten. De hele rit moesten we ons gedeisd houden, opdat de Janjaweed ons niet zouden opmerken.’

In Kufra, net over de grens met Libië, wisselden de twee gevluchte jongens van chauffeur en zetten ze koers naar Bani Walid, een notoire mensensmokkelhub. Na een uitputtende tocht arriveerden ze uiteindelijk in de buitenwijken van Ain Zara, aan de Middellandse Zee. Daar werden Hassan en zijn vriend in de slavernij geduwd.

Toen hij aan het werk was zag Hassan hoe Libische opzichters zijn metgezel meedogenloos doodden. ‘De jongen was zo uitgeput dat hij nog maar nauwelijks op zijn benen kon staan. Ze duwden hem van een ladder, waarna hij met een harde smak op de grond neerkwam. Hij stierf ter plaatse.’

‘Ik zag toen voor de eerste keer de zee en dacht: beter daar sterven dan in Libië te worden afgemaakt.’

Hassan vluchtte weg en vond elders in Ain Zara slecht betaald werk. De arbeiders, vooral vluchtelingen, maakten lange dagen en sliepen onder dekens op de vloer. ‘Op een avond stormde een groepje Libische soldaten binnen. Ze namen ons geld en onze telefoons in beslag. Een Egyptenaar werd zonder reden gedood. Een man uit Niger weigerde zijn telefoon af te geven en kreeg een kogel in zijn been.’

Met een beetje geld op zak trok Hassan naar de ‘turkina’ – de plek waar vluchtelingen zich verzamelen, voordat ze in boten worden geduwd om de Middellandse Zee over te steken. ‘In de turkina was het leven hard en genadeloos. Haast met de regelmaat van de klok werd er iemand gedood. Ik dacht dat ik die vreselijke plek nooit zou verlaten.’

En toch: op een dag was het water kalm genoeg en vaarde de boot uit. Hassan dobberde drie dagen op zee rond, samen met een grote groep lotgenoten, vooraleer de Italiaanse kustwacht hen onderschepte.

Op 1 oktober 2017 kwam hij aan op Sicilië. Via Frankrijk belandde hij in België. Hij vroeg in ons land asiel aan, maar twee jaar later wacht hij nog steeds op een definitieve beslissing.

Soedanese revolutie biedt geen oplossing voor Darfoer

Vanop afstand zag Hassan hoe er in april vorig jaar, na maandenlange volksprotesten, een einde kwam aan het bewind van Omar al-Bashir, de dictator die al jaren door het Internationaal Strafhof in Den Haag wordt gezocht voor misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide in Darfoer.

Een overgangsregering – een compromis tussen burgers én militairen – beloofde vrede te brengen in het verdeelde land. Maar hoewel de revolutie wel degelijk veranderingen inluidde voor de hoofdstad Khartoem, vreest Hassan dat Darfoer opnieuw met lege handen zal achterblijven.

Vooral de politieke opmars van één generaal vindt hij verontrustend: Mohamed Hamdam Dagalo, beter bekend als ‘Hemeti’.

‘Alle Soedanezen hebben bijgedragen aan de val van al-Bashir, ook de Darfoeri.’

‘Alle Soedanezen hebben bijgedragen aan de val van al-Bashir, ook de Darfoeri’, vertelt Hassan. ‘Ik was dan ook geschokt toen ik hoorde dat Hemeti een zitje kreeg in de overgangsregering. Dat zal de macht van zijn troepen nog versterken.’

Sinds 2013 staat de omstreden generaal Hemeti aan het hoofd van de Rapid Support Forces (RSF), een paramilitaire groep die zijn wortels heeft in de oude Janjaweed-milities.

Onder al-Bashir werd ze ingezet om protesten in Khartoem neer te slaan en voor allerhande anti-oproeroperaties. Naast Darfoer draaiden ze ook in de deelstaten Blauwe Nijl en Kordofan mee in de ellenlange burgeroorlog met het (overwegend niet-islamitische) zuiden van Soedan.

De laatste jaren knapte de RSF ook steeds vaker het vuile werk op buiten de landsgrenzen, zoals in Jemen of Libië. In ruil daarvoor ontving Hemeti duizelingwekkende bedragen. Dat stelde hem in staat om zijn manschappen zodanig uit te breiden dat ze het reguliere leger in aantal naar de kroon steken.

‘Hemeti wil zijn positie zo veel mogelijk versterken omdat hij bang is dat hij aan de kant zal worden geschoven’, waarschuwt Mohamed Badawi, activist en onderzoeker bij het African Centre for Justice and Peace Studies (ACJPS). ‘Hij rekruteert overal volgelingen, ook onder rebellenleiders en niet-Arabische stammen. De meesten van hen hebben een eigen agenda, maar voorlopig althans steunen ze hem.’

Update 3 september 2020

Het Juba-vredesakkoord: écht ‘historisch’?

Op 31 augustus ondertekende de overgangsregering van Soedan een vredesakkoord met het Sudanese Revolutionary Front (SRF), een coalitie van rebellengroepen uit de regio’s Darfoer, Zuid-Kordofan en de Blauwe Nijl. De ceremonie vond plaats in Juba, de hoofdstad van buurland Zuid-Soedan.

Het akkoord – dat wordt omschreven als ‘historisch’ – bevat onder meer afspraken over veiligheid, eigendomsrechten en de terugkeer van ontheemden naar hun dorpen. Ook zouden de gewapende rebellen niet worden vervolgd, maar ingepast in de strijdkrachten van Soedan.

Toch blijft voorzichtigheid op zijn plaats: eerdere akkoorden, in 2006 (Abuja) en 2011 (Doha), hebben geen einde gemaakt aan bijna twintig jaar bloedvergieten. Bovendien wordt het nieuwe vredesakkoord vooralsnog niet gedragen door twee notabele rebellengroepen en hun achterban: 

  • De Sudanese Liberation Movement/Army (SLM/A), geleid door Abdel Wahid al nur, weigerde deel te nemen aan de onderhandelingen, omdat er nog te veel knelpunten zouden zijn om tot een alomvattend vredesakkoord te komen.

    De SLM werd opgericht in 2002 en viel vier jaar later uiteen in twee facties: het SLA-MM van Minni Minawi en het SLA-AW van Abdel Wahid al Nur. Het SLA-AW is een van de weinige rebellenbewegingen die nog actief zijn in Darfoer. In tegenstelling tot Abdel Wahid tekende Minawi wel het nieuwe akkoord.

  • De Sudan People’s Liberation Movement-North (SPLM-N), geleid door Abdelaziz al Hilu, nam aanvankelijk wel deel aan de gesprekken, maar trok zich uiteindelijk terug. Voor al Hilu en zijn vertrouwelingen is de vorming van een seculiere staat een voorwaarde voor een vredesakkoord – een vrij ambitieuze eis die weinig verrassend onbeantwoord bleef.

    Ook weigerde al Hilu te onderhandelen met Mohamed Hamdan ’Hemeti’ Dagolo, de notoire paramilitaire commandant die ook vicevoorzitter is van de Soedanese overgangsregering. Hemeti zou niet geplaatst zijn om de vredesgesprekken te leiden, omdat zijn milities verantwoordelijk worden gehouden voor het (aanhoudende) geweld in Darfoer.

De rebellengroepen die wél tekenden, waaronder vier van Darfoer en één uit de zuidelijke regio’s, wordt beloofd dat ze kunnen deelnemen aan het politieke leven. Maar bij afwezigheid van SLA-AW en SPLM-N (factie al Hilu) zal het grootste deel van de politieke aanstellingen gaan naar rebellengroepen met een eerder bescheiden aanhang. De meeste daarvan zijn bovendien al een tijdje niet meer actief.

Heel wat Soedanezen vrezen dan ook dat het Juba-vredesakkoord niet veel meer is dan een holle belofte; het biedt vooralsnog geen passende oplossing voor de structurele oorzaken van het conflict en het gebrek aan ontwikkeling.

Nieuwe genocide

Dictator al-Bashir mag dan wel zijn afgezet, in Darfoer heeft de wissel van de macht vooralsnog weinig verandering gebracht. De voorbije maanden gingen daar duizenden demonstranten met gevaar voor eigen leven de straat op, met de eis om de revolutieslogan ‘vrijheid, vrede en gerechtigheid’ eindelijk in daden om te zetten. Want een jaar na de revolutie richten milities, vaak in RSF-kostuum, nog steeds ravage aan in hun dorpen.

Begin juli vielen minstens negen doden bij een aanval op een demonstratie in het vluchtelingenkamp van Fata Borno (Noord-Darfoer). Nauwelijks twee weken later kwamen bij een soortgelijke represaille zestig burgers om in Misterei, een dorpje in West-Darfoer. Volgens het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken (OCHA) raakten meer dan tienduizend mensen ontheemd.

Burgerpremier Abdalla Hamdok beloofde versterking te sturen naar de getroffen gebieden. ‘Om de burgers en het landbouwseizoen te beschermen’, klonk het.

Toch kon die beslissing op weinig begrip rekenen: er is immers geen duidelijk onderscheid tussen de milities die in Darfoer dood en verderf zaaien en de troepen die de burgers moeten beschermen. Wat wil je in een land waar de militaire sterkhouders van de vroegere dictatuur mee de dienst uitmaken in een overgangsregering die moet leiden tot democratische verkiezingen?

‘Ik vrees dat we op weg zijn naar een nieuwe golf van genocide in Darfoer!’

‘Hemeti’s RSF dicteren de wet in Darfoer’, zegt Niemat Ahmadi, de drijvende kracht achter Darfur Women Action Group (DWAG). ‘Als de regering zegt dat ze “versterking” stuurt, geeft ze de troepen die verantwoordelijk zijn voor de aanhoudende terreur in de regio legitimiteit om te doden. Dan kunnen ze immers bij ieder burgerslachtoffer zeggen: “We werden aangevallen door niet-geïdentificeerde gewapende milities.” Ik vrees dat we op weg zijn naar een nieuwe genocide in Darfoer!’

Ondanks dat oplaaiende geweld zal de hybride vredesoperatie van de Afrikaanse Unie en de VN, die bekend staat als UNAMID en die al sinds 2007 actief is, zich op het einde van dit jaar terugtrekken.

De voorbije jaren was de aanwezigheid van de missie — die Mohamed Badawi van ACJPS ‘de zwakste VN-missie ooit’ noemt — al stevig teruggeschroefd: sinds 2018 sloot ze de meeste van haar bases in Darfoer en bracht ze haar manschappen terug van 19.500 naar 6.500, en dat voor een gebied dat zo groot is als Frankrijk.

Eerder dit jaar pleitte burgerpremier Hamdok nochtans voor een uitgebreide VN-vredesmissie, maar onder druk van de militaire top trok hij dat voorstel weer in. De VN laten weten dat UNAMID wordt vervangen door UNITAMS, een nieuwe missie met een eerder politiek mandaat.

‘Soedan-affaire’

Ondanks rapporten en getuigenissen die het tegendeel bewijzen, hield de regering-al-Bashir jarenlang vol dat de oorlog in Darfoer voorbij was. Onder druk van anti-immigratiepartijen namen verschillende Europese landen dat discours over, om zo de uitwijzing van Soedanezen te rechtvaardigen. Sommige van die landen, waaronder België, tekenden bilaterale verdragen met Khartoem, of werkten ermee samen om ‘illegale migranten’ te identificeren.**

Verschillende Europese landen namen dat discours dat de oorlog in Darfoer voorbij was over, om zo de uitwijzing van Soedanezen te rechtvaardigen.

Eind 2017 lokte in België de zogeheten Soedan-affaire internationale verontwaardiging uit. Toenmalig staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) nodigde toen een delegatie ambtenaren uit Soedan uit, die moest helpen bij het identificeren van migranten uit het Maximiliaanpark. Wie als Soedanees staatsburger werd geïdentificeerd, kreeg een laissez-passer: documenten die een gedwongen terugkeer naar het thuisland mogelijk maakten.

Niet veel later bracht het Tahrir Institute for Middle East Policy aan het licht dat de teruggestuurde migranten bij aankomst waren opgepakt en gemarteld. Ondanks de controverse die volgde, heeft Francken — breed lachend op de foto met de Soedanese ambtenaren — steeds volgehouden dat de missie ‘juridisch en inhoudelijk verdedigbaar’ was. Na een tijdje ging de storm liggen en werden de repatriëringen hervat.

Helemaal uitzonderlijk was de Belgische aanpak niet. Om de migratiestroom in te perken, werkten Europese landen wel vaker samen met onfrisse regimes. Meer nog, in 2014 lanceerde de EU het omstreden ‘Khartoum Process’. Daarbij maakte ze geld vrij om het aantal migranten uit de Hoorn van Afrika te beteugelen. In 2016 vloeide er zo ongeveer 160 miljoen euro naar Soedan. Detail: om de migranten tegen te houden, werden vooral RSF-troepen aan de grenzen gestationeerd. Zo kwam een deel van het geld ook bij hen terecht — al sprak de EU dat tegen. Maar het duurde niet lang of er volgden verhalen van migranten die met geweld waren aangepakt of die het slachtoffer werden van mensenhandel.

Pas in juni vorig jaar, toen Hemeti’s RSF in de nasleep van al-Bashirs afzetting de burgerprotesten in Khartoem hardhandig onderdrukten, kon Europa niet langer wegkijken. Voor het oog van de internationale media vielen ruim 140 doden en ontelbare gewonden. Meteen werd pijnlijk zichtbaar wie de EU al die jaren werkelijk had gefinancierd. Europa schortte in zeven haasten de meeste van haar verdragen met Khartoem op. Maar hoelang zal het duren voor ze opnieuw gesprekken aanknoopt met de machthebbers in Soedan?

Het is immers geen geheim dat het land af wil van zijn status als internationale paria. Nog steeds staat het op de zwarte lijst van de VS, onder meer omdat het in de jaren negentig onderdak bood aan Osama bin Laden en moslimstrijders steunde in Libië en de buurlanden Ethiopië, Eritrea en Somalië. Samenwerking met de EU is daarom een belangrijke opstap naar meer internationale erkenning.

‘Gebieden zijn nu veilig’

Sinds de revolutie is Europa eerder terughoudend om de dossiers van Soedanezen te behandelen. ‘In België werden er geen beslissingen meer genomen’, weet Dalal Rajab van Sudan Action Group, een organisatie die Soedanese migranten in ons land begeleidt. ‘Maar stilaan worden de gesprekken weer opgestart. Tientallen Soedanezen hebben me intussen toevertrouwd dat ze een interview zullen krijgen.’ Het is maar zeer de vraag wat daarvan de uitkomst zal zijn.

Het gezaghebbende Soedanees-Nederlandse nieuwskanaal Radio Dabanga berichtte onlangs dat 50 Soedanese asielzoekers in Nederland, van wie een aantal al meer dan vijf jaar legaal in het land woont en nu een permanente verblijfsstatus aanvraagt, een brief hebben ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Daarin staat dat zij zullen worden gedwongen om terug te keren naar Soedan, tenzij ze de motivatie van hun aanvraag wijzigen. ‘Omdat de situatie in Darfoer, Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl nu veilig is’, klinkt het.

It’s the economy, stupid! Of toch niet?

‘Of ik bang ben om teruggestuurd te worden? Natuurlijk’, zegt Hassan. ‘Darfoer is helemaal niet veilig. Maar daar lijkt Europa niet van wakker te liggen. De EU schenkt alleen maar aandacht aan de economische crisis in Soedan, terwijl die niet onze grootste zorg is.’

‘Darfoer is helemaal niet veilig. Maar daar lijkt Europa niet van wakker te liggen.’

De Soedanese economie kreunt al jaren onder een torenhoge inflatie. Een groot deel van de bevolking leeft in armoede en kampt met hongersnood. Een internationale geldinzamelactie, opgezet door Duitsland, haalde onlang 1,5 miljard euro op. Maar om de vastgelopen economie te redden is minstens het zevenvoud nodig, becijferde premier Hamdok.

‘Zeker, economische stabiliteit is een van de grote uitdagingen. Maar voor de mensen in de achtergestelde regio’s, zoals Darfoer, Blauwe Nijl of Zuid-Kordofan, is veiligheid de eerste prioriteit’, meent Rajab. ‘De slachtoffers zijn trouwens niet alleen de mensen in Soedan zelf, maar ook de asielzoekers bij ons. Vaak worden ze beschouwd als economische migranten, wat een reden kan zijn om hun asielaanvraag te weigeren.’

Ahmadi: ‘De eenzijdige focus van Europa is te simplistisch. Alsof geld alles oplost! Wat te vaak over het hoofd wordt gezien is dat de economie kreunt onder een gebrek aan veiligheid. Darfoer draagt voor ongeveer zestig procent bij aan het bbp van Soedan. Dat gaat nu volledig verloren, omdat Darfoeri worden gedwongen om te vluchten, of in een kampen te verblijven.’

‘Daarnaast is geweld tegen vrouwen nog steeds schering en inslag’, gaat ze verder. ‘Nochtans vormen ze de overgrote meerderheid van de beroepsbevolking. Alleen: hoe kunnen ze dat potentieel benutten, als ze onophoudelijk worden geïntimideerd, aangerand of verkracht? Zolang je de structuren die de economische crisis en de uitsluiting van de Darfoeri veroorzaken niet aanpakt, zal er niets veranderen – zelfs al zouden we fortuinen geven.’

* Hassan is een gefingeerde naam. Om de veiligheid van zijn familie en vrienden in zijn thuisland te garanderen, wenst hij anoniem te blijven.

** Deze visie werd voor het eerst gelanceerd in de gezaghebbende studie ‘Darfuri migration from Sudan to Europe’ (S. Jaspars en M. Buchanan-Smith, REF en HPG, 2018) en later herhaald in ‘Diaspora in despair: Darfurian mobility at a time of international disengagement’ (J. Tubiana e.a., Small Arms Survey, 2020).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2771   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journalist

    Tom Claes is redacteur en freelancejournalist. Hij volgt de ontwikkelingen in de Hoorn van Afrika en focust in het bijzonder op de thema’s identiteit, migratie en ongelijkheid.