De overroepen ‘Facebook-revoluties’

In januari 1979 kwam een einde aan het bewind van de Iraanse sjah na een revolutie waar volgens sommige historici en sociologen tot elf procent van de bevolking van Iran op de één of andere manier aan deelnam. Dat is waarschijnlijk één van de grootste participatiegraden in een revolutie ooit. Het gebeurde ook lang vòòr de opkomst van het internet en van sociale media als Facebook, Twitter en Youtube. In juni 2009, dertig jaar na de Iraanse revolutie, komt er een nieuwe protestbeweging, ditmaal tegen het islamitisch regime dat na de revolutie van 1979 onder leiding van Khomeini aan de macht kwam. Ondertussen waren het internet en de sociale media er wel, ook in Iran. Sommigen spraken zelfs van een ‘Twitter-revolutie’. Toch bleef de basis van wat de ‘Groene Beweging’ zou gaan heten niet alleen beperkter dan die van de beweging tegen de sjah destijds, het regime bleef ook in het zadel.

Met de opstand tegen Ben Ali in Tunesië en de groeiende protesten tegen Mubarak in Egypte is het idee van een Twitter- en, intussen, Facebook-revolutie er terug. Hoe groot is het belang van de sociale media in politieke mobilisatie en in de val van regimes eigenlijk? Algemeen genomen zijn ze belangrijker voor internationale verslaggevers, diaspora’s, opposanten in ballingschap en onder bepaalde hoger opgeleide elitegroepen in de grote steden dan onder de bredere volksbasis in het land zelf. Die gaat niet in opstand komen omdat ze opgestookt wordt op Twitter en Facebook, wel omdat ze in de dagdagelijksheid geconfronteerd wordt met de gevolgen van een bepaald wanbeleid, van mondialisering of, even vaak, een combinatie van die twee.

Daarbij gaat het niet enkel om werkloosheid en geldgebrek maar vooral om een gevoel van vernedering en onrecht dat in de hand gewerkt wordt door een steeds zichtbaardere sociale kloof en omdat de mensen, deels door de media en deels in de dagelijkse realiteit, met de arrogante, pompeuze levenswijze van de geprivilegieerden worden geconfronteerd. In de politieke mobilisatie ervan en in het krijgen van informatie over de toestand in het land buiten de officiële berichten om, spelen media en zowel traditionele als moderne communicatiemiddelen uiteraard een grote rol. Maar dat zijn minder de hippe sociale media, dan andere kanalen als de klassieke geruchtencircuits, schotelantennes en sms.

In Tunesië was de invloed van buitenlandse satellietzenders als France24, Al-Arabiyya, BBC en Al-Jazeera aanvankelijk veel groter dan die van Facebook en Twitter. Ook tijdens de bloedige opstand tegen president Bakijev in Kirgizië in april 2010 was de invloed van de sociale media marginaal. De mensen die daar op straat kwamen behoorden eerder tot een volks, provinciaal publiek dat weinig gebruik maakt van het internet en van de sociale media, maar dat wel communiceert met gsm en sms en naar de Russische televisie kijkt.

In Tunesië en in Kirgizië werden de ‘spelregels’ en de tactiek van de protesten op het terrein veel meer bepaald door ‘analoge’ sociale netwerken dan door Facebook en andere sociale media.

Met 19 procent heeft de sociale netwerksite naar regionale normen inderdaad een vrij hoge penetratiegraad in Tunesië. Het zou echter verkeerd zijn om te denken dat dit overal de regel is of dat alles draait rond Facebook. In Egypte, waar men spreekt van Facebook-protesten, is dat bijvoorbeeld maar 6,34 procent, in Kirgizië 1,6 procent en iets gelijkaardigs in Iran. De beperkte invloed van Facebook en gelijkaardig media wordt nog duidelijker als men weet dat veel gebruikers geconcentreerd zijn in de grotere centra of tot sociale lagen horen die niet noodzakelijk representatief zijn voor de wijdere samenleving. Dat Facebook en Twitter revoluties maken of richting geven, zoals sommigen met veel enthousiasme aanvoeren, houdt dus op zich niet. Ze brengen ze internationaal wel op de mentale kaart. Maar protesten bloeden dood als ze niet openlijk of achter de schermen gesteund worden door sociale bewegingen die goed ingeplant zijn onder de bevolking of bepaalde delen ervan, of door figuren met een echte invloed aan de basis.

In Tunesië en in Kirgizië werden de ‘spelregels’ en de tactiek van de protesten op het terrein veel meer bepaald door ‘analoge’ sociale netwerken (streekgenoten, familiaal, … ) dan door Facebook en andere sociale media. De steun van de Egyptische Moslimbroeders, met hun wijde sociale netwerken, aan de protesten die momenteel in Suez en op andere plaatsen in het land aan de gang zijn is bijvoorbeeld een relevantere ontwikkeling dan het aantal Egyptenaren op Facebook en Twitter. Steun van newterken en structuren ‘die er toe doen’ is waar het de Iraanse Groene Beweging uiteindelijk aan ontbrak. Twitterende jongeren die op straat komen voor vrijheid passen in wat correspondenten en de internationale goegemeente graag zien. Beantwoorden ze ook aan de maatschappelijke realiteit achter een protestbeweging of een opstand? Voor een deel wel. Alleen komt het er op aan dat is zijn juiste proporties te zien.

Koen Vlassenroot, Sami Zemni en Bruno De Cordier werken voor de vakgroep voor Studie van de Derde Wereld van de Universiteit Gent

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3184   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift