De Muur door Brussel

België en Europa varen een eenzijdige, pro-Palestijnse koers. Dat is de klacht van de pro-Israëlische belangengroepen. Integendeel, zeggen pro-Palestijnse pleitbezorgers: onze politici lopen juist te veel aan de hand van een invloedrijke pro-Israëlische lobby. Complottheorieën over duistere lobby’s en schimmige beïnvloeding gaan als kleingeld rond bij al wie betrokken is bij het conflict in het Midden-Oosten. MO* zoekt de feiten achter de mythes.
‘De wereld denkt meteen in complottheorieën zodra een paar joden zich organiseren en zich al te Amerikaans opstellen’, zegt Joël Rubinfeld. De dertiger, actief in de reclamebranche, is stichtend lid van de pro-Amerikaanse denktank Atlantis Institute.
‘In de eerste plaats ondersteunen we het beleid van de VS, maar we verzetten ons -als Europeanen- ook tegen ongenuanceerde kritiek tegen Israël. Daarbij blijft mijn thuisland België, en niet Israël.’ Rubinfeld dweept met George Bush -die hij met een grijns de nieuwe Che Guevarra noemt- en steekt zijn bewondering voor diens “hoognodige democratiseringsacties” in Kaboel en Bagdad niet onder stoelen of banken. Hij is altijd bereid het bestaansrecht van de staat Israël te verdedigen: ‘Ik heb er geen probleem mee waneer een journalist een kritisch artikel schrijft over de schendingen van het handelsakkoord tussen Europa en Israël. Ik heb wél een probleem met wat die journalist níet schrijft, namelijk hoe het dan zit met de Europese handelsakkoorden met Iran en Libië. Is er vóór de interventie in Irak één pacifist de straat op gegaan om te betogen tegen de mensenrechtenschendingen door Saddam Hoessein?’
Rubinfeld richtte het Atlantis Institute in 2003 op. Temidden van de hevige protesten tegen de Amerikaanse interventie in Irak, wilde hij een “tegenbeweging voor de anti-Amerikaanse opmars in Europa” bieden. Datzelfde jaar richtte François Zimeray, een Frans-joods Europarlementslid, Medbridge op, een organisatie die vanuit Brussel en Parijs werkt. ‘Wij willen Europa dichter brengen bij de democratische krachten in het Midden-Oosten: de staat Israël en de democratische leiders van Jordanië en Egypte’, zegt woordvoerster Simone Rodan.
Medbridge wordt gefinancierd met privé-fondsen, onder meer van het American Jewish Congress (AJC), een invloedrijke organisatie. Toch is Medbridge geen joodse organisatie, zegt Rodan: ‘Bestuursleden zoals de Franse ex-minister François Léotard (UDF) en het Italiaanse Europarlementslid Marco Panella (Lista Emma Bonino) of onze erevoorzitter Willy Declercq (VLD), zijn niet joods. We zijn totaal onafhankelijk.’ Medbridge vindt dat er veel foutieve informatie over het Midden-Oostenconflict verspreid wordt en wil dat corrigeren via lezingen, ontmoetingen, conferenties en trips voor parlementsleden naar Egypte, Jordanië, Israël en de Bezette Gebieden. Volgens Rodan beschouwt niemand hen als lobbygroep, omdat ‘de informatie die ze geven gebalanceerd en genuanceerd is’. Nochtans oordeelde een Iers parlementslid daar in een interview met De Standaard anders over: hij vond de Medbridge-trip waaraan hij deelnam naar Israël ‘van a tot z pro-Israël’.
Ook andere joodse organisaties met sterke Amerikaanse banden vestigden zich in onze hoofdstad: het neoconservatieve Europe Near-East Forum, het Transatlantic Institute dat opgericht werd door het AJC, het European Jewish Congress en het World Jewish Congress. Achterliggende motieven voor deze opvallende immigratie van joodse of pro-Israëlische organisaties waren de bezorgdheid over het toenemende antisemitisme in Europa, en de anti-Amerikaanse en de pro-Palestijnse houding van Europa. Lang niet alle lokale joodse gemeenschappen zijn daarmee opgezet. In Frankrijk waarschuwde de Israëlische ambassadeur voor de negatieve effecten van deze beweging: ‘Europa is Amerika niet, en de praktijken van het American Israel Public Affairs Committee (AIPAC, de machtigste joodse lobbygroep van de VS, t.d.) kan je hier niet kopiëren.’

Fanatici op Europese mailboxen


Het Europees Parlement is het hoofdpodium voor Brusselse lobbyisten. Toch doen de namen van Joods-Amerikaanse groepen in Brussel niet meteen bellen rinkelen. ‘Ik ken wel de Israëlische ambassadeur Yehudi Kinar en PLO-vertegenwoordigster Leïla Shahid’, zegt Waals Europarlementslid Veronique De Keyser (PS), die duidelijke standpunten inneemt tegen de bezetting van de Palestijnse gebieden. ‘Kinar is zeer actief en hij nodigt me vaak uit voor een gesprek, een lezing, een seminarie… Hij doet daarmee niets fout, ik hou ook contact met hem. Hij zal sommige mensen inderdaad minder kritisch naar Israël doen kijken, maar dat is nu eenmaal zijn job.’
De Keyser zegt dat de hoofdbrok van haar elektronische post bestaat uit berichten van zowel pro-Israëlische als pro-Palestijnse belangengroepen. Het is hun recht om haar met nieuws en opinies te bestoken, vindt ze, alleen wil ze waakzaam blijven voor desinformatie. ‘En geloof me, die is er in grote mate. Toch staat het Europees Parlement overwegend neutraal tegenover het conflict. Door de komst van de nieuwe EU-landen verschuiven de relaties misschien meer naar de Israëlische uitgangspunten, omdat zij minder dan de West-Europese landen het verschil maken tussen de tragedie van de Holocaust en de actuele politiek.’
Volgens het Italiaans Europarlementslid Luisa Morgantini (Partito della Rifondazione Comunista) is Israël veel beter vertegenwoordigd in Europese politieke kringen dan de Palestijnen. Abdelouahab Derbal, chef van de Liga van de Arabische Staten in Brussel, mag dan vurig verklaren dat de Palestijnse zaak het hart van zijn missie is, Morgantini heeft hem nog nooit over de vloer gekregen. ‘De Liga is net als de PLO-afvaardiging in Brussel geen officiële ambassade. Ook die laatste was tot nu nauwelijks zichtbaar. Vermoedelijk zal de nieuwe PLO-vertegenwoordigster Leïla Shahid, een zeer intelligente en actieve dame, een verschil maken.’
In de huidige woelige context merkt Morgantini een toenemende lobbyactiviteit, waarbij vooral de pro-Israëlische stemmen van zich laten horen. Morgantini werd in eigen land fysiek aangevallen door jonge joods-Italiaanse extremisten, maar is er niet door geïmponeerd. In haar mailbox zit een aparte map fanatica, met mails die hoofdzakelijk van joodse of Israëlische zijde komen, al zit er ook wel wat bij van moslimextremisten. Zolang hun aanpak binnen de wettelijke en democratische grenzen blijft, ziet ze daar geen graten in.

Buiten de lijnen


In de Verenigde Staten is het bestaan van lobbygroepen bij wet geregeld. Die transparantie ontbreekt in Europa. Daardoor ontstaat er verwarring tussen het formele lobbywerk en het optreden van privé-groepjes. In 2003 deed de oprichting van Europese afdelingen van de Amerikaanse Jewish Defense League (JDL) stof opwaaien. De JDL werd in 1968 in de VS opgericht door de ultraradicale -ondertussen vermoorde- rabbijn Meir Kahane om de joodse gemeenschap te beschermen tegen het antisemitisme. Gaandeweg werd de organisatie militanter en gewelddadiger: meerdere JDL-leden werden veroordeeld voor ordeverstoring, vandalisme, illegale wapenhandel en bomaanslagen.
Ook in België was een afdeling actief. Maar het was een clubje amateurs, zegt Amir Haberkorn, actief lid van de Unie voor Progressieve joden in België. Een lobbygroep kon je dit niet noemen. Ook de joodse Task Force die in 2003 werd opgericht, bestaat niet meer, zegt Joël Rubinfeld van het Atlantis Institute: ‘De zogenaamde Task Force was een groepje van maar een paar mensen, hun aantal varieerde van één tot vijf. Ze vochten tegen vooringenomen en ongenuanceerde informatie over het Israëlisch-Palestijns conflict. De mythes over deze groep zijn eerder te danken aan journalisten die erover schrijven dan aan hun activiteiten zelf.’ Dat Rubinfeld, volgens de Israëlische krant Ha’aretz, zelf lid is geweest van deze Task Force, zegt hij er niet bij. Pedro Weinreb, de joodse zakenman die de Brusselse Task Force oprichtte, is ook de man die samen met Rubinfeld Belisraël uit de grond stampte, een volgens eigen zeggen apolitieke Belgisch-Israëlische vriendengroep, die nog nauwelijks actief is. Niet iedereen vindt, zoals Rubinfeld, de Task Force zo onschuldig.
De groep werd geleid door Rafi Yerushalmy, een ex-reserveofficier van het Israëlische leger, en ex-afgevaardigde van Keren Hayesod, een wereldwijde fondsenwervingsorganisatie. De Brusselse Ecolo-senator Josy Dubié leerde hem kennen als een gedreven verdediger van Israël. In 2002 was Dubié voorzitter van de senaatscommissie Justitie. Hij bezocht toen Libanon, in het kader van het proces dat voorbereid werd tegen Ariël Sharon voor zijn verantwoordelijkheid in de slachting in Sabra en Shatila.
‘Op een persconferentie achteraf reageerde ik op een aanval van Ehud Olmert, toen burgemeester van Jeruzalem, op onze regeringsleiders. Ik heb gezegd dat onze regering tenminste geen extreem-rechtse minister onder haar leden had, een verwijzing naar de toenmalige Israëlische minister van Toerisme. Daarop is een enorme lobbymachine tegen mijn persoon op gang getrokken. Ik werd overladen met honderden e-mails en brieven. Op een bepaald moment kreeg ik van iemand de boodschap dat hij de oproep had ontvangen om mee te werken aan een briefschrijfactie tegen mij. Achteraf heb ik Rafi Yerushalmy ontmoet, die bekende dat hij dit soort acties organiseerde. Hij werd betaald als provocateur, zei hij, door een joods-Portugese zakenman.’ Pedro Weinreb? ‘Ja.’ Dubié zegt dat hij voor sommige mensen in de Brusselse joodse gemeenschap, die hij nochtans goed kent, nog altijd persona non grata is. De Task Force is intussen opgedoekt, wellicht omdat de Belgische joden de agressieve aanpak niet smaakten.

Het lokale kader


De zionistische lobbymacht mag niet worden overroepen. Het aantal joden in België wordt rond 35.000 geschat. De grootste groepen wonen in Brussel en Antwerpen, kleinere groepen in Gent, Luik, Waterloo, Oostende, Charleroi en Aarlen. De joodse gemeenschap in België is zeer heterogeen, met verschillende strekkingen, geloofsovertuigingen en politieke ideologieën. Dat uit zich in een veelvoud van organisaties en belangengroepen. De meerderheid van de joden in België voelt zich wel nauw verbonden met het voortbestaan en de bloei van de staat Israël, zegt Ludo Abicht, auteur van Geschiedenis van de joden van de Lage Landen. ‘In samenwerking met de Israëlische ambassade, B’Nai B’rith en andere organisaties reageren ze dikwijls en scherp op alle uitlatingen van antizionisme, die ze stelselmatig aanduiden als antisemitisme. Ze zijn ervan overtuigd dat de Belgische media een vertekend pro-Palestijns beeld van de situatie in het Midden-Oosten ophangen, iets waartegen ze keer op keer via brieven aan de verschillende redacties protesteren.’ Ook eigen media, zoals het uitgesproken Antwerps Israëlitisch Weekblad, onder de vleugels van Louis Davids, of de Brusselse Radio Judaïca, trekken hard van leer tegen ieder die zich al te kritisch tegen Israël opstelt.
De werkgroep Hasbara is een actief groepje in het rijk geschakeerde organisatieveld. Hasbara, waar ook de Gentse professor Internationaal Recht, Marc Cogen, lid van is, maakte een dossier over de “subjectieve en gebrekkige berichtgeving” van de VRT over het Israëlisch-Palestijns conflict, en organiseerde in dat kader ook een petitie. Een kritisch opiniestuk van historicus en filosoof Gie Van den Berghe in Knack over het Holocaustmuseum Yad Vashem in Jeruzalem, zorgde voor een geanimeerd lezersdebat, onder meer ook met een gepubliceerde lezersreactie van Willy Lipschutz, een lid van Hasbara. Dezelfde Lipschutz reageerde ook heftig nadat hij een studiedag voor leraren secundair onderwijs over het Israëlisch-Palestijns conflict had bijgewoond. In een lezersbrief aan de Gazet van Antwerpen noemt hij de studiedag ‘een zeer goed georganiseerd requisitoir tegen Israël’ en ‘indoctrinatie van leerkrachten’.
De organisatoren van de EHSAL-Hogeschool en de Vlaamse Leraren Aardrijkskunde ontvingen een brief van het Vlaams onderwijskabinet dat ze een klacht hadden gekregen over de eenzijdige invulling van de studiedag. Het kabinet vertelt dat het om een klacht van een individu ging, en dat dit soort klachten slechts zeer uitzonderlijk voorkomen. Stefan De Coninck, die voor de deelnemers een informatie-cd-rom in elkaar stak, zegt dat de studiedag zich inderdaad toespitste op de gevolgen van de Israëlische bezetting voor de Palestijnen. ‘Maar de informatie was wel genuanceerd. Naast de Palestijnse Nuhman Otman, hebben we ook Fred Erdman (ex-SP.A-mandataris, joods en pro-Israëlisch) uitgenodigd om ook de pro-Israëlische stem aan het woord te laten.’

De hoop van de Palestijnse lobby


PLO-vertegenwoordiger Shawki Armali heeft nauwelijks op het debat gewogen, daar is zowat iedereen het over eens. Van zijn opvolgster Leila Shahid wordt meer verwacht. De Arabisch-Europese Liga is in België wellicht de meest succesvolle pro-Palestijnse organisatie, tenminste wat het bespelen van de media betreft. Dat levert echter meer negatieve dan positieve resultaten op. ‘Het feit dat we niet alleen opkomen voor de rechten van moslims in België, maar ook voor de belangen van de Arabische landen, wordt ons zwaar aangerekend’, zegt de AEL-woordvoerder Karim Hassoun. ‘We lobbyen voor de Palestijnse zaak en krijgen daardoor het verwijt dat het Midden-Oostenconflict naar Antwerpen importeren.’
Hassoun noemt de zionistische lobby ongrijpbaar, omdat ze is ingebed in politieke machtsstructuren, met joodse mandatarissen die zeer dicht bij Israël staan, zoals Claude Marinower (VLD) en Viviane Teitelbaum (MR). De AEL is vandaag politiek geïsoleerd. Geen enkele potentiële partnerorganisatie of zaalverhuurder wil zijn naam verbinden aan de AEL. In Antwerpen ging geen enkel politieke partij in op het voorstel van AEL-leden om samen te werken voor de komende gemeenteraadsverkiezingen. Een organisatie die door iedereen wordt uitgespuugd, kan je nauwelijks lobbymacht toedichten.
Of toch? De AEL heeft ondertussen goed rondgekeken en bijgeleerd. Ze werkt nu met mantelprojecten en frontorganisaties. Bijeenkomsten gestuurd door de AEL gaan onder een andere naam door, zodat de Liga -undercover- toch zijn boodschap kwijt kan. De AEL wil ook het politieke veld beter bespelen. ‘Via partijkaarten zullen we infiltreren in de verschillende politieke partijen, om op die manier te lobbyen, ook voor de Palestijnse zaak. De politieke weg is de beste weg om verandering te brengen.’

De enige pro-Palestijnse lobbygroepen die min of meer tot bij de politieke regionen geraken, zijn de ngo’s. In Vlaanderen verzamelt het Actieplatform Palestina (APP) een aantal ontwikkelingsorganisates als Broederlijk Delen, 11.11.11, Pax Christi en pro-Palestijnse belangenorganisaties zoals het Vlaams Palestina Komitee en CODIP, het Palestijns documentatie- en informatiecentrum. Het APP en Pax Christi organiseren geregeld fact finding missions voor parlementsleden naar de Palestijnse Bezette Gebieden en Israël. CD&V-parlementslid Nathalie Muylle nam recent deel aan zo’n missie. ‘Maar ik ging niet alleen met Pax Christi mee’, haast ze zich te zeggen. ‘Mijn reis was in twee gedeeld: het eerste luik was verzorgd door Pax Christi, met vooral een focus op de Palestijnse kant, en een tweede luik belichtte de Israëlische kant. Binnen mijn partij ligt het conflict heel gevoelig en zijn de standpunten erg verdeeld. Daarom regelde Buitenlandse Zaken dat de Israëlische ambassade het tweede luik zou verzorgen.’
Het is niet zo dat parlementsleden die de regio bezoeken onder de vleugels van het APP systematisch worden benaderd door de Israëlische ambassadeur. Vlaams Spirit-parlementslid Jan Roegiers, die de Palestijnse Bezette Gebieden al een paar keer op eigen initiatief bezocht, kreeg wel een uitnodiging van ambassadeur Yehudi Kinar. ‘Maar dat was vooral omdat ik -misschien als een van de weinigen- gereageerd had op een brochure die ik van hem gekregen had. Het was een gemoedelijk gesprek, waarbij Kinar zich uiteraard pro-Israëlisch uitsprak, maar ik ben niet in debat gegaan. Politieke discussies reserveer ik voor het parlement.’

Het comfort van de équidistance


Toen in 2000 de tweede Intifada uitbrak in de Bezette Palestijnse Gebieden, bekoelden de betrekkingen tussen België en Israël. De uitspraak van het Belgisch Hooggerechtshof in 2001 dat de Israëlische premier Sharon kon worden vervolgd voor oorlogsmisdaden (Sabra en Shatila), bracht de bilaterale temperatuur onder het vriespunt. Niet lang daarna werd de genocidewet getorpedeerd.
Luc Walleyn, die advocaat was van de nabestaanden van de slachtoffers van Sabra en Shatila: ‘De lobby die de genocidewet -waaruit de aanklacht tegen Sharon voortvloeide- kelderde was niet alleen de Israëlische. Ook de Belgische bedrijfswereld zette druk op de ketel, omdat ze al van meet af aan vond dat de genocidewet een probleem zou kunnen vormen voor hun handelsrelaties met niet al te “propere” regimes. Daarnaast speelde ook de politieke en economische druk van de VS een rol, na een aanklacht tegen generaal Tommy Franks. En natuurlijk speelde Israël het diplomatieke spel hard, door onder meer zijn ambassadeur weg te roepen uit Brussel. De lobbymachine, die niet te onderschatten was, speelde vooral achter de schermen, maar bleef volkomen legaal. Via duistere wegen wordt het spel niet gespeeld.’
Eenmaal de genocidewet begraven, konden de plooien tussen België en Israël gladgestreken worden. ‘België wil zich niet langer profileren als gidsland’, zei buitenlandminister Louis Michel, toen hij in februari 2004 Jeruzalem bezocht. Weg was de sympathie voor verdrukte Palestijnen, vanaf nu worden de twee partijen in het conflict met evenveel afstand benaderd. De nieuwe diplomatieke houding kreeg de naam équidistance. VLD-bonzen bezochten Jeruzalem, de teruggeschroefde handelsbetrekkingen tussen België en Israël werden genormaliseerd.
In 2002 trok Vincent Van Quickenborne (nu VLD, toen nog Spirit), samen met Jean-Marie Dedecker (VLD), Jan Roegiers (Spirit) en Alain Destexhe (MR) naar Gaza, waar hij Hamas-leider Sheikh Yassin bezocht. In 2003 nam hij de politieke honneurs waar voor het Sabra-en Shatila-steuncomité. Vandaag zwijgt Q in alle talen. Hij is niet meer bereikbaar voor commentaar, omdat hij het te druk heeft met administratieve vereenvoudiging, aldus zijn directe medewerkster.
‘Van Quickenborne is staatssecretaris, toegevoegd aan de premier, hij zit in het systeem. Dat zegt voldoende, nietwaar?’, zegt VLD-partijgenoot Jean-Marie Dedecker. Dedecker is er van overtuigd dat er wel degelijk pro-Israëlische lobbykrachten in België werken, met als inzet de diamanthandel en de Antwerpse haven. Bovendien is het joods electoraat niet onbelangrijk in een stad als Antwerpen, zegt hij. Nonsens, vindt oud-premier Marc Eyskens (CD&V): ‘De grootste onzin die er over de pro-Israëlische lobby bestaat, is dat er zo’n lobby in België aanwezig is.’
Eyskens is bestuurslid van de Vrienden van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, een rol die hij van zijn vader overnam. Heeft die academische vriendschapsband hem nooit beïnvloed als politicus? ‘De academische wereld en de politiek zijn twee gescheiden zaken. In de 36 jaar dat ik actief was in het parlement, heb ik altijd gepoogd min of meer objectief te zijn in het conflict. Ik ben er voorstander van om de transatlantische relaties te verstevigen, en het is zo dat het joodse establishment in Amerika buitengewoon goed is georganiseerd in de top van de regering. Maar dat wil niet zeggen dat ik meteen ook pro-Israëlisch ben.’
Eyskens vraagt zich af wat überhaupt de definitie is van een lobby. Een ambassadeur die af en toe een parlementslid uitnodigt tot een gesprek ziet hij niet als lobbywerk. ‘We hebben in België een paar vooraanstaande journalisten die het dossier vrij goed kennen. Ik kan me voorstellen dat Mia Doornaert, een verstandige vrouw overigens, regelmatig dineert met Yehudi Kinar. Maar ze wordt waarschijnlijk ook uitgenodigd door de Palestijnse kant. Bij gepolariseerde thema’s is het zeer belangrijk om de twee partijen en hun argumenten te horen.’

De Bezetting
Wie de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden afkeurt, krijgt wellicht Resolutie 242 als antwoord. Deze resolutie werd op 22 november 1967 goedgekeurd door de VN-Veiligheidsraad, na de zesdaagse oorlog in het Midden-Oosten. De resolutie roept (de) Israëlische troepen op om zich terug te trekken uit (de) bezette gebieden. Resolutie 242 zorgt al jaar en dag voor een semantische discussie over wat nu precies bedoeld wordt met die bezette gebieden. Israël zegt dat de Veiligheidsraad het lidwoord ‘de’ twee keer bewust heeft weggelaten.

Met andere woorden: de resolutie vraagt niet de terugtrekking van álle Israëlische gewapende troepen uit álle bezette gebieden. Ambassadeur Yehudi Kinar beklemtoont die interpretatie stelselmatig, ook in een gesprek met MO*, naar aanleiding van een brief waarin de ambassadeur zich beklaagde over onze berichtgeving. Eerder werd MO* al op de vingers getikt door Claude Marinower (VLD), in een parlementaire vraag over onze -naar zijn mening al te eenzijdige- berichtgeving over Israël. Marinower en Kinar wijzen minister Armand De Decker er fijntjes op dat MO* overheidssubsidies krijgt.


Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur